Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ONTSLAGVERORDENING

(N.V.V.) Snelle hulp is dubbele hulp, zegt het spreekwoord. Toen Nederland inde oorlog werd betrokken en vooral toen, na de capitulatie, vele gemobiliseerden zich weer op de arbeidsmarkt meldden en de werkgelegenheid door materialengebrek, verbreking van de scheepvaartverbindingen etc. sterk verminderde, moest er snel worden ingegrepen, wilde voorkomen worden, dat de werkloosheid in ons land catastrophale afmetingen zou aannemen. Er werd snel ingegrepen. Allerwege werden werken aangepakt en werd met de wederopbouw begonnen. Wachtgeldregelingen kwamen in groten getale tot stand. Er werd een regeling getroffen, opdat alleen zij, die werk of een bestaan hadden, voor demobilisatie in aanmerking kwamen. En ten slotte werd, eerst dooreen besluit van den Opperbevelhebber van 27 Mei, later dooreen uitvoeringsbesluit van den secretaris-generaal van het Departement van Sociale Zaken, gepoogd ontslagen zoveel mogelijk tegen te gaan. Snelle hulp is dubbele hulp, dat gold ook hier. Toch heeft zulk een snelle methode van wetgeving ook nadelen. Het is onmogelijk, om op zo korte termijn een zaak werkelijk grondig en tot in bijzonderheden te regelen; men moet dus volstaan met enkele algemene richtlijnen. Dengene, die de regeling krijgt uitte voeren, valt op deze wijze een zeer grote macht toe. Hij toch moet op eigen gezag over alle bijzonderheden, welke zich kunnen voordoen, beslissen en alle moeilijkheden tot oplossing trachten te brengen. Zo is het ook gegaan met de zogenaamde ontslagverordening, met het gevolg, dat velen thans niet meer duidelijk voor ogen staat, wat geoorloofd is en wat niet. Er is daarom alle aanleiding, eens een algemeen overzicht van de huidige stand van zaken te geven. Hierbij moet de restrictie worden gemaakt, dat nog elke dag nieuwe regelingen worden getroffen, zodat ons overzicht nooit helemaal „bij” kan zijn. De hoofdzaken. Het eerste besluit van den Opperbevelhebber van 27 Mei bevatte een verbod, om nd 27 Mei zonder vergunning van den Directeur-Generaal van de Arbeidde arbeid ineen onderneming blijvend of tijdelijk stop te zetten, de arbeidsduur te verminderen tot minder dan 36 uur per week en gedurende een tijdvak van 30 achtereenvolgende dagen 25 of meer arbeiders ineen onderneming al of niet tegelijkertijd te ontslaan. Het geven van het ontslag zonder daartoe verkregen vergunning bleef dus mogelijk, zij het op kleine schaal. Van stopzettingen of ontslagen tussen 10 en 27 Mei 1940 moest alleen maar kennisgegeven worden aan de Arbeidsinspectie. De verordening van 11 Juni, die voor boven-' staand besluit inde plaats is gekomen, gaat veel verder. Voor elk ontslag moet voortaan in beginsel vergunning van de Arbeidsinspectie worden gevraagd. Ook voor elke verkorting van de wekelijkse werktijd tot minder dan 36 uur of voor het stopzetten van de onderneming. Bovendien moeten alle ontslagen, die na 9 Mei hebben plaats gehad, terstond ongedaan gemaakt worden, tenzij zij door de Arbeidsinspectie zijn goedgekeurd. Uitzonderingen. Kan dus nu geen enkele werkgever meer ontslagen worden zonder een vergunning van de Arbeidsinspectie? Zo is het niet helemaal. Er zijn uitzonderingen mogelijk. Inde eerste plaats geldt de verordening slechts voor ondernemingen. Ondernemingen zijn, naar de opvatting van de arbeidsinspectie, zaken, die men drijft om geldelijk voordeel te behalen. Ook overheidsbedrijven, die kennelijk dit doel hebben, vallen onder de ontslagverordening. Maar niet vallen hieronder: huishoudelijk personeel, zij, die in dienst zijn van beoefenaren vaneen vrij beroep (dokter, advocaat, enz.), vaneen overheidsdienst die geen winstoogmerk heeft, of vaneen instelling of vereniging, waarvan hetzelfde kan worden gezegd. Al deze werknemers mogen dus zonder vergunning worden ontslagen. Er bestaat thans ook een regeling, volgens welke een werkgever personeel, dat hij tijdelijk, d.w.z. voor hoogstens drie weken, heeft aangenomen, zonder vergunning kan ontslaan. De werkgever moet dan echter van het aanstellen van zodanig personeel de Arbeidsinspectie vooraf op d? hoogte stellen. Houdt hij dit tijdelijke personeel langer in dienst dan 3 weken, dan wordt de ontslagverordening weer van kracht. Dan kan de werkgever ook nog zonder vergunning een arbeider ontslaan om' zogenaamde „dringende redenen” (art. 1639 p. van het Burgerlijk Wetboek). Hieronder valt bijv. wangedrag van den arbeider. Meent een arbeider echter, dat zijn patroon ten onrechte wangedrag als motief voor zijn ontslag aanvoert, dan kan hij zich wenden tot de Arbeidsinspectie, die opdracht heeft, zulke klachten zeer nauwkeurig te onderzoeken. Ook voor ontslag wegens ongeschiktheid zal vergunning worden verleend, maar dan zal de Arbeidsinspectie verlangen, dat onmiddellijk een plaatsvervanger op gelijke arbeidsvoorwaarden wordt aangesteld.

