Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bondgenooten I Neemt allen deel aan de groote demonstraties, die onder de leuze; TÓór democratie en socialisme op 16 September a.s. in Amsterdam, Rotterdam, Groningen en Arnhem zullen worden gehouden!

Averechtsche methoden. (C.0.) Van één van onze afdeelingen ontvingen wijde vraag of onzerzijds aandacht geschonken was aan een uitlating in het orgaan van de Ned. Vereeniging van Fabrieksarbeiders van 4 Aug. j.l. Daarin wordt o.a. gezegd, schrijvende over de verdeeldheid in organisatie van het personeel van de Kunstzijde-industrie te Breda: „Het moet diep beschamend worden genoemd dat de metaalbewerkersbonden zoo weinig vaneen sterke eenheid op bedrijf s-organisatorisch gebied blijken te zijn doordrongen, dat zij zich ervan onthouden dwingende voorschriften aan hun leden uitte vaardigen, zich naar de fabrieksarbeidersbonden te laten overschrijven. Ook de moderne metaalbewerkersbond bezit niet de breedheid van opvatting, zich in deze naar scheidsrechterlijke uitspraken te voegen. In dit opzicht mag worden geconstateerd, dat groepsegoïsme ook uit onze rijen nog niet is verdwenen.” Deze uitlating van de zijde van de fabrieksarbeidersorganisatie heeft ons verwonderd. Eenerzijds omdat ze op een misverstand moet berusten gezien de bespreking die nog pas kortgeleden juist over deze aangelegenheid met het bestuur van deze bond onder leiding van het N.V.V. heeft plaats gehad, anderzijds heeft deze uitlating ons echter tevens ook getroffen, omdat al was die bespreking er niet geweest, wij voor onszelf overtuigd zijn in dat soort grensgeschillen steeds van onze goede wil blijk te hebben gegeven en er voor de fabrieksarbeiders, wetende met welke moeilijkheden wij te maken hebben, geen reden behoeft te zijn op deze wijze in hun krant tegen ons op te treden. Wij willen nu inde eerste plaats hier mededeeling doen van de bespreking onder leiding van het N.V.V., waar de „eisch” door de fabrieksarbeiders gesteld, dat wij onze leden zouden overschrijven naar hun organisatie, werd behandeld. De vergadering had plaats op 11 Juli, dus kort vóór dit krantenartikel van De Jong. Daar zijn wij uiteengegaan met de afspraak, dat onze Bond zich reëel zou houden aan zijn standpunt, reeds jarenlang ingenomen en medewerking zou verleenen aan de fabrieksarbeiders om onze leden te Brede, waar het in hoofdzaak overging, te doen overgaan naai; hun organisatie. Deze mededeeling hadden wij reeds eerder schriftelijk gedaan, doch de fabrieksarbeiders eischten dat wij die leden zouden o verschrijven, ook tegen hun wil, of zonder meer afvoeren. Deze eisch hebben wij afgewezen, eerstens omdat wij daartoe statuair niet de bevoegdheid hebben en vervolgens omdat deze menschen dan voor de moderne beweging verloren zouden zijn omdat zij weigeren naar de fabrieksarbeidersorganisatie over te gaan. Door de op deze vergadering aanwezige leden van het bestuur van het N.V.V. werd dit standpunt van onze Bond onderschreven en het drijven en forceeren als door de Fabrieksarbeidersbond geëischt, vierkant afgewezen. Wat aangaat de scheidsrechterlijke uitspraak waarmede wij in strijd zouden handelen, zooals oorspronkelijk de zaak bij het N.V.V. was gesteld, daarvan kan geen sprake zijn omdat die uitspraak niet onze Bond of een geschil tusschen ons en de Fabrieksarbeidersbond betrof, doch uitsluitend dat van deze laatste bond met de Textièlarbeidersbond en geen enkele beslissing omtrent onze leden bevat. Inde bespreking onder leiding van het N.V.V. zijn wij ook daaromtrent zoo goed als geheel in het gelijk gesteld, doch is ten slotte nog in petto gehouden, dat het geheele Verbondsbestuur daarover gehoord zou worden. Wij zouden over het verwijt dat de Jong tot ons richt, n.l. dat het ons mangelt aan breedheid van opvatting, dit willen opmerken. Ons bestuur heeft reeds jarenlang vóór en ook nadat uitspraken van het N.V.V. in die richting waren gevallen, voor deze eenheid van organisatie inde indu-

