Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OnJm SRj3t&2/cdjocm&e Jumboi^ongajdb/tü<o.

De met het bestuur van de Metaalbond tot dusverre gevoerde onderhandelingen Inzake verbetering van de arbeidsvoorwaarden van bij zijn leden in dienst zijnde werklieden, hebben een dusdanig verloop genomen, dat de samenwerkende bonden wel genoodzaakt waren een beroep te doen op de activiteit van hun bij deze actie betrokken leden. Er waste dien opzichte tussen de besturen van onze Bond en die van de R.K. en Prot. Chr. bonden volledige overeenstemming. Voorlopig hebben wij ons beperkt tot de voornaamste plaatsen, Amsterdam, Rotterdam en Schiedam. De brandpunten dus van onze metaalindustrie. Wij zullen het hier uitsluitend hebben over de Rotterdamse vergadering, welke op Zaterdag 22 Januari inde Koopmansbeurs is gehouden. Wij doen dat, omdat deze vergadering zo kenmerkend was voor de Rotterdamse mentaliteit. Tegelijk met ons vergaderden, elders inde stad, de besturen van de beide andere bonden met hun leden. Wij beperken ons hier evenwel tot een beschouwing van onze eigen vergadering, die door het bondsbestuur zelf was uitgeschreven. Uitgenodigd waren de leden van de afdelingen Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en

van nog enkele omliggende afdelingen, maar uitsluitend diegenen, welke ineen der bij de Metaalbond aangesloten Rotterdamse of Schiedamse bedrijven werkzaam zijn. Elk lid dat toegang wenste, moest daartoe naast zijn bondsboekje ook nog z'n laatste loonzakje of zijn z.g. wandelbriefje vertonen. Want er zou van de bijeengekomenen een hoogst belangrijke beslissing gevraagd worden en dus moesten wij zekerheid hebben, dat uitsluitend direct belanghebbenden aanwezig waren. Geen werkloze leden dus of leden die niet bij de betrokken ondernemingen werkzaam waren. Ofschoon wij er voor ons zelf wel van overtuigd waren, dat deze vergadering zou slagen, heeft de opkomst ons toch nog verrast. Toen de voorzitter Jan Wacht te kwart over vijf de vergadering opende, was de grote hal van het beursgebouw geheel bezet. Er kon en er mocht dat laatste vanwege de voorschriften van de autoriteiten geen mens meer bij. En door de getroffen maatregelen, wisten wij nauwkeurig hoeveel er aanwezig waren. Er stonden, man tegen man, 3.400 personen, die in grote rust en kalmte luisterden naar hetgeen de bondsvoorzitter v.d. Born hen te zeggen had. Gelukkig voor hem, én voor de luisterenden, was er een geluidsinstal-

latie aangebracht, zodai gesproken woorden tot inde uiterste hoeken goed waren te verstaan. Van den Born beperkte zich tot een beknopte, maar duidelijke uiteenzetting en liet daarbij voornamelijk het licht vallen op de tot heden vruchteloos gebleven pogingen om het bestuur van de Metaalbond te bewegen iets ten gunste van de werklieden te doen. Of neen, tot iets waren de werkgevers-onderhandelaars toch wél , bereid, zij 't ook onder zekere voorwaarden. Een week vacantie wilde men wel toezeggen, maar voor wat Rotterdam betrof met inbegrip van de Koninginnedag. Echt Rotterdam op z'n smalst.. . Aan het slot van z'n rede heeft v.d. Born een soort van resolutie voorgelezen, waarvan wij, om niet al te uitvoerig te worden de eerste en de laatste alinea zullen citeren. Zij luiden: De vergadering, gehouden op 22 Jan. 1938, onder leiding van enz., enz. Machtigt het bestuur van de Bond om in overleg met de besturen van de beide andere samenwerkende bonden alle maatregelen te nemen, die nodig zijn voor het welslagen van de actie, zo nodig eveneens tot het stellen vaneen ultimatum aan de Metaalbond. Dein het Beursgebouw aanwezige menigte heeft met algemene instemming en onder luid applaus de gevraagde machtiging verleend. Jan Wacht heeft daarna de bijeenkomst gesloten, waarna de duizenden zich naar de uitgangen begaven en het gebouw leegstroomde. De rust en kalme waardigheid welke deze massale bijeenkomst beheersten, waren welsprekend voor het karakter daarvan. Zij was overweldigend in velerlei opzicht en de bondsmakkers van Rotterdam en Schiedam hebben

