Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hadden. Het volgende overzicht geeft daarvan een duidelijk beeld: , „ Omzet coöp. Percentage Jaar Omzet H.K. aangesloten van het bij de C.B. ledental 1930 ... 18.254.000 12.566.370 69 % 1931 ... 17.618.298 12.438.000 71.4% 1932 ... 18.506.000 13.927.510 75.6% 1933 ... 21.691.983 16.551.925 76.6% 1934 ... 22.766.387 17.181.298 75.4% „De Handelskamer” telt in totaal 288 deelgenoten, waarvan er 131 aangesloten zijn bij de Centrale Bond. Maar deze bij de Centrale Bond aangesloten deelgenoten van „De Handelskamer” vormen tevens het meest consequente deel. Want van de 110 deelgenoten van „De Handelskamer”, die meer dan 80 procent van hun inkopen van dit lichaam betrekken, behoren er niet minder dan 76 tot de Centrale Bond. Hieruit blijkt, dat niet alleen bij het tellen, maar ook bij het „wegen” de leden van de Centrale Bond uitblinken. Dat de Coöperatie-Raad met zijn propaganda niet weinig tot dit resultaat heeft bijgedragen, is buiten kijf. Als men nu de vraag stelt, wat het N.V.V. er toe bewogen heeft, zich zo sterk voor de coöperatieve beweging te interesseren, dan is het antwoord daarop slechts; om geen andere reden dan het belang van de arbeidersklasse te dienen. Met onze propaganda beogen wij niet anders dan den arbeiders en arbeidersvrouwen het besef bij te brengen dat zij niet alleen producenten, maar vooral ook consumenten zijn. De coöperatie is de organisatie van den consument, die ten doel heeft hem tegen kapitalistisch winstbejag te beschermen. Op geheel ander terrein jaagt de coöperatie hetzelfde doel na als de vakvereniging. Een sterke coöperatieve beweging is voor de arbeiders even onmisbaar als Gm sterke vakbeweging. Dat duidelijk te maken aan alle modern-georganiseerden, is de taak die de Coöperatie-Raad op zich genomen heeft en die hij zal voortzetten met al de kracht waarover hij beschikt.

Werkverruiming. In ons nummer van 18 Mei j.I. hebben wij onder het opschrift „Bouw vaneen tweede Statendam”, een artikel opgenomen, waarvoor de inhoud ontleend was aan materiaal van het documentatie-bureau van het N.V.V. Het geheel handelde overeen schriftuur van den heer Henri Reuchlin met betrekking tot het vraagstuk van extra uitgaven van de Staat voor verruiming van de werkgelegenheid en de invloed daarvan op het economisch leven in zijn geheel. De heer Henri Reuchlin heeft daarbij zeer uitvoerig en gedocumenteerd de voordelen, verbonden aan de bouw vaneen tweede „Statendam”, aangetoond. Dr. Th. van der Waerden heeft naar aanleiding van de studie van den heer Henri Reuchlin, een artikel geschreven in „De Vakbeweging”, het bekende maandblad van het N.V.V. Dat artikel van Dr. Ir. van der Waerden, getiteld: „Directe en indirecte gevolgen van werkverruiming”, vonden wij ook voor onze lezers zeer belangrijk en wij besloten dan ook het over te nemen. Hieronder volgt ’t eerste gedeelte: „Het is een verheugend verschijnsel, dat In verschillende kringen de overtuiging gaat rijpen, dat gebroken moet worden met het afmattend en verlammend stelsel van aanpassen, af wachten en uitzieken; ' dat het verlangen naar een bewuste welvaartspolitiek in kracht toeneemt, de overtuiging, dat positieve welvaartspolitiek mogelijk en noodzakelijk is: psychologisch en materieel. Daarbij blijft het niet; de wegen worden gezocht en reeds aangewezen, de exacte bewijsvoering van de economische mogelijkheid en dus noodzakelijkheid en urgentie, is begonnen. Wij hebben hier voor ons een studie van den heer Henri Reuchlin, M.A., getiteld: „Werkverruiming en haar gevolgen voor volkshuishouding en overheidsfinanciën.” Dat deze geest actief geworden is door de noodtoestand der Holland—Amerika-Lijn en als uitgangspunt zijner studie genomen heeft de behoefte aan een tweede „Statendam”, is geen hinderlijke beperking gebleken: de behandeling van het onderwerp is voldoende algemeen gehouden en de opzet der studie stelt in staat en lokt uit tot het ondernemen van soortgelijke bestudering van objecten, welke in ieder welvaartsplan moeten voorkomen. De bijzondere betrekkingen van den schrijver met |

