Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fflfll ?$. U ktL <2k.

Waf moet er des winters met mijn boot gebeuren? (Slot)

Wanneer de verflaag te dik en oud of gebarsten is, moet ook deze verwijderd worden. Hoe men dit precies door middel vaneen brander en het daartoe bestemde steekmes doet, laten onkundigen zich het beste demonstreren. Een beschrijving zou te weinig practisch effect sorteren. In het algemeen kan gezegd worden, dat de verflaag door de vlam plaatselijk verhit wordt en daar week Wordt en bladdert. Op welk moment men dan precies door middel vaneen stekende beweging de verflaag van het hout schaaft, moet men inde practijk leren. Verwarmt men te lang, dan komen er brandplekken in het hout; verwarmt men te kort, dan gaat de verflaag niet mee. Is alle verf verwijderd met mes en krabben, dan schuurt men hierna met grof, middel en fijn houtschuurpapier. Als eerste laag kieze men dan bijv. een grijze grondverf en verft hiermee alle te schilderen delen gelijkmatig in. Met een puimsteen wrijft men dan de juist opgebrachte verf goed in het hout. Nu natuurlijk zonder water te gebruiken. Is de laag droog geworden, dan bewerkt men de ruwe plekken met plamuur. Is deze droog dan volgt een tweede laag verf, maar nu inde kleur Welke die plaats uiteindelijk zal hebben. Deze laag dadelijk na het op – brengen weer puimen zonder water. Is de laag droog, dan wordt ze met puimsteen en water goed glad geschuurd en daarna als de dekking nog niet voldoende is nog eens gegrond, of, als dit wel het geval is, wordt de dekverf aangebracht. Deze niet puimen. In ’t algemeen liever niet meer dan twee keer gronden. Hoofdbreken kost het sommigen de waterlijn op de goede plaats aan te brengen. Toch is hiervoor een heel eenvoudig middeltje. De boot wordt goed horizontaal (zowel inde lengte als inde breedte) opgeblokt, terwijl men voor men de boot uit het water haalde op voor- en achtersteven een merkteken op de plaats van de waterlijn aanbracht. Men plaatst nu op de hoogte van die merktekens loodrecht op het midscheepse vlak twee horizontale latten. Over die latten hangt men een touw, dat aan de uiteinden bezwaard is met een flinke steen, zodat het goed strak hangt. Dit touw hangt dus overal precies op de hoogte van de waterlijn. Door het touw op de ene lat naar buiten en op de andere naar binnen Toepassingsgebied van de foto-electrische cel In combinatie met een lampversterker en een z.g. lichtrelais is de fotocel reeds voor vele doeleinden dienstbaar gemaakt. We noemen hiervan: deurbediening, beveiligingsinrichting voor machines, reclameverlichtingen, niveau-aanwijzing (vloeistoffen, graan, kolen, etc.), rookaankondiging (brand), bediening van vulmachines, weegbruggen, walsbedrijf, sorteermachines, toerentellers en andere telapparaten voor de meest uiteenlopende doeleinden, nauwkeurige tijdopnemingen, zoals bij: autoraces, snelhéidsmetingen bij schietwapens, onderzoekingen van het ontstekingsproces in verbrandingsmotoren, etc. j. s.

te schuiven kan men over de gehele lengte van het schip de plaats van de waterlijn goed aangeven. Wil men op de hoogte van de waterlijn een horizontale band aanbrengen, dan is het slechts nodig de horizontale latten ter breedte van de band hoger aan te brengen en weer net zo te handelen als hierboven aangegeven voor de waterlijn, om de bovenrand op het schip af te tekenen. Het onderwaterschip wordt eerst met epn driekante schraper schoongeschraapt om het van alle aangroeisel te bevrijden. Wat men er daarna opsmeert hangt sterk van traditie en portemonnaie af. Het goedkoopste en voor ronde en platbodem jachten zeer in zwang is het bewerken met koolteer, die aangebracht wordt met een zgn. bokkepootkwast, nadat de teer eerst licht verwarmd is om haar beter vloeibaar te maken. Dit is een zeer goedkope methode. Voor een paar dubbeltjes smeert men het hele onderwaterschip vol. Het groeit echter wel aan, zodat het lang niet gek is ongeveer midden in het zeilseizoen het schip weer eens te hellingen, schoon te maken en nog eens te koolteren. Wees heel voorzichtig met het aanbrengen op de plaats waar koolteer en verf aan elkaar grenzen. Houdt hier ieder „binnen zijn perken”, want als koolteer en verf door elkaar komen, ontstaat er een vies niet drogend papje. Duurder is het schilderen met de zgn. aangroeiwerende-onderwaterverf. In dat geval moet de huid eerst gemenied worden. Bij sommige onderwaterverven is dit niet nodig. Dit wordt dan wel buiten op de bus aangegeven en komt alleen onder de dure soorten voor. Ook onderwaterverf groeit echter de ene soort meer, de andere minder, op de duur toch aan. Ook hier dus zo nodig weer eens midden in het seizoen hellingen. Men behoeft bij sommige onderwaterverven niet te wachten tot de verf droog is, maar kan de boot een half uur na het schilderen weer te water laten. Het „droogt” dan wel onder water. Dit geldt trouwens ook bij het opnieuw koolteren. In het begin laat men dan wel een kleurig kielzog van oliedruppels na, maar dit hindert niet. Pas echter op in het begin niet met het onderwaterschip ergens tegen op te lopen, daar het onderste schip dan weer handig wordt schoongeveegd. Duur, maar zeer aangroeiwerend is het bewerken met zg. bronze-bottompaint. Deze wordt op de blanke huid aangebracht. Enige dunne lagen, die ieder na drogen eerst weer geschuurd worden. Vooral wedstrijdvaartuigen worden hiermede bewerkt. Wanneer de lak- en verflaag nog vrij goed zijn en alleen wat opfrissing behoeven, behoeft men deze hele, langdurige schraperij niet toe te passen, maar schuurt men goed af met grof, middel of fijn schuurpapier en daarna weer met puimsteen en water. Hierna brengt men dan op de normale wijze een a twee keer lak of een keer dekverf aan. Met het binnenwerk, zwaarden, roer, rondhout handele men op dezelfde wijze. Bij het schrapen van het rondhout moet men zeer voorzichtig te werk gaan en nauwkeurig met de draad meeschrapen om geen grote schilfers af te trekken. Glas is hier wel beter op zijn plaats dan een grove schraper. Pas vooral op inde buurt vaneen knoest. De binnenkant van het schip onder de vloertjes wordt meestal inde menie gezet. Het ijzerwerk wordt afgebikt, goed gemenied en daarna verzilverd of geschilderd, al naarmate de schepper

