Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Officieel verslag van de algemene vergadering van de Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond, gehouden op 6,7 en 8 Juni 1936, in „Natura Artis Magistra" te Amsterdam DERDE DAG (Vervolg en slot) Het Plan van de Arbeid met betrekking tot de metaalindustrie De voorzitter heet thans ir. H. Vos welkom en dankt hem voor zijn bereidwilligheid een inleiding te willen houden over het Plan van de Arbeid met betrekking tot de metaalindustrie. Ir. Vos, die bij zijn verschijnen op het podium met luid applaus wordt begroet, zegt gaarne aan de uitnodiging, hier een inleiding te houden, te hebben voldaan. Ineen 10-tal stellingen heeft spr. zijn inleiding en zijn mening over de verhoudingen tussen Plan en metaalnijverheid vastgelegd. Spr. behoeft in deze kring niet nader op de betekenis van het Plan voor de politieke zowel als de vakbeweging in te gaan. De grote betekenis van het Plan voor deze beide delen der arbeidersbeweging is ieder duidelijk. In het Plan van de Arbeid is over de metaalindustrie weinig geschreven. Dat was ook niet nodig; het Plan wijst de weg aan die er toe leidt om uit de crisis te komen en het economisch leven te beheersen en te ordenen, Waarop moeten wij ons daarbij richten? Naast de algemene crisispolitiek, de conjunctuurpolltlek en de ordening is inde eerste plaats gedacht aan de productie van eerste levensbehoeften. Wij hebben ons dus in het Plan allereerst met die bedrijven beziggehouden, die voor de voortbrenging der eerste levensbehoeften van het meeste belang zijn. Daarbij kon de metaalindustrie buiten beschouwing blijven. Deze industrie vormt bovendien geen gesloten eenheid, zoals b.v. de textielindustrie en de bouwbedrijven. Het is meer een bedrijf van productie, dan wel van consumptie-goederen. Toch biedt het Plan ook voor de metaalindustrie grote mogelijkheden. In deze industrie werken in ons land plm. 240.000 arbeiders. Hoewel ons land gewoonlijk als een in hoofdzaak landbouwland wordt gerekend, overtreft het aantal industrie-arbeiders verre het aantal der landarbeiders. Van alle industrie-arbeiders in ons land omvat de metaalindustrie ongeveer -J- deel. Dat is merkwaardig, omdat in ons land de eigenlijke zwaar-industrie niet bestaat. Er werken inde eigenlijke metaalindustrie in ons land, volgens de laatste beroepstelling, rond 237,000 arbeiders. Daarbij moet echter een splitsing worden gemaakt, omdat niet alle in het bedrijf werkzame personen werkelijke metaalbewerkers zijn. Niet minder dan 27.000 van het genoemde aantal zijn bedrijfshoofden, waarbij in aanmerking moet worden genomen, dat voor hen geldt, dat zij veelal meer hoofd dan bedrijf betekenen. Vrolijkheid). Daartoe behoren o.m, b.v. de 5000 bedrijfshoofden rijwielherstellers,, Spr. acht deze natuurlijk allerminst minderwaardig, maar als metaalbewerkers hebben zij toch eigenlijk geringe betekenis. Spreker noemt hen, omdat zij het type „bedrijfshoofd” karakteriseren. Dan zijn er 6.000 bedrijfsleiders, nutuurlijk lang niet allen werkzaam in grote fabrieken. Voorts 158.000 directe metaalbewerkers en 46.000 personen, niet tot het eigenlijke bedrijf behorende, zoals administratieve krachten, technici, chauffeurs, schilders, meubelmakers, enz. Van de 237.000 in het bedrijf werkzame personen is dus ongeveer f werkelijke metaalbewerkers. Daartegenover staat, dat in andere bedrijfstakken weer werkelijke metaalbewerkers werkzaam zijn, die niet bij deze 237.000 zijn gerekend. Een merkwaardigheid in het metaalvak is nog, dat het in ons land een vak is, dat bijna uitsluitend door mannen wordt uitgeoefend. In totaal zijn in het metaalbedrijf slechts plm. 6000 vrouwen werkzaam. In het buitenland is dat anders. Daar staan vele vrouwen aan allerlei machines. Zo heeft b.v. de Bell-telefoonmaatschappij in Antwerpen zeer veel vrouwen in dienst. Onder het administratief en ander personeel uit het bedrijf zijn voorts nogeens 6000 vrouwen tewerk