Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42ste JAARGANG No. 9 ZATERDAG 2 MAART 1935 OPLAAG 42.750

OPLAAG 42.750

BpaßiM F8 1 g 11 WEEKBLAD VAN DE -JL- jf |ALCENENE_NETCRLANPSE NETAALBEWERKERSBONP | 1 . «onnememt, H REDACTEUR: G. VAN DER HOUVET^^^ VoZ.00KUi^etailin9jPer ’^ar J f 1-50 Si HEMOM/LAAM 24 7 B Gewone advertenties per regel f 0.30 I 7°or buitenland verhoogd met porto M Scri «='A!?KrN»X- H Afdelingsadvertenties „ „0.20 ■

Ordening. „Reeds sedert enkele tientallen jaren openbaart zich, onder invloed van moderne productie- en distributiemethoden, in verschillende bedrijfstakken een toenemend streven om door samenwerking op economisch gebied, zekere doeleinden te verwezenlijken, die langs de weg van individueel handelen niet of onvoldoende bereikbaar zijn.” Aldus de aanvang van de „memorie van toelichting” van den minister van economische zaken op het wetsontwerp nopens „de verbindende kracht Van ondernemersovereenkomsten”. Ér is heel veel gerucht rondom dit wetsontwerp, hetwelk na langdurige voorbe-, reiding het ontwerp werd bij Koninklijke Boodschap van 23 Juni 1934 ingediend dezer dagen in behandeling zal komen inde Tweede Kamer. Artikel 2, dat voornamelijk het doel van de wet aangeeft, zegt: „Onze minister kan, onder voorwaarden telkens bij algemene maatregel van bestuur te stellen, bedingen en besluiten, welke verplichtingen inhouden, wijzigen of doen teniet gaan tussen personen, die een bedrijf uitoefenen in enige tak van handel of nijverheid inde ruimste zin, of daarbij betrokken zijn, algemeen verbindend verklaren, indien deze bedingen of besluiten voor de economische verhoudingen inde betreffende bedrijfstak overwegende betekenis hebben en het algemeen belang verbindendverklaring eist.” Het ligt minder in onze bedoeling dit wetsontwerp te behandelen, dan wel aandacht te schenken aan enige uitlatingen van schrijvers die er het gevolg van zijn. Uiteraard zitten aan het wetsontwerp vele haken en ogen vast, al was het alleen maar omdat de wet zelf geen enkele uitvoeringsmaatregel omschrijft. Wordt zij aangenomen, dan wordt alles nog nader bij algemene maatregel van bestuur geregeld. De uitvoering is dan in handen van den minister, die naar bevind van zaken kan handelen. Laat ons vooral niet denken dat de minister voor eigen genoegen zo heel veel aan de algemene maatregel van bestuur wil overlaten. Hij haalt er min of meer een olifant mee op zolder. De zaak is eenvoudig deze, dat een dergelijke ingewikkelde materie niet geheel uitgewerkt inde wet kan worden vastgelegd. En zeker kan dat niet ineen tijd van zoeken en tasten naar nieuwe wegen zoals wij nu beleven. In ’t algemeen kunnen wij zeggen, dat een zodanige wet, waarbij sanctie wordt verleend aan tussen personen of groepen aangegane overeenkomsten, niet nodig zou zijn indien allen die tot de bedrijfsgroep behoren, zich daaraan vrijwillig zouden onderwerpen. Om de kwaden, de onwilligen, daar gaat het juist om. Dat geldt zowat elk terrein van regeling en (of) afspraak. Ten overvloede moeten wij er op wijzen, dat de wet, komt zij tot stand, den minister ook de bevoegdheid zal verlenen onredelijke afspraken onverbindend te verklaren. Mr. J. Bierens de Haan heeft in „Economisch-Statistische Berichten” van 20 Fe-

