Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tüf Kullek

Batterij-ontsteking bij automobiel motoren

Onder verwijzing naar ons vorig artikel ' (12 Maart 1938) willen wij aan de hand van fig. 4 nog even in het kort het schema vaneen ontstekingsinstallatie voor een 6-cylinder-motor verklaren.

Wanneer de ontstekingsschakelaar het z.g. „contact” op het instrumentenbord van de wagen ingeschakeld wordt, stroomt er een stroom van ongeveer 4 ampère van de batterij 4, door de ampèremeter 5 en het contact 6 door de bobine 7. Deze primaire stroom treedt bij PI inde primaire wikkeling van de bobine en verlaat deze door P2, vanwaar ze naar de onderbreker geleid wordt, die de stroom via een hamercontact doorlaat naar de massa, waardoor de stroom terugstroomt naar de andere pool van de batterij, die eveneens „massa” maakt. De primaire stroom bekrachtigt in de bobine een ijzeren kern, produceert dus een electromagneet. Zodra één der hamercontacten

opent, schakelt dit de primaire stroom uit; het magnetische veld verdwijnt plotseling en daardoor ontstaat een krachtige stroomstoot inde secundaire wikkeling. Deze secundairs wikkeling van de bobine „begint” bij het

einde van de primaire en „eindigt” in de voedingskabel s, die verbonden wordt met het centrale contact inde stroomverdeler. Op de as van de stroomverdeler bevindt zich een geïsoleerde rotor (verdelerarm), waarop een veertje is aangebracht, welke de stroom geleidt naar één der inde wand van de verdeelkap aangebrachte koperen segmenten. Deze segmenten worden verbonden met de bougiekabels. De onderbreker dient nu om het moment van ontsteken te bepalen, terwijl de verdeler zorgt, dat de opgewekte hoogspanningstroompjes op het juiste moment ineen der bougies een vonk doen ontstaan. Bij het instellen van de stroomverdeler aan de motor moeten steeds

twee functies afzonderlijk geregeld worden, nl.: 1. de onderbrekëthamer moet openen op het moment, dat er ineen der cylinders een ontstekingsvonk moet overspringen; 2. de bougiekabels moeten aan de segmenten inde stroomverdeler gekoppeld worden inde volgorde, bepaald door de draairichting van de rotor en de ontstekinsvolgorde van de motor. In figuur 4 zien wij een z.g. dubbele onderbreker, nl. met twee hamertjes. Ze worden dooreen driekante nok om beurten gelicht (6-cylindermotor). Automatische verstelling van het ontstekingsmoment Bij een explosiemotor wordt het gasmengsel ontstoken als de zuiger het mengsel gecomprimeerd heeft. Daar automobielmotoren vrijwel steeds verticaal , uitgevoerd worden, moet de vonk inde betrokken cyllnder overspringen als de kruk verticaal staat en wel aan het einde van de compressieslag. Inderdaad is dit juist, wanneer de motor aangezet wordt; doch zodra de motor draait en het tijdsdeel, gedurende welke de zuiger in het dode punt stilstaat, korter wordt, is er minder tijd beschikbaar om het gecomprimeerde gasmengsel te laten verbranden. Om nu zeker te zijn, dat het gasmengsel zo volledig mogelijk verbrandt en uit de aanwezige brandstof een zo hoog mogelijke drukte doen ontstaan, moet bij een

draaiende motor de ontstekingsvonk reeds overspringen, vóór dat de zuiger in zijn hoogste stand komt. Anders gezegd, een draaiende explosiemotor moet een zekere voorontsteking hebben. Automobiel-motoren hebben een maximum voorontsteking, die, naar gelang van het toerental en de constructie van de motor, varieert van 30° tot 50°, gemeten op de krukas. Inde tijd, dat de krukas deze hoek aflegt, heeft het gasmengsel gelegenheid te verbranden. Tijdens het aanslaan van de motor, als deze dan nog slechts langzaam draait, mag de ontsteking echter niet voor het dode puntplaats hebben, daar dan de motor zou terugslaan (gevaarlijk bij gebruik vaneen aanzetslinger, nadelig bij aanwezigheid vaneen startmotor). Het is daarom noodzakelijk, dat het moment van ontsteken verstelbaar is. Bij het starten zet men de ontsteking op laat (z.g. na-ontsteking), tijdens het draaien van de motor vervroegt men het moment van vonken (z.g. voorontsteking geven).

