Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Japanse welvaart. In „The Economist” van 16 Februari J.l. wordt de juistheid onderzocht van de bewering, dat het economisch herstel in Japan volkomen is bereikt. In December 1931 is het verbod van gouduitvoer hersteld, waardoor onmiddellijk de wisselkoersen snel daalden en de uitvoer steeg; sedert het begin van 1934 zijnde wisselkoersen weer betrekkelijk stabiel gebleven en zijn de gevolgen van de gedeprecieerde valuta minder merkbaar geworden. De prijzen zijn in zekere mate met de nieuwe toestand in overeenstemming gekomen. De hoeveelheid goederen, betrokken van het buitenland, is verminderd. De Japanse goederenuitvoer is evenwel snel gestegen. De netto-betalingen aan het buitenland zijn lager dan vóór het verbod van gouduitvoer Japan voert meer eindproducten en bereide voedingsmiddelen uit en meer grondstoffen en halffabrikaten in. Behalve de zijde-industrie, zijn thans alle exportindustrieën winstgevend. In hun voorspoed deelt de zware binnenlandse industrie. De „Oriëntai Economist” deelt mede, dat de netto-winst inde eerste zes maanden van 1934 63 % bedraagt voor de glasindustrie, 54% voor de kunstzijde, 32% voor de katoenspinnerijen, 28 % voor de staalindustrie, smelterijen en wolindustrie, 25 % voor de suikerindustrie. De welvaart in deze industrieën is evenwel niet algemeen, zoals o.a. blijkt uit de verslagen der girobanken en de Bank van Japan. Ondanks gedeprecieerde valuta, goedkoop geld, regeringsuitgaven voor openbare werken en tot voor kort de belofte, dat de belastingen niet zullen worden verhoogd, is de Japanse welvaart beperkt tot enkele grote industrieën. De belangrijkste hinderpaal voor een meer verbreide welvaart zijn de armoede der boeren, de lage lonen en de werkloosheid inde industrie. Volgens de cijfers van de Bank van Japan is de industriële bedrijvigheid sedert einde 1931 met rond 20 % gestegen; de loonnormen zijn evenwel voortdurend gedaald en de werkelijke verdiensten zijn in de gehele periode vrij constant gebleven. De gemiddelde arbeidsduur is gestegen van 9,3 in Maart 1931 tot 9,39 in Maart 1932, 9,46 in Maart 1933 en 9,50 in Maart 1934. Om dezelfde geldlenen te behalen, hebben de arbeiders langer gewerkt en daar de kleinhandelsprijzen gedurende de gehele periode zijn gestegen (het indexcijfer van de Bank van Japan was in October 1934 14 % hoger dan in November 1931), zijnde werkelijke lonen, ondanks de langere arbeidsduur, gedaald. Er wordt op gewezen, dat deze cijfers slechts betrekking hebben op ondernemingen met vijf of meer arbeiders en dat deze ondernemingen minder dan de helft van de industrie-arbeiders van het gehele land in dienst hebben. De arbeidsvoorwaarden inde kleinere ondernemingen zijn veel slechter dan inde vorengenoemde indexcijfers tot uiting komt; in sommige gevallen bedraagt de arbeidsduur 14 tot 15 uur per dag. Het werkloosheidspercentage van zeven millioen leden der Japanse bevolking daalde van 6.45 pCt. in November 1931 tot 4.97 pCt. in Juli 1934. Onder de dagloners bedroeg het percentage evenwel 10.78 in November 1931 en 10.31 in Juli 1934. De grotere vraag naar arbeiders komt thans van de zware machinebouw, chemische bedrijven, enz. en betreft meestal geschoolde arbeiders. Het is, volgens „The Economist”, zeer duidelijk, dat de economische structuur van Japan onder steeds grotere druk staat. Zij gaat gebukt onder alle lasten van imperialistische expansie, inde vorm van toenemende openbare schulden, bloeiende wapenindustrie en