bruari j.l. een artikel geschreven over: Grenzen van „Ordening”. Het is klaarblijkelijk zó, dat de schrijver tot z’n artikel geïnspireerd is juist doordat gerucht rondom het hierboven bedoelde wetsontwerp. Over de ordening in het economisch leven schrijft hij: „Zo is thans het vraagstuk der ordening als algemene, bindende regeling overal actueel; zelfs bij ons, door de geografische positie van ons land, uiteraard individualistisch volk. Er zijn, als bij ieder vraagstuk, ook thans volstrekte tegenstanders en volstrekte voorstanders vaneen dergelijke ordening, die, als bij ■ieder vraagstuk, ook thans beiden ongelijk moeten hebben: de dingen in het leven en in het bijzonder in het maatschappelijk leven, zijn nooit zo volstrekt dat zij niet altijd hun kanten van goed én kwaad, van voor én tegen hebben. De volstrekte voorstanders hebben in zoverre ongelijk, dat, ondanks alle binding, de elementen van individuele vrijheid, van concurrentie, van natuurlijke aanpassing aan zich wijzigende verhoudingen, in het maatschappelijk en economisch leven toch steeds een zo belangrijke plaats innemen, dat iedere regeling gebonden is aan grenzen, die niet dan met grote nadelen kunnen overschreden worden. En de volstrekte tegenstanders vaneen dergelijke ordening hebben in zoverre ongelijk, dat er van onbeperkte individuele vrijheid en concurrentie, vaneen automatisch evenwichtsherstel geen sprake meer kan zijn omdat er reeds lang op alle gebieden geordend en geregeld is: door ondernemers, door arbeidersorganisaties, door staten. De werkingssfeer der individuele vrijheid is reeds aanzienlijk beperkt; grote delen van het economisch leven zijn aan bewuste regeling onderworpen.” De schrijver werkt dit dan verder uit en zegt dat het hier niet gaat over het probleem van vrijheid of gebondenheid, maar om de concrete vraag of in deze huidige historische situatie van gedeeltelijke regeling en gedeeltelijke vrijheid, de regeling in het economisch leven moet worden overgelaten aan belanghebbenden. En hij zegt verder: „De stelling van hen, die, iedere „ordening” afwijzend, menen dat het economisch leven niet geregeld kan worden, dat hier slechts plaats is voor „het vrije spel der krachten”, voor individuele vrijheid en „natuurlijke” ontwikkeling, is, in haar algemeenheid, onjuist. Het economisch leven is juist het meest geregelde deel van het maatschappelijk leven; de onderneming en vooral de grote onderneming, is een kunststuk van regeling; de thans meer dan ooit noodzakelijke rationalisering is: logisch doordachte regeling.” Wij citeren dat alles omdat hier iemand aan het woord is die stellig onder de mokerslagen van deze tijd de oude liberale theorie heeft af gezworen en zich nu beijvert om anderen, die halsstarrig aan het oude willen vasthouden, van hun ongelijk te overtuigen. Wij leren eruit, dat de ordeningsgedachte baanbreekt, dat men gaat inzien dat de oude versleten theorieën af-

gedaan hebben. Mensen als deze heer Bierens de Haan zijn geen voorstanders van „ordening” geworden om daarmede doelbewust de weg van vermaatschappelijking van de productie op te gaan. Zij blijven zweren bij den particulieren ondernemer, zij moeten niets hebben van structurele veranderingen. Alles moet zoveel mogelijk bij het oude blijven: privaat-bezit, privaatgewin ook. Het zijnde omstandigheden die hen als pionnen op het schaakbord voortschuiven, Bij de huidige toestand is er voor den particulieren ondernemer geen of onvoldoende winst te maken. Welnu, als dat met ordening wèl mogelijk is, dan kan men deze niet straffeloos afwijzen. Alles wordt nog maar beheerst door eigenbelang. Zij, die kans zien het zonder ordening te bolwerken, of menen er zelfs persoonlijk baat bij te vinden indien de ongebonden vrijheid wordt gehandhaafd, zullen felle tegenstanders blijven. Bij het onderhavige wetsontwerp gaat het nu vooral ook om de prijszetting der producten waartoe het ontwerp de lijkheid opent. De Maatschappij voor Nijverheid en Handel heeft dezer dagen uitgesproken dat de grote meerderheid van haar bestuur van oordeel is dat het wetsontwerp in zijn algemene strekking door de ontwikkeling der economische verhoudingen geboden is en dus het algemeen belang zal dienen. Maar vaststelling van minimumprijzen bij de verkoop heeft men radicaal afgewezen. Daarvan vreest men als gevolg, dat onproductieve bedrijven, zij die door slechte leiding, door verouderde productiewijze of anderszins, niet mee kunnen komen, kunstmatig in stand zullen worden gehouden. Hierover is het laatste woord nog niet gesproken. Bij bedrijven die uitsluitend voor de binnenlandse markt werken, is het zeker ook niét denkbeeldig dat prijsafspraken tot nadeel van den consument strekken. Maar hier komen wij op een terrein waaromtrent wij ons voorlopig maar liever niet concreet uitspreken. Bij de behandeling inde Tweede Kamer zal dit onderdeel stellig ruimschoots worden besproken.

