Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men kan de gevaren van de acetyleenontwikkelaars in twee groepen verdelen: 1. Het gas kan uit het toestel inde omgevende ruimte verspreid worden. Aldus kan in die ruimte een ontplofbaar mengsel van gas en lucht gevormd worden. Door iedere toevallige warmtebron, met een temperatuur boven de ontstekingstemperatuur van het gas/luchtmengsel, kan dit ontstoken worden. Deze ontsteking kan b.v. plaats hebben dooreen wrijvingsvonk vaneen schoenspijker op een ruwe vloer of vaneen ijzeren deur langs een muur, een vloer of een dorpel, door aanwezig open vuur of licht, dooreen heet stuk ijzer of dooreen onderbrekingsvonk vaneen electrlsche schakelaar of een stopcontact. 2. Inde ontwikkelaar zelf kan een ontplofbaar mengsel van gas en lucht aanwezig zijn en tot ontsteking gebracht worden. De ontsteking heeft in dit geval meestal plaats door de naar binnen slaande vlam van de brander. Maar ook kan deze veroorzaakt worden door wrijving van langs elkaar wrijvende (schampende) ruwe metalen oppervlakken (bijvoorbeeld bij verplaatsing van het toestel), door een heet stuk carbid, door verhitting van de wand van het toestel of door het er in brengen vaneen heet stuk ijzer. De beide laatste omstandigheden komen vooral voor bij Onoordeelkundig ontdooien. Het .gas dat bij de ontleding van carbid ontstaat, heet acetyleen; het is zo bijzonder gevaarlijk, omdat het binnen zo wijde grenzen met lucht vermengd ontplofbaar is. Lucht met 3% acetyleen is reeds zwak explosief, een lucht/gasmengsel met 7 tot 12% acetyleen geeft de hevigste ontploffingen, terwijl daarboven een mengsel met tot 80% acetyleen ontplofbaar blijft. Daardoor heeft men bij vermenging van dit gas met lucht bijna altijd een explosief mengsel. Over ruimte-ontploffingen is reeds vroeger het nodige medegedeeld. Ontploffingen inde toestellen zelf gaan met een grote en praktische ogenblikkelijke drukverhoging gepaard. Bij een toestel met een bewegelijke gasklok wordt de laatste met grote kracht uit het toestel en omhoog gestoten. Andere toestellen barsten open en vliegen weg inde richting tegenover de ontstane scheur. Een en ander gaat met zeer grote snelheid en kracht; muren en daken worden er zwaar door beschadigd en heel vaak storten gebouwen, waarin het toestel staat, in. Niet zelden heeft een dergelijk geval ernstig persoonlijk letsel en verlies van mensenlevens tot gevolg. Hieronder zullen inde eerste plaats de verspreiding van gas inde omgeving van het toestel en de daartegen te nemen maatregelen behandeld worden. Als men een ontwikkelruimte opent, alvorens de vergassing van het carbid geheel is afgelopen, kan een hoeveelheid gas verspreid worden, die gevaarlijk kan worden. Vooral wanneer het toestel ineen kleine, niet of slecht geventileerde ruimte staat, kan zo een ontplofbaar mengsel in die ruimte worden gevormd. Toch moet daarvoor wel heel wat carbid vergast worden. Om ineen ruimte van 3 m2. vloeroppervlak en 3m. hoogte een hokje dus, zoals voor de plaatsing vaneen acetyleenontwikkelaar vaak gebruikt wordt een zwak explosief mengsel te krijgen (3% acetyleen inde lucht), 9000 moet daarin 3x = 270 1. gas 100 worden gebracht. Daarvoor is de vergassing van bijna 1 kg. carbid nodig.