gesteld. Uiteen en ander blijkt wel, dat wij inde metaalnijverheid te maken hebben met een vak dat een bepaald karakter draagt. Spr. heeft een staat gemaakt van de onderdelen van het bedrijf, zoals die inde bedrijfstelling zijn aangegeven. De grootste groep is die, werkzaam in de scheepsbouw. In 1931 waren dat niet minder dan 37.000 personen, thans tot op de helft gedaald. Voorts werkten inde fabrieken van electrische machines en apparaten ongeveer 30.000, in die der machinebouw eveneens 30.000, bij het hoogovenbedrijf plm. 1500, in constructiewerkplaatsen plm. 10.000, enz. Hieruit blijkt het karakter van het bedrijf: producent van grotendeels kapitaalgoederen, niet van gebruiksgoederen. Dat karakter legt het verband met de conjunctuur-werkloosheid. De omvang van het metaalbedrijf is vooral inde periode 1909—1930 sterk gestegen, n.l. met niet minder dan 40 pet. Vooral de scheepsbouw en de bouw van rijtuigmateriaal hebben daarin een groot aandeel gehad. Deze zijn in die tijd ongeveer verdubbeld. Men kan dus zeggen, dat de omvang der metaalindustrie ineen snel tempo gestegen is. Spllst men deze stijging ineen periode van vóór 1920 en één van daarna, dan is de stijging van 1909 tot 1920 ongeveer 65 pet., van 1920 tot 1930 plm. 20 pet. Vooral dus van 1909 tot 1920 is de metaalindustrie in ons land sterk gegroeid. Later was de groei ook nog sneller dan de bevolkingsaanwas, maar toch meer in evenredigheid met de groei der totale industrie. Dit te weten is belangrijk in verband met de positie der metaalnijverheid bij de verdere industrialisatie. Gaan wij na welk deel der 237.000 in deze industrie werkzame personen werkte voor de aanmaak van productie-goederen en welk deel voor die van consumptie-goederen, dan vinden wij dat voor de laatste, d.w.z. voor de aanmaak van radio-artikelen, emaille-goederen, metaalwaren en lampen, blikwaren, die voor een deel weer kapitaal-goederen zijn (verpakkingsmiddelen), gereedschappen, ijzerwaren, brandkasten, haarden, kachels, klokken, gouden- en zilveren werken, enz., plm. 30.000 personen nodig waren. De rest produceerde z.g. productiegoederen. In verband met de werkloosheid inde metaalindustrie vallen hierbij twee dingen op te merken. De productie van kapitaalgoederen (scheepsbouw, machinebouw, enz.) hangt sterk samen met de conjunctuur. Zij lijdt het sterkst onder de achteruitgang der conjunctuur en profiteert natuurlijk ook weer het meest en het eerst vaneen opgaande lijn.

De fabricage van gebruiksgoederen is van de conjunctuurverschijnselen minder afhankelijk. Maar voor de metaalindustrie geldt dat in mindere mate dan elders, omdat de metaalindustrie gebruiksgoedereh fabriceert, die over het algemeen een vrij lang leven hebben en niet zo spoedig weer nieuw moeten worden aangeschaft. Het metaalbedrijf lijdt dus meer dan – andere bedrijven van conjunctuur. Schommelingen en de grote werkloosheid zijn dus in hoofdzaak door de conjunctuur veroorzaakt. Hoe staat het met de werkloosheid in het metaalbedrijf? In 1925, heeft spr. nagegaan, was in het metaalbedrijf een werkloosheid van 8 pet. te constateren, in 1929, de gouden tijd, was deze gedaald tot 3 pet., maar in 1935 was zij gestegen tot ver boven de 40 pet. Wat het in 1936 zal worden, is nog niet bekend, maar dat de conjunctuur haar slechte invloed gelden deed, staat onomstotelijk vast. Als wij dus er in mochten slagen door middel van ons Plan van de Arbeidde conjunctuurlijn naar boven om te buigen, zal de metaalnijverheid daarvan in bijzondere mate profiteren. Reeds in 1929 is door de directies der arbeidsbeurzen geklaagd over gebrek aan geschoolde krachten inde metaalnijverheid, Inde periode van 1929 tot 1935 is er van het kweken van goede metaalbewerkers natuurlijk zeer weinig terecht gekomen. Als dus een nieuwe opleving komt, zullen ons de klachten over het gebrek aan goed ingeschoten krachten opnieuw bereiken. De werkloosheidscijfers inde metaalindustrie liggen 10 pet. hoger dan