Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De voorbereiding tot een nieuwe oorlog

(H. M.) Een groot economisch probleem, dat thans de wereld bezighoudt, is de bewapeningswedloop in vrijwel alle landen van Europa en daarbuiten georganiseerd. De voorbereidingen die dienen om niet door de komende oorlog verrast te worden, zijn vaneen omvang die hun weerga niet kennen en die de volle aandacht verdienen van de arbeidende klasse, inzonderheid de metaalbewerkers. Voor hen is het immers een feit dat de bewapening werk kan geven aan duizenden die voorheen doelloos stempelden! Naast het constateren van dit feit zijn echter enkele nadere beschouwingen, die het inzicht inde gang van zaken kunnen vergroten, zeer gewenst; le. omdat het van belang is dat de arbeider weet wat er inde wereld te koop is en hij een doelbewuste houding prefereert boven een lijdzaam toezien; 2e. omdat in deze krankzinnige oorlogsvoorbereiding gevaren schuilen voor de arbeiderskasse, die alleen bestreden zouden kunnen worden door hen, die door de chaotische toestand heen kunnen zien naar de kern van het probleem. Toen de crisis en de daaropvolgende langdurige depressie een overschot van arbeidskrachten deden ontstaan, die met name in ons land schrikbarende proporties aannam, was het de moderne arbeidersbeweging die met haar Plan van de Arbeidde werklozen de arbeid terug wilde geven waarnaar zij snakten. Het Plan gaf daarnaast de middelen aan welke toekomstige catastrophen zouden kunnen voorkomen of de uitwerking ervan verkleinen. Er steeg een gehuil van verontwaardiging op in kapitalistische kringen toen bleek dat het Plan zich niet ontzag om de heilige huisjes aan te tasten die de ondernemers en financiers de vrijheid gaven hun winsten te veroveren. Men kent de historie, wij behoeven er niet verder over uit te wijden. De sterke man Colijn wist het veel beter en sleepte ons land in het slop van de aanpassingspolitiek. Hij liet door deflationistische maatregelen de arbeidende bevolking de offers brengen, die het land niet verlosten uit de impasse van grote werkloosheid en onderconsumptie enerzijds en overvloed van naar belegging zoekend kapitaal anderzijds. Ondanks de mislukking van het conservatieve saneringsproces heette dit z.g. natuurlijk herstel, verre te verkiezen boven de „kunstmatige” conjunctuur-stimulering, voorgestaan door het Plan, dat ons land na drie j aren in nog grotere armoede zou doen vervallen en geen blijvende verbetering zou kunnen brengen. Vooral de uitvoering van grote openbare werken was een punt waartegen heftig geageerd werd inde groot-kapitalistische kringen. Nu komt men echter door de internationale gespannen toestand voor grote uitgaven te staan, die in hun proporties ongeveer de sommen benaderen die voor de uitvoering van het Plan van de Arbeid nodig zouden zijn. Het is verbazingwekkend te zien hoe de vroegere bestrijders van de welvaartspolitiek thans wedijveren om de goêgemeente duidelijk te maken dat deze bewapeningsuitgaven naast hun noodzakelijkheid een conjunctuur-stimulatie veroorzaken, die een effect sorteert juist als het Plan beoogde met de uitvoering van grote werken. Men acht het zelfs niet beneden zijn waardigheid om hiervoor dezelfde argumenten te bezigen van de Plan-voorstanders, die men enkele jaren geleden met zoveel energie om zeep trachtte te brengen. De z.g. secundaire werkgelegenheid die ontstaat bij uitvoering van grote werken, komt hierbij uitstekend te pas. Het ■verwekt echter een weinig wrevel als men nagaat hoe getracht wordt het verschil in economisch nut van beide soorten grote werken te verdonkeremanen of met allerlei gezochte argumenten weg wil praten. Immers, de werken in het Plan genoemd, zijn vaneen soort, die de welvaart, uitgedrukt in goederenbezit, verhogen. Het zijn productieve werken, die (sommige direct, andere indirect) rendabel genoemd kunnen worden. De aanmaak van oorlogsmachinerieën is een improductief werk. Niemand wordt er beter van als ons land werktuigen bezit alleen bestemd voor vernietiging. Allen worden armer omdat de