beginnende crisis, zonder tot dusver één van de economische resultaten te behalen, welke zij hoopte te verkrijgen van grotere markten en een groter gebied onder dezelfde economische controle. Japan bevindt zich thans ineen crisistoestand en zo lang deze blijvend is, zal in Japan de paradox blijven bestaan van „welvaart” met een dalende levensstandaard. In „The Economist” van 2 Maart j.l. wordt er op gewezen, dat Japan thans één van de acht belangrijkste industrielanden ter wereld is. In 1933 bedroeg zijn buitenlandse handel 3 pCt. van de wereldhandel, vergeleken met 13 pCt. voor Engeland, 12 pCt. voor de Verenigde Staten, bijna 9 pCt. voor Duitsland en 8 pCt. voor Frankrijk. De oude industrielanden hebben Japan vaak beschuldigd van het voeren van oneerlijke concurentie, dumping, het handhaven van slechte arbeidsvoorwaarden, enz. Deze beschuldigingen werden evenwel door anderen tegengesproken, o.a. door den heer F. Maurette, onderdirecteur van het Internationaal Arbeidsbureau, in zijn rapport omtrent de economische toestand in Japan. „The Economist” merkt evenwel op, dat van de 60 millioen inwoners van Japan de helft beschouwd wordt als afhankelijk van

| familieleden, de helft als werkzaam _in een broep, van welke laatste helft ongeveer 15 millioen in vde landbouw en ongeveer 5 millioen inde industrie werkzaam zijn. Maar slechts 2 millioen der industrie-arbeiders werken in fabrieken met vijf of meer arbeiders en ongeveer 10 pCt. minder in fabrieken met tien of meer arbeiders en slechts voor deze geldt de fabriekswet. De kleinste fabriek, welke de heer Maurette bezocht, had 22 arbeiders in dienst, zodat hij zeer critisch staat tegenover de representatieve betekenis daarvan. Zijn conclusie, dat er geen sociale dumping is, moge voor zover de uitvoer door grote concerns geschiedt, juist zijn, zij slaat niet op de uitvoer van de grote aantallen kleine ondernemingen, welke zulk een hevige concurrentie voeren, dat, volgens de Japanse Vereniging voor Sociale Wetgeving, de lonen gedaald zijn tot een peil, waarbij de arbeiders gebrek lijden. In Japan zelf wijst men er op, dat niet alleen de lonen, maar ook de prijzen laag zijn. De Japanse levensstandaard is niet laag, maar eenvoudig. De arbeidsvoorwaarden zijn er daarom niet slechter dan elders. „The Economist” kan deze argumenten moeilijk aanvaarden. De arbeidsduur in Japan is langer dan inde meeste industrielanden en neemt, in tegenstelling tot de gang van zaken inde gehele wereld, nog toe. Het is moeilijk een onderscheid te maken tussen de „doeltreffende organisatie” der industrie, welke haar resultaten bereikt door eenzijdige overeenkomsten met ongeorganiseerde arbeiders en de doeltreffende organisatie” met betrekking tot de handel en industriële techniek. De commerciële organisatie der' textielindustrie en van de grote financiële instellingen, welke de Japanse handel en industrie controleren, is zeker moderner ingericht dan b.v. die van de Lancashire katoenindustrie en deze laatste zou, volgens „The Economist”, beter doen, iets van de Japanse methoden te leren, inplaats van over oneerlijke concurrentie te klagen. Het is evenwel de vraag, of deze commerciële bekwaamheid op zichzelf voldoende is om het Japanse succes te verklaren. Er is op gewezen, dat de arbeidsvoorwaarden zijn verbeterd, vooral inde exportbedrijven. Volgens de algemeen in Japan aanvaarde theorie is er evenwel een gebrek aan grondstoffen, kapitaal en technische scholing en een overvloed aan arbeiders, zodat dezen op het