het gemiddeld werkloosheidscijfer. Ook inde bouwvakken is dat het geval. Daaruit volgt, dat dus zowel inde bouwbedrijven als inde metaalnijverheid de werkloosheid veel groter is dan inde rest van het productle-apparaat, want de rest ligt beneden het gemiddelde. Een conjunctuur-opleving zal de metaalindustrie ten goede beïnvloeden, maar daarop mogen wij ons toch niet verlaten. Want er zijn ook oorzaken die inde metaalindustrie een grotere, blijvende werkloosheid veroorzaken dan in andere vakken aangetroffen wordt. De rationalisatie is in belangrijke mate toegenomen en voorts is er een belangrijke wijziging inde wereld-structuur te constateren. Er is vermindering van uitvoer; elders inde wereld is de industrialisatie sterk voortgeschreden. De uitvoer van producten der metaalindustrie van Nederland is niet belangrijk verminderd. De omvang van de uitvoer is slechts van 11 tot 9,6 millioen ton teruggelopen, maarde waarde is belangrijk gedaald en het is de vraag of wij niet een groter deel van deze export zullen verliezen door de voortgaande industrialisatie van Japan, Zuid-Amerika en ook van Nederlands-Indië. Deze industrialisatie is jong en heeft door de uitbreiding die er aan gegeven wordt, voorlopig nog behoefte aan de invoer van machines, enz. Men is daar nog in de eerste fase. Als de industrialisatie er verder voortgeschreden zal zijn, zullen daar de eigen machine- en andere fabrieken verrijzen. Japan is op die weg al een stuk gevorderd. Er blijft voor onze metaalindustrie nog over de levering van gequalificeerde arbeidsproducten en daarvoor is ook weer de opleiding van bekwame arbeidskrachten van groot belang. Als het nu mocht gelukken de opleving te forceren, mag de vraag gesteld, welke voordelen daaraan voor de metaalindustrie verbonden zullen zijn. Vast staat, dat de uitvoering der openbare werken van het Plan, ook voor de metaalbedrijven belangrijke mogelijkheden zal bieden. De versnelde spoorweg-electrificatie, versnelde bruggenbouw, de aanleg van waterleidingen ten plattelande, de bouw, van verkeerstunnels, de uitvoering van gemeentelijke werken, de rationalisatie van bestaande en de nieuwbouw van fabrieken, verbeteringen in het landbouwbedrijf, nieuwe bedrijvigheid in het bouwvak, dat alles zal de werkgelegenheid inde metaalindustrie in sterke mate ten goede komen. De metaalindustrie dringt door in en wordt betrokken bij vakken waar zij vroeger niets mee uitstaande had. Spr. wijst op het gebruik van stalen skeletten voor bouwwerken, de gewapend-betonbouw en dergelijke. Daarnaast zal de industrialisatie nieuwe fabrieksgebouwen nodig maken, die nieuwe machines nodig zullen hebben, om van de uitbreiding der machine-capaciteit in het algemeen nog maar niet te spreken. Voorts zal de verhoogde vervoercapaclteit van en naar de fabrieken haar invloed doen gelden, om de landbouw-opdrachten nog maar te verwaarlozen. Dit alles zal een belangrijke hoeveelheid werk voor de metaalindustrie scheppen, waarvan de omvang evenwel moeilijk onder cijfers is te brengen. Toch durft spr. wel te schatten, dat door de uitvoering der plannen, waarvoor een uitgave van 600 mill., plus de 100 ’mill. van het industrialisatieplan, nodig is, de bedrijvigheid inde metaalnijverheid beduidend zal groeien. Daarnaast heeft eveneens grote betekenis voor het terugdringen der werkloosheid, de uitvoering van het scheepsbouwprogram, waarvan in stelling 6 sprake is. Door de uitvoering van deze beide plannen, meent spr., zullen in het metaalbedrijf zeker 25.000 paar handen nieuwe werkgelegenheid vinden. De werkloosheid zal er niet door worden opgeheven, wel echter in belangrijke mate beperkt. Ook de invoering van de 40-urenweek kan voor de metaalindustrie belangrijke gevolgen hebben. Loonsvermindering evenredig aan de werktijdverkorting, hebben wij in het Plan nadrukkelijk afgewezen. Toch zal enige vermindering der lonen moeten worden aanvaard. Inkorting van de werkweek van 48 op 40 uren betekent, blijft