Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Problemen. in. Wat kan de toekomst brengen? (J. W.) Beter had ik de ondertitel van dit epistel kunnen noemen „Structuurcrisis”, maar het is nu eenmaal als boven aangekondigd, dus laat ik het maar staan. Toch wil ik het nu eerst hebben over structuur-crisis, want deze kant van de medaille moet eerst worden bekeken voordat ik de vraag, hierboven gesteld, behandel. In het meergenoemd prae-advies zegt de heer Zaalberg; „Die snelle verhooging van de arbeidsopbrengst is gelijktijdig gekomen inde industrie, het vervoerwezen, de landbouw en de administratie. Die verhoogde arbeidsopbrengst vond kort na de oorlog mogelijkheid van verkoop. In tijden van rustiger ontwikkeling is vaak de markt niet zoo expansief als de productie, doch door het vrije ruilverkeer volgde dan spoedig de aanpassing. De koopkracht was er wel, want de meer-opbrengst wordt in loonen, rente en winst omgezet, die snel tot grooter verbruik leiden. In en na de oorlog was er echter geen sprake vaneen stabiliseerende macht tusschen aanbod van en vraag naar producten. Tijdens de oorlog een totale revolutie en verplaatsing van industrie en landbouw naar andere werelddeelen. Na de oorlog eerst een samenstel van contrasten tusschen leege landen met koopkracht en verarmde landen, die weleer goede afnemers waren. Die tijdelijk sterke vraag met (daardoor?) versnelde rationalisatie leidde tot groote winsten, die verleidden tot vergrooting van het productie-apparaat. Nooit zijn zooveel fabrieken, schepen en woningen gebouwd als in deze dure tijd. Daarna afnemende vraag, tegelijkertijd industrialisatie in het Oosten even sterk als de vroegere uitbreiding van de landbouw in Amerika.” Ik heb enkele zinnen en/of woorden onderstreept, omdat het daarop in mijn betoog aankomt. Het gelijktijdig toepasseh n.l. van rationalisatie in industrie, landbouw en. administratie, dus in het geheele productie-apparaat, de verplaatsing van industrie en landbouw naar andere werelddeelen, de industrialisatie van het Oosten, het welhaast zonder eenige rem bouwen van fabrieken, schepen en woningen of anders uitgedrukt het rücksichtslos vergrooten van het productie-apparaat, dat is het wat men onder structuur-crisis verstaat. Voordat ik er evenwel nader op inga wil ik even opmerken, dat uit het citaat ook heel duidelijk blijkt, dat de zucht naar winst, naar groote winst, oorzaak was van deze Rücksichtslosigkeit. Het kapitalistisch stelsel derhalve in al zijn naaktheid. Waar het in dit verband vooral op aankomt, dat is de verplaatsing van industrie en landbouw en de industrialisatie van het Oosten. De voornaamste schuldige hiervan is de oorlog. Deze immers had tot gevolg, dat een groot landencomplex als Duitschland, Oostenrijk—Hongarije en Bulgarije, om de voornaamsten te noemen, gedurende een reeks van jaren waren uitgesloten van het internationale verkeer, van de ruiling van goederen. Deze landen, die vóór de oorlog voor millioenen guldens aan allerlei landbouwproducten invoerden, voornamelijk uit Noord- en Zuid-Amerika, maar ook uit Azië, werden genoodzaakt zelf deze producten te verbouwen, en/of er ersatzartikelen voor te vinden. Omgekeerd konden de artikelen, die deze landen gewoon waren uitte voeren, niet of zeer sterk gereduceerd worden uitgevoerd en waren de landen, die er op ingesteld waren Duitsche artikelen te betrekken, genoodzaakt deze elders te betrekken of zelf te vervaardigen. Dat een en ander blijvende gevolgen had is duidelijk. Daarnaast de industrialisatie van het Oosten. Deels ook een oorlogsgevolg, direct zoowel als indirect, doch