Aan deze voorwaarde wordt inde praktijk niet zo makkelijk voldaan. Het grotere gevaar van vergassing in geopende ontwikkelaar is, dat het ontwikkelde gas in brand geraakt en de persoon die het toestel bedient, brandwonden oploopt. Ook is het zo wel mogelijk, dat ineen geopende ontwikkelruimte een ontploffing plaats heeft, een ontploffing wel is waar van'slechts enige liters gas en lucht, maar die toch gevaarlijk is. Bij alle gebruikelijke ontwikkelaars kan door zg. oververgassing gas inde omgeving worden verspreid, wanneer daartegen geen bijzondere maatregelen zijn genomen. Vooral bij grote gasafname komt bij verschillende toestellen veel carbid tegelijk met het water in aanraking. Zo lang de gasafname doorgaat, levert dat geen bezwaar op. maar wanneer die plotseling wördt onderbroken, is er kans dat nog een grote hoeveelheid gas ontwikkeld wordt. De gasruimte wordt dan geheel gevuld en daarna zal het gas langs de onderste rand van die ruimte, door het afsluitwater heen, ontsnappen. Aldus kan heel wat gas inde omgeving van het toestel verspreid worden. Dit laatste kan op een zeer eenvoudige wijze voorkomen worden. Bij de ontwikkelaars inde figuren van het voorgaande artikel is in alle gashouders een binnenpijp 1 getekend. De onderkant daarvan is een paar cm. hoger dan de onderrand van de gasklok. Gaat nu de klok omhoog of wordt, bij een vaste klok, het water daaruit verdrongen, dan komt de onderkant van de pijp eerder boven water dan de rand van de klok. Voor het verder inde klok gevoerde gas stroomt dan een gelijke hoeveelheid door deze buis af en de ontsnapping van gas langs de rand van de klok is voorkomen. Deze veiligheidsbuis kan bij niet verplaatsbare toestellen met een vaste gasklok verbonden zijn aan een vaste leiding, die inde buitenlucht uitmondt. Bij toestellen met een bewegelijke gasklok verbindt men er buiten de klok een rechtopstaande pijp van een paar meter lengte aan, welke men laat uitmonden ineen eveneens rechtopstaande, met de buitenlucht in verbinding staande pijp (zie figuur). Geholpen door de altijd aanwezige trek wordt aldus het gas, dat ongeveer even zwaar is als lucht, voldoende afgevoerd. In deze figuur is tevens een gemakkelijke constructie voor het aanbrengen vaneen veiligheidsbuis aan een bestaand toestel aangegeven. Op de binnenpijp snijdt men een lange gasdraad. Daarop wordt een gewone gasflens geschroefd (met hennep en menie) die aan de binnenkant van de wand van de klok komt, onder tussenvoeging vaneen plaat rubber. Buiten schuift men een tweede plaat rubber op de buis en daarop wordt, ook weer met hennep en menie, een twee gasflens geschroefd. De wand van de klok is dus opgesloten tussen de beide flenzen. Boven de buitenste flens schroeft men vervolgens een sok op de pijp en daarin kan de bultenpijp worden bevestigd. Bij verplaatsbare toestellen, is het niet doenlijk, het gas dat door de veiligheidsbuis ontwijkt, naar de buitenlucht af te voeren. Daarom moet volstaan worden met een ca. 2 m. lange pijp op de gasklok, zodat het gas tenminste op een hoogte uitstroomt, waarop het niet gemakkelijk ontstoken wordt. Bij geopende carbidhouder zou er bij alle toestellen gelegenheid voor het uitstromen van gas zijn, wanneer daartegen geen bijzondere maatrege-

len waren genomen. Immers, steeds moet de ontwikkelruimte (waarin zich de carbidhouder bevindt) met de gasruimte in verbinding zijn, om het ontwikkelde gas de gelegenheid te geven naar de gasruimte te stromen. Opent men de ontwikkelruimte, dan zal dus het onder druk staande gas uit de gasruimte terugstromen en inde omgeving komen. Dat zal doorgaan zo lang de gasklok kan zakken of het water ineen vaste gasruimte het gas kan verdringen. Bij de bespreking van deinwerptoestellen is opgemerkt, dat men dit laatste bij toestellen met een bewegelijke gasklok kan voorkomen, door de klok inde stand, waarin hij zich bevindt Vast te zetten, alvorens de ontwikkelruimte of wel de carbidhouder te openen. Als de klok niet kan zakken, blijft het gas er in, in rust, behoudens dan een kleine hoeveelheid die uitstroomt, omdat de gasdruk bij het openen van de ontwikkelruimte gelijk wordt aan die van de buitenlucht. Bij toestellen met vaste klokken kan men op een dergelijke manier het terugstromen van het gas niet verhinderen. Voor toestellen waarbij de gasruimte van de ontwikkelruimte is gescheiden. geldt daarom de wettelijke bepaling, dat er een automatisch werkende afsluiting aanwezig moet- zijn, die het terugstromen- van gas uit de gashouder naar de ontwikkelruimte belet. Zo is met zekerheid te voorkomen, dat de gashouder door de geopende ontwikkelruimte heen leegloopt en aldus de ruimte waarin het toestel staat met gas wordt gevuld. Wel zonder uitzondering gebruikt men voor die automatisch werkende afsluitingen wateraf sluitingen; de omgebogen pijp inde figuur van het ladetoestel is een dergelijke waterafsluiting, evenals de helm s, met de onder water in uitmondende pijp p, van het bussentoestel (zie beschrijving der toestellen). Verder bestaat er nog de mogelijkheid van verspreiding van gas uiteen acetyleenontwikkelaar door lekkage en bij het uiteennemen vaneen toestel voor reiniging, verven of herstelling. Daartegen is evenmin iets te doen als tegen verspreiding van gas door geopende ontwikkelruimten, waarin nog gasontwikkeling plaats heeft. Omdat dus bij geen enkele ontwikkelaar onder alle omstandigheden met zekerheid is te voorkomen, dat

