is toegevoegd aan uw favorieten.

De metaalbewerker; orgaan van de Metaalbewerkersbond in Nederland, jrg 44, 1937, no 25, 04-12-1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doorbranden van gloeilampen bij automobielen Toen wij een dezer dagen op een grote verkeersweg een wagen aantroffen, waarvan zowel van de belde koplampen als van het achterlicht de gloeilampen waren doorgebrand, besloten wij in De Metaalbewerker eens In het kort iets over deze aangelegenheid mede te delen. Voor de zoveelste maal hoorden wij beweren, dat de lampen waren doorgeslagen, omdat er „ergens” kortsluiting was ontstaan inde leiding, waardoor de enige aanwezige zekering was doorgeslagen. De betrokken autobestuurder stond het geval met een effen gezicht uitte leggen aan een collega, die was uitgestapt om hem te helpen en het volkomen begreep. Nu was dit de komische zijde van het geval, want ze waren er beiden volkomen naast. Er was geen kortsluiting inde electrische installatie, er was alleen een klem van de batterij losgeraakt. Wel werden wij enigzins meewarig aangekeken, toen wij deze mogelijkheid opperden, maar omdat de motor ook niet meer wilde starten, werd de voetplank opgelicht en ja, het was zo, de massakabel was met de klem, in ons schema met 2 aangeduid, van de batterijnok afgeschoten. Tot zover de nuchtere opsomming van het gebeurde en nu aan ons te trachten, u het hoe en waarom van deze storing, die nog wel eens voorkomt, uiteen te zetten. Gemakshalve geven wij dan een principeschema vaneen eenvoudige autoverlichtings-installatie, waarin alle nuttige, doch hier niet van belang zijnde onderdelen, zijn weggelaten. In het kort weergegeven is de werkingswijze van de installatie aldus. Bij stilstand van de motor is er steeds electrische stroom beschikbaar van de batterij, die bij het merendeel der tegenwoordige wagens een spanning heeft van 6 Volt.

De gehele installatie is z.g. enkelpollg uitgevoerd, d.w.z., dat voor alle verbruikers slechts één geïsoleerde draad wordt gebezigd, terwijl de metaalmassa van de wagen, kortweg „massa” genoemd, als tweede pool van de installatie optreedt. We kennen dit allen van de rijwielverlichting. Schakelen wij met de lichtschakelaar L de verlichting in, dan zou de stroom bij 3 uit de batterij kiem kunnen treden, via de Ampèremeter en de zekering Z naar de lampen stromen én omdat de garnituren hiervan aan de massa verbonden zijn, hierdoor terugstromen naar de klem 1 van de z.g, massakabel, inde batterij terug, (ook kan de stroomrichting juist andersom zijn, wat hier echter niet ter zake doet). De stand van de lichtschakelaar bepaalt welke lampen zullen branden

en als regel is de inrichting zo, dat met één enkele beweging van de schakelaar tegelijkertijd de koplampen en het achterlicht worden ontstoken. Dit is een logische uitvoering, omdat bij een rijdende wagen beiden licht behoren te geven. Kortsluiting Wat is de betekenis van deze vaak misbruikte vakterm? Eenvoudig deze: ineen electrische geleiding ontstaat kortsluiting, indien de weerstand in die kring oneindig of althans zeer klein wordt. Stel u voor, dat de lichtkabel D tussen de lichtschakelaar en de koplampen eens ergens inde knel geraakte, b.v. op een plaats, waar de kabel uit de carrosserieromp steekt en naar de lamp voert. Dergelijke doorgangen worden meestal vaneen gummimof voorzien, doch als deze op de duur doorschuurt, is er kans, dat ook de isolatie van de kabel beschadigd wordt. Raakt nu de koperen kern van de kabel op de blank geschuurde plaats K het ijzer van de carrosserie of het chassis dan treedt er kortsluiting op. Uit de ligging van de kabel kan men onmiddellijk zien, dat de stroom, die van de lichtschakelaar L naar de leiding D stroomt, ook (en vooral) door K zijn weg zal vinden naar de massa, dus terug naar de batterij. Nemen wij eens aan, dat elke gloeilamp in één der koplampen een stroom verbruikt van 6 Amp., dan bedraagt de stroomsterkte inde kabel L—-D dus 12 Amp. Verbruikt het achterlicht 0,3 Amp., dan is de zekering belast met 12,3 Amp. Om veilig te zijn kiest men in zo’n geval een zekering van 20 Amp. Ontstaat er echter kortsluiting, b.v. bij K, dan gaat er doordat punt een zeer hoge stroom, misschien wel 20 a 30 Amp.; dat hangt af van het aanrakingsoppervlak van kabel en massa en de doorsnede van de kabelkern. In elk geval wordt echter de zekering overbelast: bet smeltdraadje