in haar gevolgen van zeer verstrekkende aard niet alleen, maar m.i. ook met veel grooter blijvende gevolgen. Het eerstgenoemd oorlogsverschijnsel zal zich m.i. op de duur herstellen, tenzij dat blijkt, dat inderdaad de landen, die thans landbouwproducten verbouwen, dit ook economisch kunnen doen of indien zij de internationale concurrentie niet kunnen volhouden, weer terugkomen bij hun vroegere leveranciers. De opmerkzame lezer zal hebben gemerkt dat ik hier buiten beschouwing laat de autarkie, d.w.z. het streven van diverse staten om zoo weinig mogelijk te koopen bij andere staten door met allerlei kunst- en vliegwerk verschillende benoodigdheden zelf te maken of te verbouwen en daarnaast zooveel mogelijk aan andere landen te verkoopen. Ik laat dit buiten beschouwing, omdat ik niet geloof, dat de productiekrachten, die internationaal zijn, zich duurzaam of zelfs maar voor lange tijd ineen gevangenis, als de autarkie nu eenmaal is, zullen laten op-

sluiten. En mocht blijken dat hier of daar een oorlogs-industrie werkelijk haar noodzakelijkheid voor dat land bewijst door in vrije concurrèntie te blijven bestaan, dan kan dat slechts heilzaam werken omdat dat rationeel is. Zooals gezegd, iets heel anders is de industrialisatie van het Oosten. Wanneer dit wordt uitgesproken of neergeschreven, wordt inde regel gedacht aan Japan. En inderdaad, dit is wel het land dat het meest in en na de oorlog is geïndustrialiseerd. Maar Japan toch niet alleen. Ook Britsch- en Nederlandsch-Indië zijn zich tijdens en na de oorlog hoe langer hoe meer er op gaan toeleggen om een aantal artikelen, die zij voorheen uit Europa en Armerika invoerden, zelf te vervaardigen. Dat beteekent dat een groote hoeveelheid werk, dat voorheen in Europa, dus ook in ons land en in Amerika werd gemaakt, thans daar wordt verricht. Dus hier minder werk en meer werklooze handen. Dat wil niet zeggen, dat daar meer paren werkgrage handen werden gevraagd, neen, de rationalisatie is ook daar toegepast, dus de arbeiders verplaatsten zich van het eene (oude) bedrijf in het andere (nieuwe). Het beteekent verder minder uitgaande vrachten naar Indië en al wat daar aan vastzit, maar het beteekent nog veel meer. Inde plantages en industrieele ondernemingen (suiker, rubber, tin enz.) in Indië, zitten geweldige kapitalen. Deze kapitalen brengen hun renten op. Die renten werden betaald door Indië met goederen als thee, koffie, rijst, suiker, tin, rubber, enz. enz., kortom de bekende Indische producten en geld. Ook de artikelen die van Europa en Amerika werden ingevoerd, werden met bovengenoemde goederen betaald en voor zoover noodig met geld. Nu Indië een deel der voorheen ingevoerde artikelen zelf maakt, houdt die betaling daarvoor op. Willen Europa en Amerika dezelfde hoeveelheid goederen uit Indië betrekken als voorheen, dan kunnen zij niet meer volstaan met betaling van diensten alleen (voorschieten van geld en levering van gereede waren), maar zullen zij deels moeten betalen in geld. De omgekeerde richting dus. De nadenkende lezer zal zich een voorstelling kunnen maken van de gevolgen én voor Indië én voor Europa. Deze gevolgen culmineeren inde werkloosheid in Amerika en Europa en... Indië. Op deze paradox kom ik nog wel terug. Voorloopig dit over Indië. Nu Japan. Deze jonge kapitalistische staat heeft de les, hem door de oude kapitalistische staten gegeven, goed verstaan. Hij vervaardigt niet alleen zooveel mogelijk alles wat hij zelf noodig heeft, maar voert ook groote hoeveelheden goederen uit. Hij doet zich kennen als een geduchte concurrent en levert diverse