Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lil I [HI [UI ircrot otu£

Brieven, van vrouwen Beste Ans, Toen we laatst bezoek hadden vaneen makker van mijn man, werd er ook gesproken over de oude tijd, toen de arbeiders nog niet het besef hadden, dat zij zich tegen hun droevig lot moesten verzetten. Ik vertelde, dat de mensen veel te snel hebben vergeten, hoe het vroeger geweest is, net zoals ik het jou onlangs geschreven heb. „Ja”, zei die kameraad van mijn man toen, „daar zou je ook de conclusie uit kunnen trekken, dat de arbeiders met hun tegenwoordige positie maar tevreden moeten zijn, omdat het vroeger zoveel slechter was.” „Dat bedoel ik helemaal niet!” verdedigde ik mij. „Dan zou je net zo goed kunnen zeggen, dat de werklozen met hun onvoldoende uitkering of steun maar tevreden moeten zijn, omdat er vroeger voor de werklozen in het geheel niets gedaan werd, behalve een beetje goedkope liefdadigheid.” „O”, zei hij weer, „maar je zult ze de kost geven, die zo denken. Of denken kun je dat onbenullig geklets van mensen, die beweren, dat de werklozen niet te klagen hebben, niet noemen. Mensen van dat slag zien wel, dat er armoede is inde gezinnen van de werklozen, maar ze vergelijken die armoede met de toestand van vijftig jaar geleden, toen de werkende arbeiders er zeker even beroerd aan toe waren als nu de werklozen.” „Maar dat kun je toch niet vergelijken!” . „Precies, u slaat de spijker op de kop. Dat kun je inderdaad niet vergelijken, omdat er ineen halve eeuw een geweldige verandering heeft plaats gevonden inde arbeidersklasse. In het midden en aan het eind van de vorige eeuw wisten de meeste arbeiders niet beter of het hoorde zo. De armoede werd bijna als een natuurwet beschouwd, waaraan haast ieder, die loondienst verrichtte, had te gehoorzamen. De arbeiders waren zich hun mensenwaarde niet bewust. Ze leefden in krotten, aten slecht, hadden nauwelijks enige ontwikkeling, lazen geen krant en geen boek en wisten van hetgeen er in de wereld omging zo goed als niets. En als ze wanhopig en verbitterd waren, omdat ze tegen die eeuwige armoede niet opkonden en tegen het leed om hun kinderen, die stierven van ondervoeding en uitputting, dan grepen ze naar de drank als enige troost. Armoede en honger zijn verschrikkelijke dingen, maar je voelt ze minder naarmate je meer afgestompt bent. En de arbeiders en arbeidersvrouwen uit die tijd waren voor een groot deel afgestompt. Ze wisten niet beter of het was altijd zo geweest en zou altijd wel zo blijven. Maar als je wel beter weet, als je overtuigd bent, dat het gemakkelijk anders kan, dan is de armoede heel wat moeilijker te verdragen. Voor de werklozen van thans is de armoede van hun bestaan dus veel moeilijker te dragen dan voor de werkenden van toen. Zij hebben geheel andere behoeften, zij weten, dat zij mensen zijn met recht op een menswaardig bestaan. Dat inzicht hebben zij door de jarenlange strijd van de arbeidersbeweging verworven, en het heeft hun tevens geleerd, dat het niet nodig is, dat er in ons land honderdduizenden stempelen. leder mens krijgt in zijn leven vreugde en leed. Het leed is niet altijd gemakkelijk te dragen, en de verstandige mens weet, dat hij het niet ontvluchten kan. Maar zwaar te dragen is het leed, dat ons wordt aangedaan, zonder dat er een noodzaak voor aanwezig is. En dat voelen vooral de werklozen zo sterk, die immers weten, dat er wel werk is, wanneer de regering maar het nodige geld beschikbaar stelde.” Het was een hele redevoering, die de makker van mijn man daar had gehouden, maar wat hij gezegd heeft vond ik belangrijk genoeg om jou over te vertellen. Het is natuurlijk nooit mijn bedoeling geweest, om te zeggen, dat wij met ons leven maar tevreden moeten zijn, omdat onze vaders en moeders en onze grootvaders en grootmoeders het zoveel slechter hebben gehad. Wat ik alleen wilde zeggen was dit, dat