het, weekloon gelijk, een stijging van het uurloon met 16 pet. Door de verspreiding van de werklozensteun door invoering van de 40- urenweek, zal daarvan plm. 5 pet. worden gecompenseerd. Daarnaast wordt in het Plan nog een compensatie voorgesteld en een verhoging, te dragen door de werkgevers, zodat op een uurloonsverhoging van 10 a 12 pet, mag worden gerekend, terwijl het weekinkomen met 4 a 5 pet. daalt. Volledige compensatie van het loonverschil hebben wij, zegt spreker, niet aangedurfd. Dat zou niet overal dadelijk door te voeren zijn en daarom werd de tussenweg in het Plan gekozen. Spr. verwacht en hoopt, dat als m Nederland de werkloosheid vermindert en de conjunctuur %eer op gang komt, de vakbeweging zelf voldoende paraat zal blijken en over voldoende macht en invloed zal beschikken, om wat verloren ging van de arbeidsvoorwaarden, terug te winnen, In Zweden is bij de uitvoering der grote werken gebleken, dat de wérkvermeerderirig voor de metaalindustrie niet lang op zich wachten liet. Dat zal in ons land niet anders zijn. De metaalindustrie zal één der eerste zijn, die vaneen conjunctuurverbetering profiteert. Wat gemakkelijk is te verklaren: wanneer het spoorwegnet verbeterd of geëlectrificeerd wordt, is het de. metaalindustrie welke daarvoor de materialen heeft te leveren. Belangrijker nog dan deze onmiddellijke verbetering inde werkloosheidscijfers, die verwacht kan en mag worden, acht spr. voor het metaalbedrijf de uitkomsten van de conjunctuurpolitiek van het Plan. Voor de metaalindustrie zal een veel geregelder gang van zaken ontstaan. De toestand van tegenwoordig eerst tijden lang een opgang naar topprestaties in het bedrijf en daarna de plotselinge val met als gevolg een steeds

groter wordende werkloosheid wordt vervangen dooreen geregelde gang van het bedrijfsleven zonder ups and downs. Uitvoering van de Plan-maatregelen zal het conjunctuurverloop in Nederland moeten stabiliseren. En één van de Industrieën, die tot een goed geregelde gang van zaken komen zal, is de metaalindustrie. Dat is van groot belang, zowel voor de arbeidsvoorwaarden als voor een goede‘opleiding van geschoolde werkkrachten. Veel van wat in dit opzicht reeds bereikt was, wordt door de crisis meer en meer ondergraven. Men kan de organisatie uitbreiden en verstevigen, maarde sterkste bond is onmachtig als de opdrachten aan de industrie uitblijven. Men streeft er van arbeiderszijde naar inde industrie zeggenschap te erlangen. Men wil geregeld inde leiding der industrie worden gekend. Welnu, dat is alleen mogelijk, als eerst ordening is geschapen en ordening is alleen mogelijk door volledige uitvoering van de conjunctuurpolitiek van het Plan. Dat wil zeggen, dat zowel het credietwezen als de rationalisatie en de uitbreidingspolitiek worden beheerst. Alleen op deze basis is ook de scholing van jonge arbeiders mogelijk. Nu is er voor de jongeren geen plaats. De rationalisatie inde metaalindustrie is sterk geweest. Dr. Vander Waerden gaf enige cijfers van de prestaties welke door de arbeiders verricht worden en kunnen worden. Van de zijde der technocraten wordt dikwijls in dit opzicht een wonderlijk spel gespeeld. Naast de machinale prestatiemogelijkheden, het aantal P.K., stelt men het aantal werkzame arbeiders.'Maar men vergeet, dat het aantal tewerkgestelden achteruit is gegaan, terwijl het aantal P.K. gelijk bleef. Men moet dus rekenen met het aantal arbeiders, dat in overeenstemming met het aantal P.K. werken kan. Daarbij komt nog, dat er een belangrijke wijziging is gekomen inde wijze van aandrijving der machines. Als een textielfabriek met algemene aandrijving omgebouwd wordt tot een fabriek met aandrijving per machine, wordt het machine-vermogevi opgevoerd, zonder dat het aantal arbeldersplaatsen groter wordt. Beter en juister is het daarom, zoals dr. Vander Waerden deed, niet het aantal arbeiders per P.K., maar het aantal arbeiders per eenheid afgeleverd product te berekenen. Dan