arbeid en het kapitaal hieraan besteed niet meer gebruikt kunnen worden voor welvaart-scheppende doeleinden. Men tracht te bewijzen dat de productie voor oorlogsdoeleinden toch productief is, waarbij dan de redenering opgeld doet, dat ons land beschermd dient te zijn tegen buitenlandse invasies, die grote verliezen zouden veroorzaken. Een andere kant van de zaak, die gevaarlijk is voor de arbeidersklasse, is, dat men juist in flagrante tegenstelling met het Plan van de Arbeidde koopkracht wil verzwakken om de bewapeningsuitgaven mogélijk te maken. In Engeland is bijvoorbeeld de laatste tijd uitvoerig gepolemiseerd over de vraag hoe de bewapening gefinancierd diende te worden. Gezaghebbende kringen konden hierbij nog niet tot overeenstemming komen. Sommige economen (Keynes b.v.) willen de staat het middel geven de spaarders te dwingen hun kapitaal in staatsleningen te beleggen door o.a. uitvoer van kapitaal te belemmeren. Anderen (Prof. Robbins) laten liever de oude financieringsmethode intact, waarbij de Staat als ieder ander op de geld- en kapitaalmarkt verschijnt. Hoe dan ook de keuze uitvalt, allen zijn het echter eens, dat het volk grote offers zal moeten brengen. Men denke hierbij ook aan Frankrijk waar de 40-urige werkweek geofferd is op het altaar „Mars”. Men denke voorts aan Duitsland, dat zijn volk als een citroen uitknijpt om de boven alle draagkracht gaande lasten op te brengen en aan Italië, dat aan het einde is van de volksuitpersing en amechtig Duitsland’s hulp accepteren moet. In Engeland verwacht men dat spoedig een tekort aan arbeidskrachten zal ontstaan ten gevolge van de conscriptie en de toenemende bedrijvigheid in allerlei industrieën (vooral de metaalindustrie). Economen van naam propageren nu reeds dat met de vakbonden overeenkomsten moeten worden gesloten om bepaalde typen arbeiders te recruteren voor de bewapeningsproductie. Bij voorbaat wordt hierbij dan vastgesteld, dat het belachelijk zou zijn dat de oorlogsvoorbereiding belemmeringen zou ondervinden door zekere eisen die de vakverenigingen mogelijk stellen (Prof. Robbins b.v.). De Engelse bonden weten dus alvast wat hun te wachten staat. Verder zijnde economen het er over eens, dat het volk minder moet consumeren en langer en harder zal moeten werken zonder dat het daarvan enig individueel voordeel zou mogen hebben. Voorlopig hebben wij nog geen enkele zekerheid, dat men er in Nederland anders over denkt dan in bovengenoemde landen. De uitslag van het conflict inde Rotterdamse scheepsbouwindustrie is wel als een typische tendenz inde richting, zoals boven geschetst, te beschouwen. Na 1930, toen de werkloosheid begon, was het dus de arbeidersklasse die het gelag had te betalen inde vorm van loonsverlagingen, massaontslagen, beknibbeling op sociale bepalingen, diverse steunverslechtingen, enz. Nu eindelijk, zij het dan onder ongezonde omstandigheden, de kans komt dat de werkloosheid tot kleinere omvang wordt teruggedreven, waarschuwt men bij voorbaat reeds dat hierin nog geen recht ligt voor de arbeiders om de geleden schade in te halen. Integendeel, grote offers moeten door hen gebracht worden om de ruzie inde bovenste lagen van de maatschappij te bezweren. En niemand buiten onze kringen spreekt hardop over het inperken van de grove winsten der bewapeningsindustrie. Als sluitsteen is dan zeker bedoeld, dat de arbeidersklasse naast haar welvaart straks ook haar bloed mag geven om het vaderland te redden van vreemde overheersing. Wij geloven, dat zeker de arbeidersklasse bereid moet zijn om aanvallende cultuurvernietitigers van ons grondgebied te weren. Daarnaast mag echter niet worden vergeten, dat de strijd tussen de arbeid en het kapitaal hiermede geen stap verder inde goede richting komt. Hiervan worde alvast nota genomen. Meppel 1.8.’39.