het speciale geval-„Statendam” hebben den schrijver gebracht tot vermijding van iedere optimistische schatting, waardoor zijn conclusies aan veiligheid wonnen, terwijl diezelfde betrekkingen hem inde gelegenheid stelden, over alle gegevens, nodig voor een deskundige behandeling, te beschikken. Zo is deze studie een waardevolle bijdrage voor hen, die met de politiek van deflatie en verschrompeling willen breken en een stimulans voor intellectuele krachten, die nog weifelen en aarzelen om zich bij hen te scharen, die nog hoop en vertrouwen hebben en willen aanpakken. Tot voor kort zegt het voorbericht dezer uitgave van het Ned. Economisch Instituut is de werkverruiming te beperkt bekeken; men woog alleen de directe voordelen tegen de directe opofferingen. Betrekt men echter de z.g. secundaire werkgelegenheid en de invloed op de openbare financiën bij de gevolgen der werkverruiming, dan worden verrassende uitkomsten verkregen. Het vraagstuk van productieve werkverruiming, met name de productie van kapitaalgoederen, wordt, ook in onze kringen, eenvoudig en vlug opgelost. Soms is men reeds voldaan met te eisen „koopkrachtvermeerdering”, de rest volgt dan wel. Als regel worden het probleem en zijn oplossing ernstiger benaderd; sinds jaren honderdduizenden werklozen; fabrieken en werkplaatsen niet alleen goederenmaar ook loonfabrieken gesloten; daling van het volksinkomen, daardoor daling van de Rijksinkomsten. Maarde Rijksuitgaven stijgen alleen reeds door de steun aan de werklozen. Welnu; laat de Staat arbeid en productiemiddelen bij elkaar brengen en de vruchten voor de gemeenschap zullen rijpen. Zo eenvoudig zijn het probleem en zijn oplossing echter niet, maar, zegt Reuchlin, evenzeer staat vast, dat de Staatsuitgaven niet stijgen met het volle bedrag dat nodig is om arbeiders tewerk te stellen. Berekend moet worden welke werklozensteun vervalt, welke stijging der Rijksmiddelen zal optreden, wat netto meer zou worden uitgegeven, bijv. bij Staatssteun voor een „tweede” „Statendam”. De schrijver zal thans de volgende conclusies rechtvaardigen : 1. dat J tot | van de bruto-bouwkosten vaneen tweede „Statendam” ten goede zal komen aan de Overheidsbudgetten door besparing op steun en door ruimer vloeiende baten; 2. dat bij de exploitatie van dit schip deze budgetten een jaarlijks terugkerende verbetering zullen tonen ter waarde van 5.5 pet. der netto-bouwkosten; 3. dat de algehele stillegging van de passagiersdienst van de Holland-Amerika- Lijn ten gevolge zou hebben, dat de toeneming der uitgaven van de Overheid inde vorm van werklozensteun en daarnaast de verminderde opbrengst der belastingen overeen periode van 6 jaar reeds gelijk zijn aan de netto-bc wkosten van het schip. Indien hij hierin slaagt, dan is wel bewezen, dat Rijkssteun voor de bouw van een tweede „Statendam” en in het algemeen van productiemiddelen en kapitaalgoederen een algemeen Nederlands volksbelang is. Allereerst wordt nagegaan hoe de kostprijsverdeling der 12 millioen, de geraamde bouwprijs van het schip, is. Dus wat direct ten goede komt aan de arbeiders (loon), aan versterking van de werf, wat besteed kan worden aan afgewerkte producten en aan grondstoffen en daardoor ten dele ten goede komt aan Nederlandse ondernemers en arbeiders, wat ten slotte ten goede komt aan belastingen en premies voor pensioenen sociale lasten. Nauwkeurige gegevens betreffende de bestaande „Statendam” laten een betrouwbare kostprijsverdeling van de te besteden 12 millioen toe. Daaruit blijkt dat te verwachten is, dat „ƒ4.3 millioen aan lonen (wordt) besteed en ƒ3.4 millioen aan ingevoerde grondstoffen en fabrikaten; ƒ 1.7 millioen blijft dan ter dekking van algemene onkosten over”. Eveneens is aangenomen een gemiddeld weekloon van ƒ25. het aantal arbeidsweken voor de bouw vereist, berekend. Daarbij komen de arbeidsweken, die voortvloeien uit de bestellingen bij Nederlandse ondernemingen. Uitgaande van de studie van het Centraal Bureau voor de Statistiek naar de invloed van het arbeidsloon op de kostprijs der producten, zijnde geaccumuleerde lonen (en arbeidsweken), voorzichtig schattende, nagegaan. Eveneens zijnde verdere uitgaven, water en electriciteit, sociale lasten en belastingeen geanalyseerd; verder de uitrusting van het schip, een waarde van ƒ 500.000.-- vertegenwoordigende. Hieronder volgt eendoor ons verkorte tabel der kostenverdeling voor een zusterschip van de „Statendam”;