strie gewerkt en gepropageerd. Dit deden wij niet om daardoor leden te winnen. Wij mogen zonder tegenspraak te vreezen zeggen, dat wij daardoor honderden leden hebben weggedreven van onze Bond naar andere bonden en in hoofdzaak heeft de fabrieksarbeidersorganisatie daarvan haar deel gehad. Aan breedheid van opvatting heeft het ons bestuur daarbij niet ontbroken. Dat het ons niet altijd gelukt is voor 100 pet. het bestuur van de fabrieksarbeidersorganisatie te bevredigen, dat geven wij toe. Er is nog altijd een aantal leden, dat het groote belang van deze eenheid van organisatie niet ziet zooals wij en daaronder zijn er ook die ongetwijfeld belangrijke bezwaren hebben tegen het overgaan naar een andere bond. Dat wij hierbij, met al de moeilijkheden die er aan vast zitten, voor ons en ongetwijfeld ook voor de fabrieksarbeiders, steeds kunnen roemen op de breedheid van opvatting van die kant, dat is nu ook niet het geval. Het gaat ten slotte tusschen ons en de fabrieksarbeiders niet om een of andere principieele uitspraak, doch uitsluitend over enkele tientallen leden, die bij ons niet weg willen. Omgekeerd zijn er ook leden in hun organisatie die krachtens dit standpunt naar onze Bond zouden moeten overgaan, doch die dezelfde bezwaren maken als onze leden. Wij denken er echter niet aan daarover moeilijkheden te maken of verwijten te richten en achten de methode van felle en dwingende actie tegen ons en krantenartikelen als het hier aangehaalde, eerder remmend dan bevorderlijk aan het van beide zijde nagestreefde doel. Problemen. vin. NOGMAALS VERSOBERING. (J. W.) De voorstanders van versobering, de propagandisten daarvoor goed verstaan, dat zijn zij die voor anderen versobering willen zien toegepast, dus niet voor zichzelf, beweren dat de maatschappij waarin wij leven, door en door ziek is, mede omdat, door sommigen wordt het zelfs als de oorzaak aangewezen, wij gedurende een reeks van jaren vèr boven onze stand hebben geleefd. Wij hebben veel meer uitgegeven, veel meer verteerd dan er in feite wérd opgebracht en ondanks de naar het uiterlijk steeds grooter wordende welvaart, werden we met de dag armer. lets wat zich op de duur moest wreken en zich nu wreekt in de crisis die in 1929 is ingezet. Daarom moeten wij ons nu een soberder levenswijze eigen maken en weer gaan leven overeenkomstig de rijkdom of wil men armoede, die de gezamenlijke opbrengst van Moeder Aarde toelaat. Nu verzoek ik de lezer wel, bovenstaande niet op de keper te gaan beschouwen, want dan komen een massa vragen op, vragen waarvan de menschen bovenbedoeld zich af maken met: „Ja, ziet U eens, de vragen van U brengen ons zóó diep in allerlei zeer ingewikkelde kwesties en beroeren zóó erg het maatschappelijk raderenstelsel, dat het onbegonnen werk zou zijn ze te beantwoorden. Dat laat de ruimte, de tijd niet toe en ze zouden bovendien van de hoofdzaak de aandacht afleiden.” Nu mag de lezer denken dat dit is „een Jantje van Leiden” en wil ik hem daarin ook wel gelijk geven, als hij het maar niet hardop zegt. Wij moeten bij het bekijken van het maatschappelijk probleem steeds en altijd weer voor oogen houden, dat werk de eerste voorwaarde is voor elk peil van welstand. Het „wie niet werkt zal niet eten” kan-m.i. zóó worden verstaan, moet in het verband waarin ik het hier gebruik, zóó worden verstaan, dat wanneer er inde wereld niet gewerkt wordt, er ook niet gegeten zal worden. Want m.i. is de diepere zin van dit gezegde: er ontstaat in de wereld niets, er groeit niets of er moet aan of voor gewerkt worden. Dit is „een waarheid als een koe”. linderdaad, maar één van de groote euvels waaraan de hedendaagsche menschheid lijdt, is, dat ze te veel waarheden als koeien uit het oog