Twee sociaal-democratische voormannen doen hun entree inde Nederlandse regering Met thans, in dit nummer van ons blad te vermelden, dat er een nieuw ministerie gevormd is en dat daarin twee sociaal-democraten zitting hebben genomen, vertellen wij geen nieuws. Toch willen wij niet verzuimen ook onzerzijds op deze, voor ons land en voor onze moderne arbeidersbeweging zeer bijzondere gebeurtenis de aandacht der lezers te vestigen. Hier zij openlijk en nadrukkelijk verklaard, dat de oude toestand, zoals die tot voor korte tijd op regeringsgebied in ons land was, ons, om het maar precies en duidelijk te zeggen, al reeds jaren de keel uithing. De S.D.A.P. werd en wordt door 22 personen inde Tweede Kamer vertegenwoordigd. Gelet op de gehele politieke en maatschappelijke constellatie van de laatste jaren, was het voor land en volk en zeer in het bijzonder voor de arbeidersklasse een nadeel, dat een zo belangrijke partij, vertegenwoordigende een zo belangrijk deel van de Nederlandse bevolking, buiten alle regeringsbeleid en alle regeringsverantwoordelijkheid stond. De S.D.A.P. heeft daarvan naar wij menen inde laatste jaren de nadelen ondervonden, die voornamelijk inde laatstelijk gehouden verkiezingen voor de Tweede Kamer tot uiting kwamen. De politieke partij van de arbeidersklasse was op het dode punt gekomen. * Haar positie als oppositiepartij had afgedaan; een tijdperk was afgesloten. En de oppositie-zonder-meer was weinig vruchtdragend. De partij was uit de oude kleren gegroeid en vertoonde het beeld van den jongen man, wiens mouwen en broekspijpen tekort geworden waren. De tijd was allang gekomen, dat „men er bij moest zijn”, dat men mede z’n plaats achter de regeringstafel ging innemen. Voor elke beweging komt er een tijd die niet langer gedoogt, dat men toeschouwer blijft; komt de tijd die eist „dat men erbij is”, ’t Is in de vakbeweging niet anders gegaan. Ook toen die nog lang niet op sterkte was, drong de noodzaak ons we willen duidelijk zijn „de vingers inde pap te houden”. We moesten zorgen dat wij er bij kwamen, al was ’t alleen maar om te voorkomen, dat de dingen geheel buiten, zonder en over ons zouden worden bedisseld. Niets is op de duur onvoordeliger dan negativisme. Uit het voorgaande zal het onze lezers duidelijk geworden zijn, dat wijde toetreding van onze vrienden ir. J. W. Albarda en dr. J. van den Tempel tot het ministerie De Geer, van harte toejuichen. Dat dit ministerie-op-brederebasis er gekomen is en niet een z.g. rooms-rood kabinet, achten wij, gelet op allerlei omstandigheden en bijkomstigheden, een voordeel. Op deze kant van de zaak zullen wij thans niet dieper ingaan. De beide nieuwe sociaal-democratische ministers kennen wij ook uit eigen ervaring als twee zeer gave figuren. Beiden waren en zijn sieraden van onze moderne arbeidersbeweging. Zij zullen, daarvan zijn wij ten volle overtuigd, onder de gegeven omstandigheden doen wat in hun vermogen is. Onze verwachtingen zijn niet al te hoog gespannen, want met z’n tweeën vormen zij een kleine minderheid in dit ministerie. En de tijdsomstandigheden zijn uitermate moeilijk. De lezers moeten, indien zij de juiste waarde van het bezit van twee sociaal-democratische ministers willen schatten, vooral letten op de onvriendelijke, zelfs vijandelijke houding van de grote pers in ons land, wier politieke redacteuren op zich opblazende katers gelijken. Tegenover haar vijandschap moge onze vriendschap staan als ruggesteun voor de twee mannen, die nu op een voor de arbeidersbeweging geheel nieuw terrein pioniersarbeid gaan verrichten.

Sluiten