vooral jonge mensen, die het in vele opzichten gemakkelijker en prettiger hebben dan wij vroeger ik zwijg nu even van de jonge mensen, die niet aan de slag kunnen komen niet moeten vergeten, dat de verbetering van het levenspeil der arbeiders pas na zware en hardnekkige strijd is verkregen en dat zij de vakbeweging trouw moeten zijn. Van die trouw aan de organisatie levert op het ogenblik de vakbond van onze mannen wel een schitterend voorbeeld. Het is nog maar kort geleden, dat het cijfer 50.000 op de voorpagina van „De Metaalbewerker” verscheen en nu prijkte op de eerste bladzijde reeds het cijfer 55.000! Wat zal dat een feest worden op 2 Juli op Birkhoven, Ans. Ik begin nu bang te worden, dat het grote terrein haast te klein zal zijn! Hartelijk gegroet, je FIE.

LACHZAAD Hij had ervaring „Heb je ooit een van die machines gezien, die kunnen vertellen of je liegt?” „Of ik er een gezien heb? Ik ben er met een getrouwd?” De pot en de ketel De rechter hield een lange preek over het kwaad van alcoholgebruik. Maar omdat het de eerste keer was, dat de beklaagde in kennelijke staat was aangetroffen, kwam hij er met een kleine boete af. „Maar laat ik je gezicht niet weer zien!” zei de rechter ernstig. „Dat kan ik niet beloven, meneerde rechter”, antwoordde de beklaagde. „En waarom niet?” „Ik sta toch nog altijd in het buffet inde „Vergulde Druiventros”, weet u wel?” Hij kende zijn klanten Dame: „Ik wou graag een paar schoenen hebben?” Verkoper: „Hoeveel te klein wilt u ze hebben, mevrouw?”

( Miniatuur

Onverwachte ontmoeting door Hugh Dalton. Een man stond ineen van Londens drukste winkelstraten te kijken naar een étalage. Hij was groot en gebruind en maakte de indruk van iemand, die met vacantie naar de hoofdstad was gekomen en nog geen bepaald doel had. Plotseling deed een krachtige greep om zijn onderarm hem verschrikt omzien. Hij keek inde ogen vaneen jong meisje, dat hem met bevende lippen toefluisterde: „Blijft u even zo staan. Ik kom naast u staan en dan moet u met mij praten.” „Waarover?” „Dat hindert niet. Straks zal ik u alles wel uitleggen. Ik zit in vreselijke moeilijkheden. Ik word gevolgd. Overal inde straat staan mijn vervolgers. Brengt u me even de straat uit, dan ben ik van de kerels verlost.” „Ik bén een boon, als ik er iets van snap!” bromde William Duxley. „Maar, vooruit, ik zal u helpen! Geef me een arm!” Het meisje lachte dankbaar. „Wacht”, zei hij, terwijl hij achter om haar heen liep, „laat mij aan de buitenkant lopen.” Gearmd liepen zij over het trottoir, waar het zo drukwas, dat zij soms slechts vooruit konden schuifelen. „En vertel es, wat is er eigenlijk aan de hand?” „Nu niet. Ze letten nog te veel op me. Straks!” Ze zei het met angst in haar stem en William drong niet langer aan. Bijna aan het eind van de straat, zagen zij een man ineen regenjas voor een winkel staan, die zijn pijp stond te roken. Zijn rustwas te opvallend om echt te zijn. Het meisje kneep William in zijn arm. „Dat is een van de kerels, die op me loert.” „Hm”, bromde William. Toen ze hem góed en wel voorbij waren, haakte zij haar arm uit de zijne en zei: „Dank u wel. Het was erg vriendelijk van u. U hebt me uiteen lastig parket gered.” „Ho, ho, wou u nou zo weggaan? Nee, daarvan kan niets komen. U hebt me een uitlegging beloofd en...” „O, u meent, dat u daar wel