Arbeidsx ƒ 1.000 weken Lonen (werf, materialen, inventaris) 6.000 240.800 Sociale lasten (id.) 312 Bedrijf soverschotten tot dekking der vaste lasten (id.) 2.053 Belastingen (werf) 40 Invoer (werf, materiaal, inventaris) 4.097 12.500 240.800 Hiermede is echter de betekenis van de bouw van het schip, voor wat de éne kant, I n.l. de werkverruiming, betreft, nog slechts ten dele belicht. Een belangrijk hoofdstuk, volgende de gedachtengang van de studies van M. Keynes en M. R. F. Kahn, behandelt de „secundaire werkverruiming”. De koopkracht der bij de bouw direct en indirect betrokkenen is toegenomen; zij geven dus meer uit; daardoor vergroten zij de productie van verbruiksgoederen, brengen dus werkverruiming. Hoe groot deze is, viel moeilijker te schatten bij gemis aan voldoend statistisch, met name budget-materiaal. De uitvoerige berekeningen en toetsingen, welke de Studie ineen reeks van bijlagen geeft, tonen aan dat hier voorzichtig tewerk is gegaan en een conservatieve veiligheid is gezocht. De belangstellende lezer zij met aandrang naar deze beredeneerde bijlagen, meer dan de helft van het boekje vullende, verwezen. Hier worden slechts summier enkele conclusies gegeven: ‘ Aangenomen wordt dat de werf de nieuw benodigde arbeiders in overleg met Maatschappelijk Hulpbetoon aanstelt; hun inkomsten nemen dan toe met het verschil tussen loon en steun overige inkomsten. Naar de berekening betekent dit een totale koopkrachtverhoging van ruim ƒ2.3 millioen. Daarbij komt een koopkrachtverhoging van ruim ƒ 1 millioen door de werkverruiming inde nevenbedrijven; totaal een verhoging van ƒ 3.325.000.—. Ook hieruit vloeit een verdere werkverruiming met een belangrijk bedrag voort, berekend wordt ruim ƒ 2.5 millioen; daarnaast ontstaat werkverruiming door het besteden van grotere bedrijf soverschotten, waardoor he tbedrag, waarmede de productie kan toenemen, in totaal ten minste tot ƒ 3.298.000. stijgt. Het is duidelijk, dat deze verruimende Werking zich, hoewel telkens verzwakt, in resultaat, tertiair en verder doorzet. Een volkomen aanvaardbare berekening (waarbij alleen op p. 25 bezwaar is te maken’ tegen een onelegante behandeling ener stelkundige formule) leert dan, dat de voortwentelende productietoeneming gelijk is aan 1,46 maal de primaire productietoeneming; dus in het geval van de tweede „Statendam” 1,46 >< ƒ 3.298.000 = ƒ4.815.000 of ca. 116.000 arbeidsweken. Hiermede is, het zij herhaald, nog slechts één kant hoewel de meest verlokkende belicht. (Slot volgt.)

Bij de Noren. (P. D.) Er is een tijd geweest, nog niet zo heel lang geleden, dat op de congi essen van de bij de Internationale Metaalbewerkers Bond aangesloten organisaties een hele rij van buitenlandse vertegenwoordigers aanwezig was. Deze congressen kregen daardoor een bijzonder karakter, zij stonden dan meer in het teken vaneen krachtige vooruitgang inde zin van toenadering en verbroedering, hetgeen vooral na de oorlog mede een bewijs van blijvend vredesverlangen betekende. Van 1920 tot 1930 was zulks bijna algemeen het geval. Wij hebben het trouwens op onze eigen congressen kunnen waarnemen. Duitsland, Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije, Zwitserland, Hongarije en de drie Scandinavische landen: Denemarken, Zweden en Noorwegen, waren op bijna alle buitenlandse congressen vertegenwoordigd. Men moet het meegemaakt hebben om te kunnen beoordelen welke gunstige invloed dat op deze bijeenkomsten uitoefende en welke goede gevolgen daaruit niet zelden voortvloeiden. Allengs is daarin nu wel enige verandering gekomen door het tijdelijk wegvallen van Duitsland en Oostenrijk en de moeilijkheden van bonden in andere landen, die graag een vertegenwoordiger zouden willen zenden, maar dit niet kunnen. Het waren vooral de Scandinaviërs, die van de aanvang af deze internationale opvatting van saamhorigheid en solidariteit demonstreerden en die ook thans nog elke gelegenheid benutten om van deze opvatting blijk te geven. Zij hebben er daarom recht op dat degenen, die nog in staat zijn aan hun congressen deel te nemen, zulks ook .doen, vooral ook omdat zij slechts om de drie of vier jaren plaats hebben.

