Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uitstaan en afschrijven (V)

Bij het drukken van de voorste kielplaat begint men met aan de bultenkant der plaat de knik voor de stevenzak er in te drukken, dus deze zak te vormen en wel op de vereiste diepte, daar men later onder de drukker niet meer daar ter plaatse kan komen. Volgens de afbeelding 23 moet deze knlk op nul uitlopen op spant 183. Bij het pasmaken van de plaat om de voorsteven zal men de plaat plaatselijk warm moeten stoken om dit zuiver gedaan te krijgen en daardoor bestaat zeer veel kans, dat de onderkant van de plaat, dus volgens de oploop, afgeweken is van de oorspronkelijke lijn. wat weer verholpen moet worden door plaatselijk rekken of krimpen. De stuikplaat aan het vooreind van de kielplaat verbindt deze inde regel aan de zandstrookplaat, welke dan verder stevenplaat wordt; dit stuik als stulkwerk uitgevoerd gaat op het land over in lapwerk, waartoe een spiits aan de buitenkant van de zandstrook ter plaatse van het land moet gestoken worden, waarbij men dan de

stuikplaat ongeveer 3” langer moet houden om de opening, veroorzaakt door het splitsen, af te dichten. Afbeelding 28 geeft dit aan evenals het schuin schaven van de onderkant van de stuikplaat terwille van het zuiver passend zijn tegen de steven (zie hiervoor ook afb. 25). Bij het aftekenen van de gaten voor het hoekstaal der tussengevoegde zaathoutplaten, welke gewoonlijk in de voorpiek aangebracht worden, dient men er rekening mee te houden, dat deze zaathouten daar ter plaatse niet meer in het hart van het schip kunnen staan, daar de halve onderwijdte te gering is voor de bevestiging van het hoekstaal, waarbij vaak het zaathout aan de voorsteven verbonden wordt. De afwijking uit hart schip en de zijde aan welke dit geschiedt, zijn dan vooraf op de span-

tenvloer bepaald. Het komt ook wel voor, zoals In afbeelding 29 is aangegeven, dat aan achtereind steven aan beide zijden een zwaar hoekstaal aangebracht moet worden, welke hoekstalen pasgemaakt worden nadat de plaat om de steven is afgewerkt. Wel moet men erom denken bij het opbouwen op de helling, dat de nagels ter bevestiging van zaathout en hoekstaal aan de steven geklonken worden, vóór de kielplaat bijgebracht wordt, daar men er later niet meer bij kan om te klinken. Indien enigszins mogelijk, is het zeer aan te bevelen de gehele voorpiek op de grond op te bouwen en af te klinken, mits natuurlijk een hellinginrichting aanwezig is om het geheel aan te kunnen bouwen. Dit geeft een mooi sluitend voorschip en goede en betrekkelijk goedkope nagels. Trouwens later zal nog behandeld worden, welke delen van het schip economisch en zonder bezwaar op de wal geklonken kunnen worden, Zoals uit het voorgaande blijkt, is het ten zeerste gewenst een stuik op

de knik te maken. Toch is het in onze praktijk voorgekomen, dat de knik ongeveer midden ineen kielplaat was aangegeven, terwijl de oploop zeer belangrijk was en dit alles met een plaatbreedte van ongeveer 1250 mm. Het geheel afschrijven van deze platen vóór de bewerking is zeer gewaagd. Wel zal men kruismallen maken van de twee gedeelten vóór en achter de knik, om de spanten op de plaat uit te kunnen zetten, zij het dan voorlopig. Deze kruismallen zet men vast langs de halve onderwijdtelijn, waarbij de onderlengte-latten tegen elkaar aansluiten; de afstand waarvoor de boveniengtelatten vrij blijven van elkaar, moet de plaat gestuikt worden, zoals in afbeelding 30 is aangegeven Wanneer dan de plaat voldoende gestuikt is, sluiten de mallen in lengterichting aan elkaar.

Men begint de plaat naar de spantvorm te drukken, waarbij aandacht geschonken moet worden aan het in de juiste stand houden van de spantvorm-mallen, welke zuiver inde richting van de spantlijnen moeten gesteld worden, dus in het voorste gedeelte der plaat in schuine stand. Vervolgens wordt de plaat geknikt volgens de oploop van de steven; hiertoe werd vroeger een model gemaakt van de gehele vorm daar ter plaatse en hiernaar een blok gegoten, waarop de plaat bewerkt werd, wat een kostbare geschiedenis was. Dit kan men op de volgende manier voorkomen: na het drukken van de plaat inde spantvorm zet men deze vast op de rlffelplaat met twee bouten, welke zo dicht mogelijk bij de knik geplaatst worden, zodat het hoekstaal, dat men binnen in de plaat legt, met de nek op de kniklijn komt, terwijl de gaten later gebruikt moeten kunnen worden voor het hoekstaal vaa de vertikale kiel. Vervolgens stookt men de zijkanten, ter plaatse waar gestuikt moet worden, goed heet, de bovenkant in meerdere mate dan de onderkant en licht, met behulp van wiggen en kelderwinden het vooreind op tot de gewenste oploop is verkregen, waarbij er goed zorg voor gedragen moet worden, dat de plooien, welke inde zijkant der plaat ontstaan, naar de buitenkant gewerkt worden. Nu maakt men de plaat los en legt deze met één der zijden op een vlakblok, d.w.z. dusdanig, dat het blok inde plaat komt en zet de plaat goed vast. De plooien worden dan weer goed heet gestookt en daarna tracht men deze geleidelijk te verwerken, waarbij in geen geval bij het wegstuiken der plooi het plaatijzer over elkaar komt.