een beetje recht op hebt. Dat Is zo. U mag me een kop thee aanbieden in die lunchroom.” Toen ze aan een rustig tafeltje zaten en de dienster de thee had geserveerd, begomfee: „U weet natuurlijk wat de geheime dienst is. Ik ben er mee belast, de buitenlandse spionnen inde gaten te houden en met hen aan te pappen.” „Contra-spionnage dus.” „Ja. Een mooi vak is het niet, maar ik had nogal succes. Ze hadden me niet door en langzamerhand kon ik ze betrekken ineen gevaarlijke onderneming, waarvoor ik zelf de gegevens had verschaft, met goedvinden van de geheime dienst. Als klap op de vuurpijl zou ik bij een van de bende een belangrijk stuk in ontvangst nemen. U begrijpt natuurlijk wel, dat het de bedoeling was, om, als doordat stuk de spionnage bewezen was, het hele stel in te rekenen.” „Mooi bedacht, dame.” „Stil nou! De man, bij wien ik het pakje moest halen bleek iemand te zijn, die bij de geheime dienst werkte. Een verrader dus. Maar hij wist dus meteen, wie ik was. Ik kon nog vluchten, maar toen ik op straat liep, zag ik, dat ze hun maatregelen al genomen hadden. Overal stonden de mannetjes klaar om me te volgen ■en onschadelijk te maken.” „Wat romantisch!” „Die man in zijn regenjas... U hebt hem toch gezien?” „En of! Hij stond zo kwasirustig zijn pijp te roken.” „Juist! Dat was de enige van de bende, die mij niet van gezicht kende. Als ik alleen was geweest, had hij zijn combinaties gemaakt en me gevolgd.

Maar u hebt er me heerlijk door geholpen! ” „Een reuze fijn sprookje”, gromde William Duxley. „Hebt u dat alleen bedacht? Als je stukkies inde Daily Mail schrijft, jonge dame, moet je daar je portret niet bij laten zetten. Jij bent Dorothy Sniffles, nietwaar?” „Nou goed. Het is zo. Vindt u het erg? Ik begin juist aan een nieuwe rubriek „Onverwachte ontmoetingen”. En toen ik u zag staan...” „Ja, ja, toen dacht je, dat is mijn eerste slachtoffer. Knap zo. Intussen ben ik je dankbaar, jonge dame, want degeen, die inde penarie zat, was ik. Kijk dit es eventjes!” Uit de zak van haar mantel haalde hij een prachtig halssnoer. „Hoe komt dat in mijn mantelzak?” „Dat heb ik er in laten glijden, toen ik achter je langs liep om je een arm te geven. Dat halssnoer had ik eerlijk achterover gedrpkt. Maar ik was al gesignaleerd en ik wist niet, hoe ik met goed fatsoen de straat uit moest komen. Die man in zijn regenjas was een stille. Als ik alleen geweest was, zou zijn aandacht wel op mij gevallen zijn. Maar zijn opmerkzaamheid ging niet uit naar stevig gearmde paartjes. Ik moet er nu gauw vandoor. Je hebt me prachtig geholpen. En is dat iets voor je rubriek „Onverwachte ontmoetingen”? Geluk er dan mee, als je maar een dag wacht met de plaatsing. Tabé hoor. Voordat Dorothy Sniffles van haar verbazing bekomen was, verdween William Duxley door de draaideur en werd door de massa opgenomen.

„Dat is een van de kerels, die op me loert.”

„Jij bent Dorothy Sniffles, niet waar?”

Sluiten