artikelen in groote hoeveelheid, vaak tegen prijzen waarvoor men inde oude kapitalistische landen de ruwe grondstoffen nog niet kan koopen. In dit verband wordt gesproken van „het gele gevaar”. Japan kan zoo concurreerend optreden: le. omdat de technische inrichting van zijn bedrijven de vergelijking met die der oude kapitalistische landen kan doorstaan; 2e. omdat hij de kunst verstaat de behoeften der arbeidende bevolking laag, zeer laag te houden; 3e. omdat hij de vrouwen- en kinderexploitatie tot een ongekende hoogte heeft opgevoerd; 4e. omdat hij de loonen op een zoo laag peil houdt, dat elke vergelijking met welk ander kapitalistisch land ook, wegvalt. Japan is bezig zich markten te veroveren in zulk een omvang en in zoo een mate als niemand een 20-tal jaren terug kon hebben vermoed. Ons land ervaart dit in sterke mate, omdat Japan in Ned.-Indië als een niet te bevechten concurrent optreedt. Vooral de textiel-industrie kan daarvan meepraten. Inderdaad is Japan een geduchte concurrent, maar of het nu wel een „gevaar” is zooals sommigen het laten voorkomen, betwijfel ik toch wel. Ook aan de productiemogelijkheid van Japan is een grens. Een grens, die bepaald wordt door het aantal van zijn inwoners eenerzijds en anderzijds door de som van zijn intellect. Japan levert massagoederen. Kwaliteitsgoederen, daarvoor leent hij zich minder, omdat de intellectueele ontwikkeling van het volk zich daartoe niet leent. En is het straks zoover dat die ontwikkeling er wel is, dan is het uit met zijn voorsprong inzake vrouwen- en kinderen-uitbuiting en lage loonen, want het een met het ander verstaat zich niet. En dé massagoederenproductie (het eenvoudige textielproduct leent zich daartoe uitstekend) heeft haar grens in het aantal der bevolking. Het is uitgesloten dat een volk van ongeveer 65 millioen de geheele wereld van massagoederen kan

voorzien. Wordt de vraag naar Japansche artikelen inderdaad zoo groot als sommigen meenen te moeten profeteeren, dan heeft dat prijsstijging ten gevolge (het oude kapitalistisch beginsel van vraag en aanbod) en als de weerslag daarop, stijging der loonen in Japan. Zoo zal uiteindelijk ook hier weer de wal het schip keeren. Dit neemt evenwel niet weg, dat door deze ontwikkelingsgang de structuur van de oude kapitalistische landen sterk gaat veranderen en het in deze landen een tijdelijke, misschien wel een vrij langdurige werkloosheid veroorzaakt. Maar, hoor ik deze en gene lezer zeggen, hoe is het nu met de metaalindustrie en hij denkt daarbij dan aan die ijzeren waterleidingpijpen die Japan aan de gemeenten Ysselmonde en ik meen Delfzijl, heeft geleverd en aan de legendarische rijwielen, die Japan in ons land levert tegen 9 i 10 gulden per stuk. Dat van die pijpen is waar, die heb ik in Ysselmonde zelf gezien; die zijn geleverd. Maar die rijwielen? Ik heb ze hierboven legendarisch genoemd. Ik bedoel daarmee: ik heb meerdere personen gevraagd naar het Japansche rijwiel. Zij hadden het ook gehoord, maar waar ze te zien of te koop waren, heb ik niet kunnen vernemen. Ook inde statistiek van invoer van 1934 komen geen rijwielen uit Japan voor. Wel onderdeelen als pedalen e.d. en dan nog in geringe kwantums. Maar als ze er zijn of als ze komen, als het dan maar niet gaat als met de Amerikaansche rijwielen, die, ik meen in 1903, hier ingevoerd zijn. Die waren te verkrijgen o.a. inde Fransche Bazar in Groningen. Mooi in lak en nikkel. Ze werden verkocht voor 25 a 30 gulden, terwijl een gewoon rijwiel 140 a 180 gulden kostte. Er waren goede bij en als je deze goede voorzag van nieuwe velgen, later van