daarin wordt te heet en smelt door. Natuurlijk „zitten” we nu zonder licht, maarde gloeilampen zijn in tact gebleven: de hoge stroom is geheel „buiten de lampen om” gegaan. (Vanzelfsprekend geeft het geen zier, of we er een nieuwe zekering in zetten, zolang niet de isolatiefout bij K is gevonden en verholpen). Gloeilampen branden alleen door, als de spanning te hoog wordt. De oorzaak van de storing, die aanleiding gaf tot dit artikel, ligt dan ook ergens anders. Zoals we in het schema zien, wordt de batterij behalve met de verlichting ook verbonden met de dynamo. Op de dynamo bevindt zich een automatische schakelaar A, welke zo is afgesteld, dat hij de dynamo met de batterij verbindt, zodra de wagensnelheid meer dan 20 km. per urn: bedraagt en deze verbinding weer ver-

breekt, als de wagen langzamer rijdt, of wel als de motor slechts een gering aantal omwentelingen maakt (z.g. stationnair draait). In het algemeen zal de electrische spanning van de dynamo oplopen, naar mate de snelheid van de wagen toeneemt. Dit is echter slechts in geringe mate het geval, zolang de dynamo maar inde gelegenheid is de geproduceerde stroom af te geven aan de batterij. De minimum spanning in de installatie is dan 6 Volt en de maximum spanning ongeveer 8- Volt. Deze variatie is geen bezwaar, omdat de gloeilampen daarop berekend zijn (zie aanduiding op de lampen 6—B Volt). Geheel anders wordt echter de situatie indien één der klemmen 1 tot en met 5 losraakt, b.v. door trillen van de wagen op een slechte weg. De meeste dynamo’s bezitten n.l. geen speciale spanningsregeling en zo kan hét gebeuren, dat de spanning, in plaats van ten hoogste 8 V. oploopt tot 15 a 20 Volt, zodra de verbinding dynamo-batterij, hoe dan ook, verloren gaat. Denkt u deze toestand eens even in. De wagen rijdt snel, de dynamo maakt veel toeren en heeft een hoge spanning. De opgewekte stroom kan niet gedeeltelijk naar de batterij „ontwijken”, omdat er een verbinding is losgeraakt en kan dus alleen door de lampen stromen. Neem aan, dat de spanning oploopt tot 16 Volt, dit is 2 x zo hoog als

normaal, dan is ook de stroom, die door de lampen gaat 2 X zo hoog, zodat de gloeidraadjes een moment veel te hel licht geven, doch binnen een paar seconden doorbranden, En hier vindt u de oplossing van het geval: door de hoge spanning en stroom smelten de gloeidraden inde lampen, maar tegelijk verbrandt ook het zekeringdraadje door overbelasting. Dit is het ergste wat ons onderweg gebeuren kan, maar ook zonder dit uiterste kan de spanning wel zo hoog oplopen, dat onze gloeilampen ontijdig zwart branden, n.l. als de klemmen 1,2, 3,4 of 5 nog wel vast zitten, doch zo geoxydeerd zijn, dat ze een „overgangsweerstand” vormen, die een normale stroomdoorgang belemmert. Natuurlijk is een te hoge spanning ook nadelig voor de overige verbruikers en in het bijzonder voor de bedrijfszekerheid van de batterij-ontsteking. Conclusie: zorg bij automobielen, dat de klemmen aan de batterij niet oxyderen. Maak de nokken goed schoon met een staalborstel, schuur de klemmen inwendig blank, smeer beide in met een weinig vaseline of dikke motorolie en monteer ze dan, er voor zorgend, dat de klemboutjes vast aangehaald worden. Zet ook de andere verbindingen, zoals aan de massakabel en de Ampèremeter, stevig vast en u zult geen last hebben van doorgebrande lampen. n.