ogenblik het meest onder de concurrentiestrijd hebben te lijden. Het loonpeil is gestegen onder invloed van de internationale handel, de verdere vooruitgang is evenwel afhankelijk van de veranderingen in het relatieve tekort of teveel aan productiefactoren. De mening heeft post gevat, dat ondanks de economische vooruitgang, de lonen laag blijven ten gevolge van de toeneming der bevolking. Ineen kort geleden verschenen studie omtrent de beroepsveranderingen in Japan, uitgegeven door de Vereniging voor de Vrije Handel te Tokio, wordt dit duidelijk gemaakt. De totale bevolking steeg van 33 millioen in 1872 tot 64 millioen in 1930, terwijl zij voor 1950 op 78 millioen wordt geraamd. Het geboortecijfer daalt thans vrij snel; de toeneming der bevolking gedurende de laatste tien jaren was meer het gevolg van daling van het sterftecijfer dan van stijging van het geboortecijfer. Door de enorme stijging der geboorten in vorige jaren neemt de volwassen arbeidersbevolking thans evenwel sneller toe dan de totale bevolking. Verwacht wordt, dat van 1935 tot 1950 de arbeidersbevolking met 21 pet., de totale bevolking met slechts 15 pet. zal stijgen. Van 1920 tot 1930 is de arbeidersbevolking met ongeveer vijf millioen toegenomen. De landbouwbevolking bleef toen evenwel stationnair, in het aantal arbeiders, werkzaam in fabriekmatige bedrijven, vond zelfs een geringe daling plaats, ondanks een geschatte stijging van 70 pet. van de geproduceerde hoeveelheid. De toeneming der bevolking werd geheel opgevangen door de groot- en kleinhandel, het bankbedrijf, hotels, enz. (stijging 39 pet.), de openbare en intellectuele beroepen (stijging 37 pet.) en huiselijke diensten (stijging 21 pet.). (Doc.-Bur. N.V.V.) Examens V.V.A. De lezers worden eraan herinnerd, dat de inschrijving voor dé examens van gezel en meester, welke door de Vereniging ter Veredeling van het Ambacht inde week van 22—27 Juli a.s. te Utrecht af genomen worden, sluit op 15 Mei a.s. Aanmelding moet geschieden bij den secretaris-penningmeester; jhr. ir. E. van Heemskerck van Beest, Raadhuis, kamer 150, Amsterdam—C.

Werkgeversorganen over het bezuinigingsplan van onze regering. Zowel „De Nederlandse Werkgever” als „De R.K. Werkgever” hebben de vorige week veel plaatsruimte bestemd voor bespiegelingen inzake het bezuinigingsplan van onze regering, dat, zoals onze lezers kunnen weten, een bezuiniging van rond 77 millioen beoogt. In het laatstgenoemde orgaan is het Dr. Kortenhorst die z’n oordeel ten beste geeft. Het bezuinigingsplan heeft in het algemeen zijn instemming. Hier en daar is, er wel wat te haarkloven, maar dat is een zaak van later zorg. Z’n voornaamste bezwaar geldt het feit, dat de regering' niet in één groot geheel haar financiële en economische politiek op tafel gelegd heeft. Er ontbreekt een brok aan en dat vindt de heer Kortenhorst erg jammer. Hij vaart daarmede in hetzelfde schuitje als „De Maasbode”, die o.a. schreef; „Maar een grote psychologische fout ■ achten wij het, dat de regering, naar het schijnt op aandrang van de Raad van Staten, een gedeelte van haar oorspronkelijk ontwerp heeft achter gehouden. Dat had betrekking op de sociaaleconomische aanpassing en het was naar onze mening goed gezien van het kabinet, dat het aanvankelijk soortgelijke maatregelen welke precies, weten wij natuurlijk niet in het grote wetsontwerp had opgenomen, evenals enkele belastingverlagingen. Voor de goede gang van zaken zouden wij er met alle kracht bij de regering op willen .aandringen, dat