ziet men de rationalisatie. Inde rijwielbranche b.v. is de productie per arbeivan 100 op 250 gestegen, inde constructie-werkplaatsen van 100 op 180, enz. Deze opdrijving van de arbeidsprestatie is na 1930 nog verder doorgevoerd. Nu is ook op de berekening van de prestatie per arbeider, bijv. door verbruikte materialen te berekenen, nog wel iets aan te merken. Inde electris'che bedrijven b.v. is het gewicht der motoren achteruitgegaan. Lichtere en kleinere motoren kunnen thans meerarbeid verrichten. Op deze gronden deugen de veelal in dit opzicht gebruikte cijfers niet meer. De hoeveelheid verbruikte materialen is daardoor ver minderd. Zo doorkruist de vermeerderde efficiency inde metaalindustrie de pogingen om vast te stellen hoe sterk de rationalisatie is. Inde stelling staat: rationalisatie inde metaal industrie kan tot vermindering van werkgelegenheid leiden. Er staat uitdrukkelijk kan, omdat door rationalisatie in sommige gevallen het product zóveel goedkoper wordt, dat er een stijging komt in de afzet. zó groot, dat geen werkgelegenheid wegvalt, doch deze nog toeneemt. Maar zeker kan rationalisatie ook een vermindering van werkgelegenheid meebrengen wanneer zij inde metaalindustrie geschiedt. Rationalisatie in andere bedrijven daarentegen brengt meestal werk mee voor de metaalindustrie. Zo is b.v. door dein gebruikneming van sigarenmachines het werk voor de sigarenmakers verminderd, voor de metaalbewerkers gestegen. Inde havens werden kranen en andere werktuigen tewerkgesteld, die het aantal havenarbeiders deden afnemen, maar de arbeidsmarkt voor de metaalbewerkers verruimden. Deze rationalisatie brengt over het algemeen meer werk mee voor de metaalindustrie. Van de rationalisatie in het vervoerwezen kan worden aangenomen, dat zij voor de metaalbewerkers meerarbeid heeft gebracht. Met de tonnenmaat en het verbruikte aantal kilo’s materialen alleen is dat echter alweer niet te meten. De capaciteit der scheepsruimte wordt ook vergroot door de vermeerderde snelheid van het vervoer. Schepen, die voorheen door mens of paard werden getrokken, worden nu door machines sneller voortbewogen. Gedurende de scherpe rationalisatie in een bedrijfstak, bijv. de binnenscheepvaart, ontstaat meer werk. Maar als deze rationalisatie is \oltooid, is het uit met de grote bedrijvigheid. Dan wordt alleen nog gewerkt voor de vervanging van versleten machines of schepen. Dat is eveneens met de huidige rationalisatie inde sigarenindustrie het geval. Ook daarom moet de rationalisatie worden beheerst en geordend om plotselinge schokken te voorkomen. Het grote werkenplan kan worden uitgevoerd. De 40-urenweek kan worden Ingevoerd. Dat kan landelijk geschieden. Maarde beheersing der rationalisatie zal met de internationale markt moeten rekenen. De door Vander Waerden geproduceerde cijfers wijzen uit, dat de meeste werkgelegenheid daar aanwezig was, waar het sterkst v/erd gerationaliseerd. (Maar thans is juist daar misschien ook de werkloosheid het grootst!) Daarom moet het tempo der rationalisatie aansluiten bij het internationale tempo. Van groot belang is, dat overal de drang opkomt tot beheersing van de industrle-uitbreiding. Want ook als de scheepsbouw in ons land b.v. zich specialiseert en tot beheersing en ordening komt, zal hij toch gedeeltelijk voor het buitenland moeten blijven produceren. Zo zal de gehele metaalindustrie in ons land steeds mede op de export blijven aangewezen. Daarom wil het Plande rationalisatie laten beheersen door de overheid via de bedrijfsschappen. Dat is niet het gemakkelijkste deel van het Plan. Want, zoals reeds gezegd, hier zijn wij niet vrij. Wel is veel te bereiken doordat wij tegenover de uitvoer van producten invoer van grondstoffen kunnen stellen. Maar het eindproduct, dat wij exporteren, moet zijn een product van superieure qualiteit en daardoor ontstaat nog nfeer de behoefte aan goed onderlegde en goed geschoolde arbeiders. Rationalisatie is geen