verliest, negeert of met voeten treedt. Wanneer ik dus de conclusie trek, dat een meerdere of mindere mate van welvaart afhankelijk is van de vraag hoeveel menschen er werken, is dit ook een waarheid als een koe. Waarmee ik maar wil zeggen, dat de grootst mogelijke welvaart alleen dan kan worden bereikt, indien alle daarvoor beschikbare krachten inde een of andere vorm meêwerken in het maatschappelijk productieproces. En, wil ik er aan toevoegen, de welvaart wordt verhoogd naarmate de menschelijke arbeidskracht wordt overgenomen door mechanische arbeidskracht en voor de op deze wijze uitgespaarde werkkrachten nieuwe arbeid wordt gevonden. Men voelt, dat dit niet is wat de versoberaars willen. Immers, door de door mij bedoelde arbeid ontstaan producten en deze producten hebben dan alleen waarde, werkelijk waarde, indien ze in aanwezige behoefte of in te scheppen behoefte voorzien. Deze producten, producten dus die in een behoefte voorzien, vormen met de beschikbare en in het gebruik zijnde productiemiddelen, dit laatste inde meest ruimste zin genomen, de maatschappelijke rijkdom. In deze zin vormt de werkende arbeider ook een factor inde maatschappelijke rijkdom. Waaruit de conclusie volgt, dat éen werklooze arbeider een factor vormt inde maatschappelijke armoede. En zoo is het. Werkloosheid beteekent armoede. Dus hoe grooter aantal werkloozen, hoe grooter armoede en dit niet alleen voor de betrokken werklooze arbeiders, maar ook voor de maatschappij. Dit geldt ook voor de productiemiddelen, voor de fabrieksgebouwen, voor de machines, voor de gereedschappen, voor de vervoermiddelen inde ruimste zin, voor zoover zij niet gebruikt worden. Ik bedoel dit: een fabrieksgebouw, volledig ingericht voor het vervaardigen van bijvoorbeeld machines, heeft aan inrichting 10 millioen gulden gekost. Dit wordt stil gezet. Er wordt niets meer in geproduceerd. Dan beteekent dat, inde zin zooals ik het hier bedoel en op dat moment, een vermindering van de maatschappelijke rijkdom met eveneens 10 millioen gulden. Waarmee ik maar wil zeggen, dat de versoberaars inplaats van de maatschappelijke rijkdom te vergrooten, zullen bereiken, dat de maatschappelijke rijkdom steeds geringer wordt. Immers, door hun streven wordt de werkloosheid grooter, komen steeds meer productiemiddelen stil te liggen. Maar wat is er waar van de bewering dat wij boven onze welstand hebben geleefd, dat wil dus zeggen, per jaar meer hebben verbruikt dan geproduceerd, schuld gemaakt op de toekomst? Uit mijn artikel in ons vakblad van 14 Juli 1934, Problemen 11, is de lezer kunnen blijken, dat sedert 1910 de productiviteit per arbeider inde scheepsbouw met 200 pet. is gestegen. Deze stijging is in andere industrieën even groot of nog grooter, uitgezonderd misschien in de bouwbedrijven. Het productie-apparaat is dus geweldig toegenomen en dienovereenkomstig de rijkdom en wel voornamelijk in die jaren dat de producten ook verbruikt konden worden. Want dit mogen we ons wel steeds voor oogen houden, producten die niet gebruikt worden, ongeacht hoeveel ze ook hebben gekost, hebben geen waarde, geen waarde althans in het verband zooals ik hier de zaak bekijk. En wanneer nu waar is dat het productie-apparaat te groot is géworden, d.w.z. dat er meer producten worden vervaardigd dan er ge- en verbruikt kunnen worden, dan moet dat productie-apparaat worden ingekrompen tot de juiste omvang. Dit kan m.i. gebeuren door inkrimping van de wekelijksche werktijd, door dus het apparaat een aantal uren per week minder te laten werken. Het kan, althans theoretisch, ook door het invoeren vaneen lange vacantie per jaar, het kan ook door de periode van tewerkstelling der arbeiders te beperken, bijvoorbeeld door te bepalen dat door niemand beneden de 18 jaar en boven de 60 jaar mag worden gewerkt. Dit zijn alle theoretische mogelijkheden, mogelijkheden evenwel die naar mijn gevoel eerst dan met succes kunnen worden