het dit teruggenomen deel alsnog bij afzonderlijk wetsontwerp zal indienen nog vóór dat het grote wetsontwerp inde afdelingen der Tweede Kamer zal worden onderzocht. Het kan dan, ook in ’t openbaar, gelijktijdig in behandeling komen.” Aldus „De Maasbode”, waarvan wij wel kunnen aannemen dat zij met grote stelligheid weet dat de regering een deel van het oorspronkelijke ontwerp achter heeft gehouden. En de heer Kortenhorst, die met instemming dit stukje uit het hem verwante blad aanhaalt, zal ook wel precies weten wat er achtergehouden is. Als hij schrijft; „Activering van het economisch gebeuren eist daarnaast een positieve regeringszorg”, laat hij daar onmiddellijk op volgen; „Heeft de regering gemeend, dat bij dit bezuinigingsontwerp deze constructieve welvaartspolitiek niet uitdrukkelijk vermeld behoeft te worden? Dacht zij misschien, dat er geen reden aanwezig was bij deze gelegenheid het probleem der volkshuishouding in ganse omvang met enkele grote trekken aan te duiden? Wij betreuren in elk geval dat dat ruime en alles omvattende kader rondom dit harde en nuchtere wetsontwerp niet is getrokken. Ten slotte moet de staatshuishouding het toch hebben vaneen opbloei van de werkgelegenheid.” Dr. Kortenhorst eindigt z’n beschouwing met het volgende dat wij nog citeren; „En ten slotte achten wij het een leemte, dat de regering verzuimd heeft te spreken over de allerbelangrijkste aanpassing, n.l. die van de structuur van ons economisch leven inde richting van industrialisatie.” Hoe ’t ook is, de regering zal er wel haar dwingende reden voor gehad hebben om haar bezuinigingsontwerp niet vast te koppelen aan hetgeen Dr. Kortenhorst verstaat onder „constructieve welvaartspolitiek”. Met de bezuinigingen die worden voorgesteld, is hij het in elk geval eens en dat is voor ons op het ogenblik de hoofdzaak. Waarmede geenszins gezegd is, dat wij van hem iets anders verwacht hadden. „De Nederlandse Werkgever” is natuurlijk inde wolken met het wetsontwerp. Wij volstaan met hetgeen de redactie schrijft over de aanpassing die de regering ten opzichte van de lonen na jaagt. Daarvan heeft zij natuurlijk met grote instemming kennis genomen, het als de natuurlijkste zaak van de wereld beschouwende dat de regering haar invloed op wat ruimere schaal laat gelden. „Wat de lonen betreft merkt de regering op, dat zij op dit gebied alleen onmiddellijk de aanpassing kan bevorderen bij de salariëring van het personeel in overheidsdienst. Daarnaast kan zij middellijke invloed uitoefenen door ingeval zij in enigerlei vorm steun verleent aan enige bedrijfstak, daaraan, indien zij zulks nodig acht, voorwaarden met betrekking tot de lonen te verbinden. Ook zal de regering gerechtigd zijn onder bepaalde omstandigheden steun te onthouden aan werkloze arbeiders, behorende tot bedrijfsgroepen, waarin de lonen niet of niet voldoende aangepast zijn aan tegenwoordige verhou-

dingen en daardoor de werkloosheid in de hand werken. Wat de regering hier mededeelt, is niet nieuw. Zowel het ene als het andere heeft zij reeds gedaan, zij het op bescheiden schaal. Zo heeft zij een tijd lang verlaging van lonen bij de bouwvakarbeiders inde hand gewerkt door deze als voorwaarde te stellen voor crisisbijdragen aan de werklozenkassen. De bovenstaande mededeling opent echter uitzicht, dat de regering zich thans opnieuw en op ruimere schaal van dit middel zal bedienen, ook bij de eigenlijke steunverlening aan werklozen. Daarbij mag de loonpolitiek van het Werkfonds niet vergeten worden.”