Air-conditioning Air-conditioning is in het kort het behandelen van lucht, met het doel in een ruimte een bepaalde temperatuur, vochtigheidsgraad, zuiverheid en stroming te verkrijgen. Het doel kan zijn een aangename en gezonde atmospheer te scheppen voor degenen, die in deze ruimte verblijven; maar ook het verkrijgen van zulke klimatologische omstandigheden, als voor een bepaald fabricatie-proces nodig zijn. De meningen omtrent de voorwaarden, waaraan de lucht ineen bepaalde ruimte moet voldoen om het verblijf aangenaam te maken, lopen inde practijk nogal uiteen. Het is niet alleen een kwestie van temperatuur, daar tussen vochtigheidsgraad en temperatuur een zeer nauw verband bestaat. Wanneer b.v. ineen ruimte een hoge temperatuur heerst, terwijl de vochtigheid zeer laag is, dan zal de indruk van warmte, die iemand in deze ruimte ondervindt, toch niet hoger zijn dan die, welke dezelfde persoon zou ondervinden ineen ruimte met veel lagere temperatuur, maar met een hoge vochtigheidsgraad. De verklaring van dit verschijnsel is daarin gelegen, dat de droge lucht inde warme ruimte gelegenheid geeft tot snelle verdamping van vocht uit het menselijk lichaam, waardoor de huid vrij sterk wordt afgekoeld. In de ruimte met lage temperatuur belet de hoge vochtigheidsgraad vrijwel iedere verdamping, waardoor afkoeling van de huid wordt voorkomen en eerder een gevoel van warmte ontstaat. Om dezelfde redenen krijgt men in een vertrek, waarin de lucht in vrij sterke beweging is, minder gauw de Indruk vaneen hoge temperatuur, dan wanneer men zich te midden van stilstaande lucht bevindt. Door de beweging komt telkens verse lucht met de huid inaanraking. Deze lucht kan dan weer een zekere hoeveelheid vocht opnemen. Blijft de lucht om een bepaalde persoon in rust, dan zal spoedig de lucht in zijn naaste omgeving met vocht verzadigd zijn, waardoor geen verdere verdamping kan plaats vinden en een gevoel van warmte ontstaat. Het ideaal is binnenshuis een atmospheer te scheppen, die overeeu-

komt met die vaneen warme lentedag, hetgeen In onze streken ongeveer overeenkomt met een temperatuur van ca. 18 gr. C. en een relatieve vochtigheid van ca. 70 %. Daarbij is een ruime toevoer van zuivere frisse lucht nodig, ten einde de indruk te geven van luchtverversing zonder trek. Daarbij komt inde winter de noodzakelijkheid de lucht te verwarmen, terwijl des zomers eventueel koeling van de lucht gewenst is. De vochtigheidsgraad moet daarbij steeds aan de omstandigheden worden aangepast. ' Bij fabricatie-processen gaat het minder om comfort dan wel om het verkrijgen vaneen maximum hoeveelheid producten van gelijke kwaliteit. Daarom is air-conditioning noodzakelijk voor het produceren van eetwaren, textielgoederen, tabak, bieren veel andere artikelen. Het is niet mogelijk vaste algemene regelen te geven; ieder product of artikel stelt zijn eigen eisen. Slechts een specialist met jarenlange ervaring is in staat de voorwaarden, waaraan moet worden voldaan, In elk speciaal geval op de juiste waarde te schatten. De techniek op het gebied van airconditioning is thans reeds zover gevorderd, dat de vereiste condities geheel automatisch kunnen worden onderhouden. De toestellen, die hiervoor gebruikt worden, zijn inde eerste plaats luchtverhitters of luchtkoelers, die door middel van stoom, gas of op een andere wijze worden verhit of door water worden gekoeld. Inde tweede plaats filters van het natte of het droge type, die de aangezogen lucht van de daarin aanwezige onzuiverheden ontdoen. Inde derde plaats een toestel om, indien nodig, vocht aan de lucht toe te voegen. Ten vierde een ventilator, om de behandelde lucht inde ruimten te voeren, waarin ze nodig is. Deze toestellen kunnen separaat opgesteld worden in verschillende volgorde, maar ook tot één complete eenheid samengebouwd worden. Diverse ingebouwde thermostaten, vochtigheidsmeters, enz., zorgen er voor, dat de af geleverde lucht doorlopend voldoet aan de gestelde voorwaarden. H.

Eenvoudig schakelschema automobielverlichting A.L achterlicht, S.L stoplicht, S.S. stoplichtschakelaar bewogen door rempedaal, G groot licht, D dimlicht, P parkeerlicht, A automatische schakelaar, I—6 aansluitklemmen, Z zekering, b.v. 20 Amp.