dus het moet geheel vlak weggestuikt worden. Is dit geschied en is de plaat daarna afgekoeld, dan bestaat de mogelijkheid, dat de oploop door het krimpen der plaaj; te groot is geworden, waarmede in het begin bij het inwerken hiervan, door te weinig te geven, rekening gehouden kan worden. Anders moet men na het afkoelen de plaat ter plaatse een weinig rekken. De plaat is op deze manier in de juiste vorm gebracht en vervolgens kunnen de kruismallen er in vastgezet worden. Deze kruismallen moeten dus aan elkaar sluiten. De spanten worden nu voor goed afgeschrapt en de plaat verder geheel afgeschreven. Komt in het oplopende gedeelte een stuikstrip voor, dan zal hier een zijdelingse knik in gemaakt moeten worden, daar deze verbinding, wegens de geringe spantafstand, gerheenlijk niet recht zal kunnen worden aangebracht. Het is duidelijk, dat de meest gewenste constructie, in verband met het afschrijven en bewerken, de eerst behandelde is, dus met het stuik op de knik, want het verder bewerken van de gedrukte en geknikte plaat volgens het tweede geval wordt in verhouding zeer duur. Tevens spreekt het vanzelf, dat het materiaal bij het stuiken der plooien aardig mishandeld wordt en men heeft per ongeluk ook wel na het inde vorm brengen der plaat een dubbeling in deze aangebracht. W. H.

Nleuwe soldeermlddelen

Er is reeds vroeger door enige lezers van dit blad geklaagd over moeilijkheden die ze ondervonden, bij het solderen met tin, van sommige soorten roestvrij staal. Het nagenoeg universele vloeimiddel, zinkchloride, gaf daarbij onvoldoende resultaten. Er moge dan nu de aandacht gevestigd worden op een nieuw vloeimiddel voor het solderen van roestvrij staal, een Amerikaans fabrikaat, dat door het Zeva-verkoopkantoor te Amsterdam inde handel wordt gebracht en dat, naar ons is gebleken, zeer goede resultaten gaf. Een ander vloeimiddel en een daarbij passend soldeer wordt, onder de naam van Alumaweld, uitsluitend voor het solderen van aluminium in de handel gebracht. Het soldeer smelt bij ongeveer 300' C. en geeft, in tegenstelling met vele andere solderen voor aluminium, verrassend sterke en gladde soldeerplaatsen. Bij de verhitting van het vloeimiddel op het werkstuk ontstaat een sterke rookontwikkeling, zodat bij continue werk een goede afzuiginrichting noodzakelijk is. Naar ons bleek ontstaat bij verhitting uit het vloeimiddel een zuur. In hoeverre dit, wanneer het door het soldeer wordt ingesloten, kan nawerken kan alleen door langere ervaring worden vastgesteld. v.d. Z. Doet u dat ook? Ontkoppel bij het starten Automobiel-benzinemotoren starten bij koud weer over het algemeen minder vlot dan inde zomer. Zelfs inde herfst doet zich de invloed van de lagere temperatuur reeds gelden. Wanneer wede startknop inschakelen, bespeuren we, dat de startmotor veel minder toeren maakt dan normaal het geval is; hij heeft blijkbaar meer moeite om de benzinemotor aan te draaien. Tevens moeten we onder deze omstandigheden langer starten, voordat de motor aanslaat. De verklaring voor dit feit is logisch: doordat de motor zo koud is, ondervinden de draaiende en glijdende onderdelen meer weerstand inde zoveel „dikkere” olie en bovendien wordt de gasvorming inde carburator bemoeilijkt, omdat de benzine niet voldoende verdampt. En toch kan men bij elke willekeurige wagen het aanslaan van de motor zeer bevorderen, door tijdens het starten te ontkoppelen. Wat is n.l. het geval: indien men ontkoppelt, stelt men hierdoor de koppelingsas en de tandwielen inde versnellingsbak, die anders mee moeten draaien, buiten werking. Juist deze tandwielen ondervinden bij draaiing veel weerstand, omdat de smeerolie inde versnellingsbak zeer dik is, en meer op „stroop” dan op olie gelijkt. Door de verminderde weerstand draait de startmotor de benzinemotor vlugger en slaat de motor beter aan en wel om twee redenen; 1. doordat de motor sneller draait, werkt de carburator beter, ongeacht de eventueel aanwezige hand- of automatische choke; 2. omdat de startmotor sneller kan draaien, onttrekt hij aan de batterij belangrijk minder stroom. De batterijspanning zakt dan niet zover weg en er blijft een hogere spanning beschikbaar voor de ontsteking. Juist het behoud vaneen zo hoog mogelijke spanning voor de ontsteking is in dit geval de gunstigste factor. Zelfs bij gebrekkige gasvorming, slaat een benzinemotor, die normaal in orde is, bij gebruik van de tegenwoordige benzine wel goed aan, mits de ontstekingsvonken krachtig zijn. In het algemeen is het ook beter iets langer achtereen te starten, dan de startmotor een paar omwentelingen te laten maken. Ineen volgend artikel zullen wij enkele meer technische factoren, welke het vlotte starten kunnen bevorderen, onder het oog zien. N.

Sluiten