Moraal inde strijd. In het N.A.S. hebben ze niet minder last van het communistische gewroet dan wij in onze gelederen. Daardoor is men in N. -kringen heel dikwijls genoodzaakt oppositionele elementen buiten de deur te zetten. Zo nog onlangs in Utrecht, waar men een man of drie bij de kraag pakte en buiten de deur zette. Zelfs „De Fakkel”, het orgaan van de O. bemoeide zich met het geval en nam het natuurlijk voor het N.A.S. op Want het N.A.S., dat is de toekomstige vakbeweging van het politieke allergaartje dat door de fusie van de R.S.P. en de O.S.P. staat geboren te worden. Maarde 0.5.P.-er Huisman uit Almelo voelt zich maar heel weinig gesticht met de inmenging van zijn „Fakkel” in die Utrechtse royementskwestie. Hij neemt het voor de communisten op en voor het vrije woord. Wij, aldus zijn redenering, worden, indien wij doen wat onze O.S.P. van ons verlangt, uit de N.V.V.-organisaties geroyeerd. Daar protesteren wij dan tegen en zetten een keel op vanjewelste. Welnu,

OFFICIËLE MEDEDELINGEN Over de week van 4 tot en met 9 Maart 1935 wordt het contributiezegel op de 10e week in het bondsboekje geplakt. * * * De commissie van controle, bedoeld bij artikel 25 der statuten, verklaart in haar zitting van 23 Februari 1935 kennis gekomen te hebben van de verklaring van den accountant, behelzende de mededeling dat de administratieve controle van de boeken van de Bond, diens instellingen en fondsen, over het tijdvak 1 Januari—3l December 1934 volledig heeft plaats gehad en dat zij zich na eigen onderzoek en toelichting van den bondspenningmeester verenigen kan met het gevoerde financiële beheer. C. J. CORNELISSE. G. VISSER. J. v. GERREVINK. Amsterdam, 23 Februari 1935. als de communisten in het N.A.S. precies handelen als wij in het N.V.V. en deswege worden geroyeerd, dan moet de redactie van „De Fakkel” niet de geroyeerden inde rug aanvallen. En hij eindigt z’n ingezonden stuk in „De Fakkel” van 26 Februari aldus: „Vrijheid voor de 0.5.P.-ers in het N.V.V., maar ook vrijheid voor de leden van de C.P.H. in het N.A.S. Wij zelf vragen vrijheid voor onze ideën, laten wij het ook vragen voor anderen.” De redactie van „De Fakkel” doet ten minste alsof zij met het geval helemaal niet verlegen zit. Zij antwoordt inde geest van: „kijk nou eens hier, beste Huisman, wij zijn niet tegen alle royementen. Wij eisen van geen enkele organisatie dat zij leden toelaat die de vooropgezette bedoeling hebben de organisatie kapot te maken. Dat laten wij in onze eigen partij ook niet toe. En kijk nou eens, je moet niet de communisten, die in het N.A.S.. oppositie voeren, verwarren met 0.5.P.-ers, die in het N.V.V. hetzelfde doen. Want zie je: communisten zijn afbrekers, maar wij zijn bouwers. De communisten zeggen wel dat zij in het N.A.S. gaan om die beweging te steunen, maar dat liegen zij. Eigenlijk, beste Huisman, moet je ’t zó opvatten: Als de communisten in het N.A.S. optreden, dan moet het bestuur uitmaken of die lui gekomen zijn om af te breken. Maar als onze 0.5.P.-ers optreden in het N.V.V., dan zijn wij het die de maatstaf aanleggen en niet de besturen. Zie je, Huisman, zó is ’t heel duidelijk gesteld. Jij meet de communisten met dezelfde maatstaf als je’t jezelf doet en dat is fout. Wij, 0.5.P.-ers, gaan in het N.V.V. vanwege de revolutionnaire klassenstrijd, weet je! Maar als de communisten zeggen, dat zij met hetzelfde oogmerk in het N.A.S. gaan, dan liegen zij dat. Natuurlijk, wij moeten in het N.V.V. het vrije woord hebben, maar dat wil niet zeggen dat ook de communisten het vrije woord moeten krijgen in het N.A.S. Jij begrijpt dat nog niet zo, Huisman. Dat komt door je onkunde omtrent de enige, echte, driedubbel geconfijte en zesmaal overgehaalde revolutionnaire klassenstrijd en daarom; op voor het socialisme nu en wég met de communisten uit het N.A.S.!”

Sluiten