Bij motorrijwielen kan de bestuurder de ontsteking zelf regelen, nl. door middel vaneen manette op het stuur. De juiste bediening hiervan moet hij dus leren, wat op zich zelf zeer eenvoudig is. Vroeger (nu alleen bij oudere wagens) moest ook de autobestuurder „goochelen” met de ontsteklngsmanette, maar sinds vele jaren geschiedt dit automatisch. Vele autobestuurders zijn nauwelijks bewust van het bestaan vaneen dergelijke automaat, die toch voor een economisch gebruik van de wagen buitengewoon belangrijk is. Centrifugaal-ontstekings-versteller De meest bekende automatische ontstekingsvervroeger is in principe weergegeven in figuur 5, De as A van de stroomverdeler wordt aangedreven door de motor en .draait met dezelfde snelheid als de nokkenas. Op het boveneinde van deze rotoras bevinden zich de onderbrekernok N en het asstompje v, waarop de rotor geschoven wordt. (Zie ook figuur 6). Door de vorm van dit asstompje past de rotor er slechts op ineen stand, overeenkomende met die van de nok N. Nu is de huls, waarop N en V zijn aangebracht, niet vast met de aandrijvende as A verbonden, Hij past draaibaar om B en wordt in bepaalde stand gehouden door de aanslagblokjes op de tafel T en de centrifugaalgewichtjes C, die door twee trekveertjes tegen elkaar getrokken worden. Als de automatische versteller gemonteerd is, heeft Neen zekere stand ten opzichte van A. In deze stand wordt de verdeleras A aan de motor gekoppeld en zorgt men er voor, dat de onderbrekernok Ade onderbreker – hamer opent op het moment, dat de kruk van de motor in of enige graden vóór het bovenste dode punt staat. Zodra de motor draait, ondergaan de gewichtjes c de invloed van de centrifugaalkracht. Ze hebben een neiging met het zwaarste gedeelte naar buiten te vliegen (denk aan de zweefmolen). Het gevolg hiervan is, dat de nok N een weinig om zijn eigen as (B) verdraaid wordt en wel inde bewegingsrichting gezien vooruit. Zodoende zal de nok N de onderbreker – hamer vroeg openen, dus reeds voor dat de zuiger geheel boven is, m.a.w. de motor krijgt voorontsteking. Hoe sneller de motor (dus ook de rotoras A) draait, des temeer voorontsteking krijgt hij. Natuurlijk is de maximum verdraaiing van N begrensd, zodat de ontsteking niet te vroeg kan komen. Bij wijze van voorbeeld geven wij in figuur 7 een grafiek vaneen normale centrifugaalversteller. De ontsteking is op voorontsteking ingesteld in het dode punt (0 voorontsteking). Zodra de motor draait en de stroomverdeleras 175 omwentelingen maakt, begint de versteller voorontsteking te geven. Bij 1800 omwentelingen bedraagt de maximum voorontsteking 14i graad. Hierbij dienen wij vooral in het oog te houden, dat dit de verstelling is op de rotoras, die slechts half zo snel draait als de krukas. In dit voorbeeld bedraagt de maximum voorontsteking bij 3600 motoromwentelingen 29°. N.

Fig. 4.1. stroomverdeler; 2. verdelerhuis; 3. condensator; 4. batterij (12 Volt); 5. Ampèremeter; 6. „contact”; 7. bobine. Onderbreker met 2 hamertjes (z.g. dubbele onderbreker).

Fig. 6. Onderbreker met 1 hamertje. De lichthoogte van de contacten (± 0,4 mm.) wordt geregeld met het verstelbare contactboutje, dat dooreen contramoertje vastgezet wordt.

Fig. 5. Samenstellende delen vaneen centrifugaal-versteller.

Fig. 7. Grafiek, aangevende hoe de voorontsteking bij toepassing vaneen centrifugaalversteller gelijkmatig toeneemt met het toerental.

Sluiten