van al dat schoons zijn aesthetisch gevoel wil uiten. Het zich houden aan algemeen geldende normen en tradities is in het algemeen en zeker op het water, niet kwaad. De thuis uitgepeinsde, tere kleurencombinaties doen het in het algemeen slechter op het water dan de algemeen geldende „standaardcombinaties”. Is de boot eenmaal geheel afgeverfd en gepoetst, dan breekt er een moeilijke tijd aan voor den adspirantvaarder. Nu verwisselt men de verfen lakkwasten voor een ontzettend grote mond en begint lederen booteigenaar, die een schip heeft liggen tussen de eigen boot en de deur, die toegang geeft tot het natte element, tot grote spoed aan te manen en om de vijf minuten te vragen, of hij nu nog niet naar buiten gaat. Deze weken van wachten met een vaarklaar schip op hinderlijke luilakken die te laat zijn begonnen, zijnde zwaarste van het gehele winterseizoen. Daarom: ga steeds laat inde loods inde winterberging, dan bent u er ook vlug weer uit. Om zich de tijd te korten kijkt men thuis maar eens nauwkeurig al het touw op mogelijke zwakke plekken en losgeraakte splitsen na. Heel goed is ook alle touwwerk om te scheren, zodat de halende part in het nieuwe seizoen de hijsende part wordt. Of het staaldraad nog goed is, ziet men door het over de gehele lengte stukje voor stukje om te buigen en te controleren of er daarbij misschien roestige draden springen. Alle blokken en schijven worden goed ingevet en gelakt. Verder zie men na of de lijken nog goed bevestigd zijn aan de zeilen. Was de zeilen echter alleen wanneer dit hoognodig is. De kwaliteit en winddichtheid gaan er steeds sterk door achteruit.

Inde tijd dat al deze kleine karweitjes opgeknapt worden, kan de nieuwe verf en lak van het schip goed drogen. Kan men drie weken wachten alvorens het schip te water gaat, zoveel te beter. In het begin is de verf en lak toch nog zeer teer en bij wat schrammen en stoten snel beschadigd. Is eenmaal het grote moment daar, dan tij g e men van cigaretten voorzien naar de loods, chartere wat buurlieden en heisa-hopsa gaat de schuit te water. Tijd om dit eens rustig te bewonderen heeft men niet, want de boot zal lek blijken te zijn. Vooral eikenhouten boten lijden aan dit euvel. De reden hiervan is, dat de huidgangen door het lang droog staan gekrompen zijn en nu eerst weer moeten uitzetten. Een kieljachtje wordt daarom snel naar zijn plaats gebracht en daar worden een paar touwen onder de boot doorgehaald, zodat de boot niet verder dan tot het gangboord te water gaat. Anders heeft men kans, dat men duiken moet om zijn boot op de bodem van de vaart op te kunnen scharrelen. Niet geballaste, ronde of platbodem jachtjes blijven wel drijven natuurlijk. Wanneer de boot zo een dagje half verdronken heeft gelegen, is hij wel weer waterdicht en kan worden leeggeschept, waarna alle onderdelen er weer aangehangen worden. Meestal zal men wel ieder jaar een nieuwe zwaardval nodig hebben. Zie toe of de kurkezakjes geen vernieuwing behoeven. Voordat het voornaamste stuk, de mast, aan boord gaat, moeten eerst alle vallen en stagen ingepikt en bevestigd worden. Haakblokken (de blokken die niet met een harpje doch met een vaste haak bevestigd worden) prikke men steeds zo in, dat het achtereind van de haak naar de mast toe ziet. Het anders inpikken is ten eerste niet „safe” en staat ten tweede zeer dom. Hiermede is dan ons werk afgelopen. We kunnen plaatsnemen in ons kunstwerk, de zeilen hijsen, aan de mast krabben om wind en wegzeilen, ons geestelijk vaderhart zwellend van trots over ons kunstwerk. O. de B.

Sluiten