ingevoerd of toegepast, indien inde normale behoeften van de menschheid is voorzien. En daaraan ontbrak nog wel het een en ander, zelfs inde meest gunstige jaren. Het reeds meer aangehaald praeadvies van de heer Zaalberg zegt hieromtrent het volgende; „We hebben (dan ook) altijd de schouders opgehaald bij het hooren der bewering; dat we na de oorlog in schijnwelvaart hebben geleefd en dat het peil van 1900—1914 weer hersteld moet worden om evenwicht te hebben tusschen productie en verbruik. Is die arbeidsbesparing verkregen ten koste vaneen permanente toeneming der werkloosheid? Voor de alle vroegere crisissen overtreffende evenwichtsverstoring, die de groote oorlog gebracht heeft en die nog in volle hevigheid voortduurt, werd iedere arbeidsbesparing spoedig opgevangen door toeneming van het verbruik. Dat de menschheid nu reeds verzadigd is, zal wel niemand kunnen beweren. In het rijkste deel der oude wereld leeft de groote massa nog vèr beneden haar behoeften en grootere volkeren en rassen staan nog maar aan het begin van hun ontwikkeling tot verbruiker, zelfs van dat wat zij zelve kunnen voortbrengen.” En verder: „Er zijn economen en hun aantal groeit die als vaststaand aannemen, dat het productie-apparaat van West-Europa zóó snel in kracht is gegroeid, dat het aan afnemers is komen te ontbreken. In achterlijke deelen der wereld, bijv. Afrika, Britsch- en Ned.-Indië, is de productiviteit eveneens snel gestegen (suiker, rubber, olie), maarde weinig ontwikkelde bevolking heeft haar verbruik niet in dezelfde verhouding kunnen vermeerderen.” „Te midden van het oneindig aantal krachten”, gaat de heer Zaalberg voort, „die in het wereldverkeer werkzaam zijn, Is die gruwelijk ongelijke verdeeling, zoowel tusschen blank en blank als tusschen blank en bruin van de toenemende industrieele en agrarische productie, een verschijnsel, dat ernstig de aandacht verdient. Ook hierin is beweging inde goede richting, doch gaat het snel genoeg in verhouding tot de productieverhooging.” En hij komt tot de volgende voorwaardelijke conclusie: „Indien juist is, dat de tegenwoordige algemeene werkloosheid verband houdt met de verhoogde productiviteit van de menschelijke arbeid, dan moet het tekort aan verbruikers inde eerste plaats worden geweten aan de omstandigheid, dat het grootste deel der menschheid op een laag peil van behoeften is blijten staan in het tijdperk, dat de productiemogelijkheid snel toegenomen is”.

of met andere woorden, de heer Zaalberg komt tot deze gedachtengang en ik zou in deze tot dezelfde conclusie willen komen: wij zijn er in geslaagd het productieapparaat tot een ongekende hoogte op te voeren, maar in gebreke gebleven het consumptie-apparaat tot een evenredige hoogte op te brengen. Dit is dus het tegenovergestelde van wat de versoberaars voorstaan, maar klopt m.i. meer op de juiste verhoudingen, mits wij van de redeneering uitgaan, dat zoowel de niet-bezittende als de bezittende klasse recht heeft op een zoo groot mogelijke voorziening in haar normale behoeften, behoeften gebaseerd op hetgeen ontwikkeling en techniek mogelijk maken. De arbeidersklasse heeft daarop recht, op niet meer, maar ook op niet minder. Met onze strijd tegen versobering als in deze artikelen bedoeld, dienen wij het belang niet alleen van de arbeidersklasse, maar misschien nog meer die van de vooruitgang en beschaving. Ineen volgend artikel ga ik een andere kant van onze strijd bekijken.

Sluiten