kwaad, als gezorgd wordt voor een beheerst tempo en de overbodig geworden arbeiders in andere bedrijven ondergebracht kunnen worden. Is dat laatste niet mogelijk, dan dient gestreefd naar een geregelde werktijdvermindering en het verschaffen van meer vrije tijd, verdeeld over alle leden der maatschappij, langere leertijd der jongeren en meer vacantiedagen voor allen. Van rationalisatie is verhoogde productie te verwachten. Maar het zou dwaas zijn in ons land b.v. 500.000 arbeiders inde metaalindustrie tewerk te stellen als men met het product, dat zij geen weg weet, er geen afzetmogelijkheden voor kan vinden. Wij moeten ons ook bij de rationalisatie richten naar de behoeften der bevolking. De vraag is dus wat er nodig is via de productie van verbruiksgoederen van de metaalindustrie. Thans

geschiedt de uitbreiding der productie enkel en alleen uit het oogpunt van het winstbelang. Men vraagt alleen, kan uitbreiding en rationalisatie ons méér winsten brengen. Wij dienen de industrie op de behoefte aan gebruiks- en kapitaalgoederen in te stellen. Doen wij dat niet, dan zou er, ook nadat ordening en beheersing bereikt is, een diepe val weer mogelijk zijn. In spr.’s „negende stelling zegt hij, dat de industrialisatie, welke in ons Plan voorgesteld wordt, zowel direct werk voor de metaalindustrie betekent als een blijvende werkgelegenheid, omdat er voor een belangrijk aantal artikelen inde metaalnijverheid nieuwe fabrieken opgericht kunnen worden. Maar daarbij dient gewaarschuwd tegen onverantwoordelijke industrialisatie. Wij willen geen industrialisatie óm de industrialisatie. Het Plan geeft enkel theorie, is gezegd. Ja, maar wat wil men? Er is toch momenteel nog niet de mogelijkheid een lijst te maken van de fabrieken welke in ons land bestaansrecht zullen hebben. Wij hebben daar in het curatorium en het wetenschappelijk bureau lang en breed over beraadslaagd. Daarbij moesten wij tot het standpunt komen, dat de industrialisatie tot nu toe volledig onverantwoord is geschied. Er ontbreken voldoende gegevens en cijfers om te kunnen 'Zeggen, dit kan of dat kan. Daarvoor is nodig allereerst volledige kennis van dein- en uitvoer en de toestand van de binnenlandse markt. Die laatste kennen wij niet. Wij weten wel hoeveel machines b.v. worden in- en uitgevoerd, maar van wat in ons land geproduceerd wordt, in totaal, weten wij weinig. Van de scheepsbouw en de fabricage van rijwielen is wel iets bekend, maar ook hier ontbreken voldoende gegevens. Ook van het karakter der productie weten wij te weinig. Wij voeren steenkolen uit, die men in het buitenland voor speciale doeleinden kan gebruiken. Wij voeren steenkolen in, die hier met meer rentabiliteit aangewend kunnen worden dan die welke wij zelf hier delven. Maar van het verschillend karakter enz. weten wij niet voldoende. Ook de omvang van de fabrieken moet worden bekeken. Het is bijv. de vraag nu bij de uitbreiding van de telefoonnetten, of een eigen fabriek van telefoon-apparaten en onderdelen hier volledig bestaansrecht heeft. Zoiets dient onderzocht te worden. In het Plan is de aanduiding gegeven voor de noodzakelijkheid om dit tot inzicht te komen. Een onderzoek is voor dit doel geboden. Er is nog een grote Ijehoefte op de eigen markt, waarin door eigen productie kan worden voorzien. Daarnaast moet een behoorlijke vestigingswet in het leven worden geroepen. Spr. neemt als voorbeeld voor de noodzaak daarvan de oprichting van de eterniet-buizenfabrlek te Goor. Als deze slaagt, heeft zij te eniger tijd de concurrentie te vrezen van het particulier initiatief, dat een dergelijke fabriek sticht als het weet, dat in deze productie muziek zit. Daardoor ontstaat het gevaar van overproductie. Een tweede vraag, die besproken moet worden, is de terugloop van de invoer van eindfabrikaten bij industrialisatie. Als daardoor de uitvoer vermindert, moeten maatregelen worden beraamd, want dan is er iets dat niet deugt ingeslopen. De vermindering