Museum van de Arbeid. Onder toezicht van prof. dr. ir. C. J. van Nieuwenburg heeft ir. A. van Deelen een beknopte beschrijving samengesteld van de afdeling „Het Glas” van het Museum van de Arbeid, Rozengracht 224 te Amsterdam, terwijl ir. C. N. van der Velden onder toezicht van prof. ir. D. Dresden hetzelfde deed voor de afdeling „Het IJzer”. De Uitgevers-Maatschappij „Kosmos” te Amsterdam verzorgde de uitgave. De boekjes geven op bevattelijke wijze en verlucht met foto’s een overzicht van hetgeen inde betreffende afdeling wordt getoond. Zij beschrijven hoe daar het verband wordt gedemonstreerd tussen de techniek en de eeuwige machten der natuur en hoe er eerbied wordt gekweekt voor de arbeid van onze medemensen. Zij maken het voor een ieder mogelijk na te gaan hoe een bezoek aan het museum zijn theoretische kennis door aanschouwing kan verdiepen; de onderwijzer kan beoordelen hoe hij door aanschouwelijk onderwijs zijn lessen vruchtbaarder kan maken en leiders van ontwikkelingsen ontspanningsverenigingen kunnen voorgenomen collectieve bezoeken voorbereiden of het besluit ertoe nemen. De lage prijs der boekjes, ƒ0.25 per stuk, maakt het mogelijk dat zij in ieders handen komen. Zij zijn verkrijgbaar inde boekhandel en aan het museum; Rozengracht 224, Amsterdam. Vacantie-Oord „Avegoor”. Wij ontvingen van het hoofdbestuur van de Bond van Overheidspersoneel de mededeling, dat het bondsvacantie-oord „Avegoor” te Ellecom ook dit jaar weer wordt opengesteld voor igodern-georganiseerden. Voor nadere inlichtingen kan men zich wenden tot den bedrijfsleider, adres: Vacantie-oord „Avegoor”, Ellecom (Gld.). Van 15—23 Juni wordt een vacantieweek op „Avegoor” georganiseerd. Prijs alles inbegrepen, ook een ééndaagse auto-tocht over de Veluwe: ƒ29.—. Vertrekplaatsen: Amsterdam en Rotterdam. Kinderen reductie. Van B—lo Juni Pinksterweekeinde, Prijs vanaf vertrekplaats Amsterdam: ƒ 9.25; vanaf Rotterdam: ƒ 9.50. Alles inbegrepen. Voor inlichtingen kan men zich wenden tot het hoofdbestuur van de bond; Stadhouderskade 68, Amsterdam—Zuid. VERANTWOORDING Inde maand April 1935 werd afgedragen over de maand Maart 1935 door de volgende afdelingen: Appingedam ƒ 128.59, Assen ƒ 65.52, de Bilt ƒ 25, Brummen ƒ 100, Bussum ƒ 21.63, Doesburg ƒ 100, Driebergen ƒ 100, Eindhoven ƒ 34.30, Geertruidenberg ƒ 36.64, Krommenie ƒ 100, Lekkerkerk ƒ 60, Meppel ƒ 43.88, Nieuwleusen ƒ 50, Tilburg ƒ 158.93, Vaassen ƒ 286.15, Voorburg ƒ 47.57, Westerbroek ƒ 100, Winschoten ƒ 250, Wormervee* ƒ 96.69 en verspreide leden ƒ 469.06. Alle andere afdelingen behielden hun afdracht voor uitkeringen. De bondspenningmeester: H. J. VAN DEN BORN ADVERTENTIËN Op Zondag 5 Mei overleed inde ouderdom van ruim 63 jaar, ons lid WILLEM DEURHOLT. Hij ruste in vrede! Namens het bestuur der afd. Hoogezand-Sappemeer. Op Dinsdag 30 April overleed plotseling inde ouderdom van 54 jaar, GERARDUS VAN DIJL. Trouwe kameraad, een rust zacht u toegewenst, door de afdeling Leiden.

Sluiten