er gas uit verspreid wordt, mogen ze niet worden opgesteld in ruimten, waar dat gas in het bijzonder gevaar oplevert. Zo is het in Nederland wettelijk verboden, een acetyleen-ontwlkkelaar ineen werkplaats te plaatsen. Alleen wanneer aan een moeilijk of in het geheel niet te verplaatsen werkstuk moet worden gelast of gesneden, mag indien nodig • het toestel daarvoor binnen de werkplaats worden geplaatst, maar het moet dan direct na de afloop van dit werk weer worden verwijderd. De toestellen moeten inde buitenlucht zijn geplaatst of wel ineen goed geventileerde ruimte, die uitsluitend voor het toestel dient. Plaatsing in b.v. een bergplaats is dus ook verboden. Tegen opstelling inde buitenlucht zijn heel weinig bezwaren aan te voeren, mits onbevoegden het toestel niet kunnen bereiken. Men kan er b.v. op voldoende afstand een hek omheen plaatsen. Boven het toestel maakt men dan gewoonlijk een afdak tegen inregenen en insneeuwen. Als het toestel behoorlijk inde verf wordt gehouden, zal het buiten even lang in goede toestand blijven, als wanneer het binnenshuis staat. Inde buitenlucht wordt het gas, dat op de een of andere manier mocht ontsnappen, direct verspreid en het levert zo geen gevaar op. Een veiligheidsbuis is bij bulten geplaatste ontwikkelaars dan ook overbodig. Wel moet men ook bij een buiten geplaatst toestel niet met open vuur of lucht komen, vooral niet, wanneer de vulling wordt vernieuwd. Als de ontwikkelaar binnen wordt opgesteld, moet er een ruimte voor gemaakt worden, waar hij juist behoorlijk in kan staan. Deze ruimte geeft men liefst een buitendeur; in ieder gevat mag er geen deur in zijn die verbinding geeft met een lokaal, waarin vuur of open lucht aanwezig is. Omdat juist in zo’n kleine ruimte betrekkelijk gauw zoveel gas kan komen, dat gevaar voor ontploffing aanwezig is, moet een krachtige ventilatie aanwezig zijn. Een groot luchtrooster ineen van de buitenmuren (of inde deur), zo dicht mogelijk boven de vloer en een luchtkoker in het dak geven een voldoende luchtverversing. Als geen luchtkoker kan worden aangebracht, maakt men bovenaan inde buitenmuur ook een luchtrooster, liefst tegenover dat bij de vloer. Heel doeltreffend is ook, het dak ca. 10 cm. vrij van de muren te leggen, zodat er rondom een flinke luchtspleet ontstaat. De ventilatieopeningen mogen nimmer zijn afgesloten. R. C. VAN REE.

Wat is de oorzaak ? Wat is de oorzaak van het plotseling opstijgen van gasbelletjes bij het openen vaneen spuit- of tafelwaterfles? Bij de fabrikatie van tafelwaters wordt koolzuur toegevoegd onder hoge druk en lost deze koolzuur dan in het water op. Bij het openen van de fles wordt deze hoge drux nu plotseling verminderd tot de atmosferische druk, waarbij de vloeistof niet meer zoveel koolzuur in oplossing kan houden. De koolzuur komt dan gedeeltelijk vrij in gasvorm en stijgt door haar lichtheid zeer snel naar het oppervlak, vaak met zoveel geweld, dat het water uit de fles vliegt. H. Van twee overigens dezelfde electrische gloeilampen, waarvan de een helder glas heeft en de andere gematteerd of gekleurd glas, zal het opvallen, dat de laatste aanmerkelijk warmer worden dan de eerste. Dit wordt daardoor veroorzaakt, dat het gematteerde of gekleurde glas slechts een deel van het licht doorlaat en het overige wordt geabsorbeerd en gedeeltelijk in warmte omgezet. H.

Gevaren van acetyleenontwikkelaars

Sluiten