van de uitvoer kan bijv. meer werkgelegenheid kosten dan de industrialisatie opbrengt! Industrialisatie moet ook worden gezien vanuit internationaal verband. Het Zwitserse Plan b.v. beoogde de oprichting vaneen grote fabriek van radicartikelen. Wij hebben in het Nederlandse Plan niet voorgesteld een horlogefabricage. Wil Zwitserland zijn horloge-indüstrie, welke goeddeels op de üitvoer aangewezen is, handhaven, dan dient het invoer van andere artikelen mogelijk te maken. Wij kunnen dus het verband tussen in- en uitvoer niet verwaarlozen. Internationaal overles is noodzakelijk Nu moet aan de kwestie van in- en uitvoer ook weer niet een te grote waarde worden toegekend. Ook door invoer van grondstoffen kan de uitvoer van eindproducten worden gestimuleerd. Verschuivingen zijn steeds mogelijk. Als wij b.v., zeg aan de grens in Glanerbrug, een fabriek van textielmachines zouden oprichten, betekent dit dat wij minder van deze machines uit Duitsland zouden kunnen invoeren. De arbeiders in Glanerbrug zouden meer koopkracht dan voorheen krijgen. Als zij nu met hetgeen zij in deze fabriek verdienen, gedwongen werden in Duitsland hun inkopen te verrichten, zou het evenwicht tussen invoer en uitvoer gehandhaafd blijven! Wij zouden dan immers tegenover de verminderde invoer van textielïhachines meer grondstoffen invoeren en meer consumptie-artikelen voor de arbeiders en zo zou de overeenstemming en het verband tussen in- en uitvoer kunnen blijven gehandhaafd, terwijl toch méér Nederlanders werk vinden. Wij moeten dus wel nadrukkelijk in- en uitvoer van producten inde gaten houden, doch ons niet blind staren op de moeilijkheden. Spr. zegt, dat het goed zou zijn, dat in overleg met het hoofdbestuur van de Alg. Ned. Metaalbewerkersbond een rapport wordt opgesteld over de taak, die een économisch-technologisch instituut in de eerste fase van uitvoering van het Plan voor de metaalindustrie kan hebben. Spr. ontving van den bondssecretaris Oosterhoorn onlangs een lijst met de cijfers van in- en uitvoer, die bestudeerd zal worden. Maar dat is niet voldoende. Alles dient nader grondig te worden bekeken. Toen spr. zich voor deze inleiding voorbereidde en hij daarvoor de toestand in het metaalbedrijf nader onder de loupe nam, heeft spr. zich afgevraagd of het bedrijf in één enkel „metaalschap” zou zijn onder te brengen. Spr. heeft ingezien, dat dit niet mogelijk is. Er is veel differentiatie. Het bedrijf omvat de zware industrie, de scheepsbouw en ook de fijnere constructie- en mecaniciensarbeid. Dat alles kan niet in één metaalschap worden ondergebracht. De kleinere fabrieken en productietakken liepen gevaar van verwaarlozing. Eerst zullen de onderdelen geordend moeten worden, om dan later de geordende delen tot één geheel samen te kunnen voegen. Ook inde ordening moet orde zijn. Dat staat ook in verband met de internationale productie. Inde verschillende landen dient de ordening aangepakt te worden, om later het geheel te kunnen samenbrengen. Eerst dus orde inde onderdelen en daarna de centralisatie. Daarbij zullen wij met grensmoeilijkheden te kampen krijgen, maar spr. heeft gemerkt uit het stukje debat van het congres dat hij bijwoonde, dat men die inde Bond ook nu al kent. Ordening is noodzakelijk. Maar wij moeten bij ons zelf beginnen. Niet op de Colijnse wijze evenwel, Colijn ordent ook, maar zonder enig systeem en alleen dan als hij er niet meer aan ontkomen kan. Op gebrekkige wijze wordt nu hier dan daar enige orde gebracht. Op zichzelf kan daaraan maar weinig waarde worden toegekend. Wat „geordend” is in ons land, geschiedde hier en daar* broksgewijs en gebrekkig. Als men werkelijk ordenen wil. moet, dat geschieden met gebruikmaking vaneen crisis-politiek inde richting die het Plan van de Arbeid aangeeft Er moet derhalve in ons land een regering komen, die uit beginsel ordenen wil en die ordening in wetten vast wil leggen. Als gij, metaalbewerkers, daarvan het belang

Sluiten