nieuwe naven, nieuwe trapas met cranks en pedalen, daarna nieuwe voorvork met stuur en ten slotte vaneen nieuw frame, dan konden ze een behoorlijke tijd mee. Maar dan wees ook alleen het spatbord het land van herkomst aan. En die andere, nu, die werden aan de hand meegevoerd uit de bazar naar het station en als dan de gelukkige boer of boerin bij huis op een stille weg wilde opstappen om het nieuwe stalen ros te probeeren kon het gebeuren dat hij of zij er doorzakte en inplaats van een rijwiel een hoop staal en rubber op de weg lag. Volledigheidshalve wil ik hieraan toevoegen, dat volgens ons eigen documentatie-bureau in 1933 881 Japansche rijwielen zijn ingevoerd. Heelemaal legendarisch zijn ze dus niet. Is evenwel het feit, dat in 1934 er geen zijn ingevoerd een aanwijzing dat die perzik niet naar meer smaakt? Ik vrees in ieder geval voorshands de concurrentie van dat Japansche rijwiel niet. Ik wil toegeven, dat de toekomst uit het voorgaande niet erg rooskleurig lijkt, maar ik ben over dit onderwerp nog niet uitgepraat, dus hierover nog ineen volgend nummer. De R.D.M. en de Nw. Waterweg in 1933. (Vs.) Mede in verband met het feit, dat de directie van de R.D.M, en de Scheepsbouw Mij. Nw. Waterweg zich een verdere „bezuiniging” op de loonen ten doel stelt, hebben wij voor onze Schiedamsche leden het jaarverslag dezer ondernemingen behandeld. Wij hebben dit vooral gedaan, omdat wij meenden aan de hand van de cijfers onze leden te kunnen duidelijk maken, dat waarschijnlijk geen enkele onderneming een zoo gunstige positie inneemt als de R.D.M. en de N.W. Een directie van zulk een onderneming behoeft, als zij het goed met haar arbeiders meent, zeker niet naar verdere „bezuinigingen” op loonen en arbeidsvoorwaarden te streven. De aanwezige leden hebben onze uiteenzetting met groote belangstelling gevolgd en zij konden dit te gemakkelijker doen omdat aan hen een afschrift van verlies- en winstrekening en balans bij de aanvang der vergadering was uitgereikt. Aangezien niet alle werklieden van R.D.M. en N. W. op die vergadering tegenwoordig konden zijn en omdat de positie van meermalen genoemde ondernemingen voor alle metaalbewerkers van beteekenis is, willen wij ook in onze krant eenige regelen aan de financieele positie der R.D.M. wijden. Bezien wij dan allereerst de verlies- en winstrekening. Deze vertelt ons, dat in 1933, trots crisis en devaluatie in vele landen, nog een winst is gemaakt van niet minder dan ƒ 455.498.71, terwijl in 1932 slechts ƒ 165.908.29 was overgebleven. Nu weten wij wel, dat de R.D.M. gewoon is wat meer over te houden. Er zijn jaren geweest waarin 3,4 of 5 millioen werd verdiend.

Maar gelet op alle omstandigheden durven wij een winst van bijna een half millioen., schitterend noemen. Van de genoemde winst is een bedrag van bijna 263.000 gulden bestemd voor afschrijvingen en 192.500 gulden zijn bestemd voor uitdeeling aan de aandeelhouders die een dividend kregen van 3£ pCt. Over 1932 ontvingen deze heeren 2£ pCt. Voor hen is er dus wel eenige\ aanleiding te verwachten dat zij door het diepste punt heen zijn. Konden wij dat ook maar van de werklieden zeggen! De balans geeft als altijd zeer interessant cijfermateriaal. Zij laat ons allereerst zien, dat de onderneming aan effecten en aan kasmiddelen een bedrag van ƒ2.765.690.41 bezit. Dit bedrag kan de directie bij wijze van spreken binnen enkele uren in waardevolle Hollandsche guldens op tafel leggen. Er zijn ondernemingen die het met minder moeten doen. Vervolgens vertelt zij ons, dat de R.D.M. deelneemt met een bedrag van ƒ 2.125.466.67 in andere