De toestand van onze scheepsbouw

De redacties van Het Schip en van Schip en Werf, organen gewijd aan de belangen van scheepvaart en scheepsbouw, geven beiden inde eerstverschenen nummers van 1938 hun oordeel omtrent de toestand van deze beide nauwverwante bedrijven. De redactie van Schip en Werf schrijft 0.a.; „Terugblikkend, kunnen wij niet anders dan constateren: „1937 was voor de Nederlandse scheepvaart en scheepsbouw een goed jaar.” Onze fabrieken en werven waren volop van werk voorzien terwijl de aanverwante bedrijven hiervan mede profiteerden. De opleving, die zich vóór het einde van 1936 aandiende, heeft zich in 1937 geaccentueerd. Dit heeft de scheepvaart- en scheepsbouwwereld een flinke ruggesteun gegeven en wij hopen gaarne, dat de tegenwoordige toestand lang mag bestendigd blijven. Er moet nog veel achterstand worden ingehaald.” Dat zijn zo van die regelen, vast en zeker geschreven ineen nogal bemoedigende bui van voldaanheid. Nou ja, d’r valt altijd wel wó,t te klagen. De boeren hebben wat dit betreft de naam, maar 'zij zijn heus de enigen niet. De profeet Jeremia heeft z’n geestelijke nazaten in alle

kringen en door alle tijden. De redactie van Schip en Werf is minstens genomen met betrekking tot de naaste toekomst niet zonder hoop en vertrouwen en dat zegt al heel veel. Intussen is de redactie van Het Schip, gewoon als zij is, in het eerste nummer vaneen nieuw jaar een „jaarlijks overzicht” te schrijven, heel wat uitvoeriger. Zij is ook wat minder gedecideerd, wat voorzichtiger. Maar ook dat zijn wij van haar gewoon. Zij vangt haar overzicht aldus aan: „Het jaar 1937 is voor de scheepvaart en voor de scheepsbouw een goed jaar geweest, een jaar, waarin allen, die in deze takken van nijverheid betrokken zijn, eindelijk eens herademen konden na een lange periode van ongekende zorgen, van schulden maken en niet verdienen, van moordende concurrentie en steeds doorgaande versobering, welke toch geen uiteindelijke redding kon brengen.” O zo, dat kan de heer Colijn zich voor gezegd houden; „steeds doorgaande versobering, dietochgeenreddingkonbreng en.” ’t Kan z’n nut hebben, dat de deskundige redactie van zulk een belangrijk vakblad als Het

Schip is, ook eens ronduit haar veroordelend vonnis over de practische resultaten van de politiek van aanpassing uitspreekt. Overigens ook hier het getuigenis, dat 1937 een goed jaar is geweest. Het wel en wee van scheepvaart en scheepsbouw is nauw aan elkander verbonden. Over het eerste, de scheepvaart, laat de redactie zich aldus uit: „Wanneer wijde toestand der Nederlandse scheepvaart resumeren, kunnen wij constateren, dat 1937 een voordelig, voor verschillende rederijen zelfs een bovenmatig voordelig jaar was en dat de vooruitzichten voor 1938 twijfelachtig zijn.” De redactie bespreekt dan verder de vooruitzichten van de Nederlandse scheepsbouw en merkt op, dat deze een vertraagde afspiegeling van de toestand van de scheepvaart te zien geeft. Zij wil er mee zeggen, dat de scheepsbouw eerst weer tot opleving kan komen, nadat de scheepvaart haar in opleving is voorgegaan. ’tZou verstandig geweest zijn van de rederijen, indien zij tijdens de crisis nieuwe schepen hadden laten bouwen. Want met een goed voorziene, moderne uitgeruste vloot, zouden zij in dat geval nog veel meer profijt van de opleving getrokken hebben. En de scheepsbouwondernemingen zouden in

Sluiten