Onze Bond mag zich gelukkig achten dat hij in staat is het goede voorbeeld der Scandinaviërs te volgen en wederzijds een vertegenwoordiger naar diverse congressen te zenden. Zo zijn wij dan inde gelegenheid niet alleen om onze vriendschap te tonen en onze groeten en goede wensen over te brengen, doch bovendien ervaringen op te doen, indrukken mee te nemen en gegevens te verzamelen van de landen en de bonden die wij bezoeken. Het is dit keer het congres van onze Noorse broederorganisatie, dat ik namens onze Bond heb mogen begroeten en bijwonen en waarvan hieronder een beknopt relaas volgt. * * * De eerste indrukken welke ik van het congres kreeg, waren dat het wat aankleding, omvang en gehalte betreft, weinig van het onze verschilde. Maar het duurde niet lang of ik bemerkte dat het toch wel enigszins anders was. De eerste dag van het congres, dat Zondag 19 Mei te 12 uur aanving, zou volgens de agenda besteed worden aan de openingsrede van den voorzitter, de begroeting van de binnenlandse en buitenlandse gasten, de benoeming van de congresleiding en enkele commissies. Waarom het congres juist op Zondag moest beginnen en op de vreemde tijd van 12 uur, is mij niet duidelijk geworden. Op mijn vraag hoe lang het congres zou duren, kreeg ik ten antwoord: ’n dag of acht, wij vergaderen net zo lang tot we klaar zijn en dat zal wel de volgende week Zondag of Maandag worden. Ik schrok niet weinig toen ik dat hoorde en ik nam mij direct voor dan vóór het einde te vertrekken. Stel u voor: twee a drie dagen voor de heen- en terugreis en dan nog 8 dagen voor het congres. Ze zouden in Amsterdam denken dat ik er een snoepreisje van maakte. Om eten bekommeren de Noren zich blijkbaar niet, vandaar misschien het vreemde uur van aanvang. Bij ons zou men al gauw zeggen: wanneer gaan we eten, voorzitter? Maar op het congres in Oslo was er niemand die zich daarom bekommerde, ook niet voor de zeven buitenlandse gasten. En zodoende werd het ongeveer 7 uur vóór wij wat te eten kregen en moesten we ons die middag tevreden stellen met redevoeringen. Gij houdt mij wel ten goede als ik u van deze redevoeringen geen verslag doe. Ze waren natuurlijk allemaal belangrijk; ook de mijne. Ze hebben van mijn speech, die ik gemakshalve maar in het Nederlands heb uitgesproken, wel niet veel verstaan, maar mijn tolk die Duits sprak en die ik vooraf had ingelicht, heeft er voor gezorgd dat alles goed is overgebracht. Uit het applaus heb ik trouwens bemerkt dat ze er zeer mede waren ingenomen. Deze redevoeringen hebben, hoewel zij .over het algemeen niet lang waren, toch geruime tijd in beslag genomen. Maarde Noormannen schijnen van redevoeringen te houden, want van het begin tot het einde hebben ze met volle aandacht zitten luisteren. Trouwens uit de duur van het congres blijkt wel dat zij zelf ook graag praten. De benoemingen van de congresleiding enz. die daarop volgden, gingen vlot, aangezien alles door het bondsbestuur was voorbereid en voor elke beschikbare functie een mannetje was uitgezocht. Het bondsbestuur scheen het nogal goed gedaan te hebben, want er werd weinig op aangemerkt en veranderd. Zo kwamen er uit de aanwezigen drie voorzitters, welke om beurten de leiding van het congres op zich moesten nemen en vier secretarissen, die om beurten hadden te zorgen voor het boekstaven van de besluiten, benoemingen enz. En verder een stembureau en een contróle-commissie bestaande uit elf personen, een redactiecommissie van vijf en een statutencommissie van negen personen. Hiermede was de leiding uit handen van het bestuur overgegaan in handen van het congres, dat wil zeggen in handen van de benoemde congresleiding, welke gedurende acht of meer congresdagen heer en meester was en beschikte over het wel en wee van de bond. Het bestuur, de afzonderlijke bestuurders, ook de voorzitter en andere colleges van de bond hadden gedurende deze tijd niets te zeggen en waren, evenals elke andere congresbezoeker, onderworpen aan de reglementaire bepalingen en de congresleiding. Het lijkt allemaal erg democratisch, maar of het goed en verstandig is een zo wisselvallige en omslachtige leiding in het leven te roepen, is zeer de vraag. Maar dat is een zaak waarmede we ons eigenlijk niet te bemoeien hebben. Zolang we nog niet internationaal gelijkgeschakeld zijn, maakt elk land zelf uit hoe men het hebben wil. Als dit alles geschied is, wordt het congres gesloten, om de volgende dag met zijn feitelijke werk te beginnen. Daarover de volgende week.

Sluiten