ondernemingen, ƒ 1.999.466.67 is besteed om de Nw. Waterweg in bezit te krijgen en ƒ 126.000 zijn gestoken in het door de H.A.L. gevormde syndicaat. Een groot gedeelte van dit bedrag is evenwel reeds afgeschreven, t.w. ƒ 1.025.466.67, waardoor deze deelnemingen nog voor ƒ 1.100.00 Q op de balans voorkomen. Voor de bouw van de Heyplaat, voor aankoop en inrichting van terreinen, voor gebouwen en vaste gereedschappen en voor de Prins Hendrik Dokken 1,2 en 3 heeft de R.D.M. in ronde cijfers reeds 183, millioen gulden betaald. Doch al deze bezittingen komen voor slechts ƒ 849.604.32 op de balans voor. De rest is afgeschreven en betaald uit de groote winsten die in vorige jaren zijn gemaakt. Het nieuwe Prins Hendrik Dok, dat in het vorige jaar gereed is gekomen, heeft ƒ 1.462.004.55 gekost. Uit de publicatie van deze cijfers kan men leeren, dat de boekhouding der onderneming heel goed in orde is. Als men ons vraagt wat b.v. de zolen , hebben gekost die het laatst op onze schoenen zijn gelegd, dan moeten wij antwoorden dat het minder was dan een riksje en meer dan twee kwartjes, maarde directie van de R.D.M. vertelt u tot op de cent nauwkeurig wat aan de bouw van het groote dok is besteed. Inmiddels is reeds weer ruim ƒ 62.000 afgeschreven, zoodat dit dok nog voor ƒ 1.400.000 op de balans voorkomt. De vaar- en voertuigen inclusief de laatstgebouwde Dockyards komen voor ƒ 150.001 op de balans voor, terwijl zij toch ook nog pl.m. 7i ton hebben gekost, zoodat ook deze van de blozende wangen der R.D.M. (de lezer vergeve ons deze beeldspraak) getuigen. Uit bovenstaande cijfers heeft men kunnen vaststellen hoe laag de vele kostbare bezittingen van de R.D.M. inde balans zijn opgenomen. Maar niettemin beschikt de maatschappij nog overeen statutaire en buitengewone reserve van niet minder dan ƒ 927.500. Met dit bedrag zou de directie alle bezittingen behalve dan het nieuwe dok bijna kunnen af schrijven. Ook deze bedragen doen ons weer zien, hoe schitterend de positie van deze ' groote onderneming wel is. Volgt hier nu uit, dat wij deze cijfers, die alle gewagen van de kracht van de R.D.M., min of meer met leede oogen moeten beschouwen? Dit is allerminst het geval. Financieel krachtige ondernemingen zijn vooral in deze tijd in het belang van de arbeiders. Hierdoor wordt het aan de directies mogelijk gemaakt de concurrentie op de wereldmarkt vol te houden. Dientengevolge kunnen wij ons zelfs verheugen over de goede plaats die de R.D.M. inneemt. Wij gelooven echter, dat de directie deze cijfers ook nog eens moet bezien. Deze kapitalen zijn toch mede verdiend door de arbeiders, die in betere dagen in dienst der onderneming werkzaam waren. Laten wij er bij zeggen, mede dank zij de bekwaamheden van de leiding van het bedrijf. Honderden van deze menschen zijn evenwel nog in dienst der onderneming. En het zou meer dan onmenschelijk zijn als in deze ongetwijfeld donkere, doch zeker niet hopelooze tijden zwaardere lasten op de schouders der arbeiders werden gelegd dan de omstandigheden noodzakelijk maken. Als wij met het schrijven van dit artikel en met de inleiding voor de afdeeling Schiedam hebben bereikt dat én de directie én de arbeiders de cijfers nauwkeurig bezien en bestudeeren en daaruit de juiste conclusie trekken, dan zijn wij meer dan tevreden. Ons maatschappelijk systeem is er één van verkwisting op groote schaal. Om de verbruikers verdringen zich talrijke handelaren, winkeliers, enz., terwijl in elke branche slechts één noodig is. Dit maakt ’t levensonderhoud noodeloos duur. Daarom: wordt lid en verbruiker van de coöperatie.

Sluiten