Vertromcensinstanties. Voor zover de aanvragen, die bij de Arbeidsinspectie binnenkomen, bedrijfjes gelden met niet meer dan 5 werknemers, en in nog enkele andere gevallen hebben de Districtshoofden der Arbeidsinspectie het recht, zelve over deze aanvragen te beslissen. De overige aanvragen moeten aan den Directeur-Generaal van de Arbeid (het hoofd van de Arbeidsinspectie) worden voorgelegd. Het spreekt vanzelf, dat deze al deze aanvragen niet persoonlijk kan behandelen. Daarom zijn ingeschakeld zogenaamde vertrouwensinstanties voor verschillende bedrijfstakken. Waar zulk een vertrouwensinstantie bestaat, kunnen de werkgevers zich rechtstreeks tot haar wenden. De vertrouwensinstanties brengen dan advies uit aan den Directeur-Generaal, die ten slotte beslist. Aanvankelijk bestonden de meeste van deze vertrouwensinstanties uit één of twee werkgevers of werkgeversvertegenwoordigers. Langzamerhand komt daarin verandering en wordt inde vertrouwensinstanties ook het werknemerselement opgenomen. Richtlijnen voor ontslag. Het spreekt vanzelf, dat de Directeur-Generaal van de Arbeid aan de vertrouwensinstanties, de Districtshoofden en de onder hem werkende ambtenaren bepaalde richtlijnen heeft gegeven voor de beoordeling van de vraag, wanneer een vergunning tot ontslag mag worden gegeven. Om te beginnen, mag de vergunning slechts in uiterste noodzaak gegeven worden en is zij te allen tijde intrekbaar! In het algemeen wordt geen vergunning verstrekt, indien door verkorting van de werktijd tot 36 uur per week het gehele personeel in dienst kan blijven. De Arbeidsinspectie houdt er in zulke gevallen geen rekening mee, dat wellicht een deel van het personeel geheel andere werkzaamheden moet gaan verrichten dan gewoonlijk. Ook houden de ambtenaren van de Arbeidsinspectie zich buiten kwesties, de lonen en arbeidsvoorwaarden betreffende. Zelfs bij stopzetting of vernieling van het bedrijf moet geprobeerd worden, een deel van het personeel aan de gang te houden met onderhouds-, opruimings- en herstelwerkzaamheden. Bij grondstoffengebrek of brandstoffengebrek moet naar andere grondstoffen en voorzieningen worden omgezien. Bij de beoordeling van de vraag, of financiële moeilijkheden, moeilijkheden inde brandstoffen- of grondstoffenvoorziening, vervoersmoeilijkheden enz., werkelijk onoverkomelijk zijn, wordt advies ingewonnen bij instanties als de Maatschappij voor Industrie-Financiering, het Rijkskolenbureau, de Rijksgrondstoffenbureaux, de Rijksverkeersinspectie e.d. Ontslagen mogen wel worden goedgekeurd, wanneer er eendoor de Rijksdienst der Werkloosheidsverzekering en Arbeidsbemiddeling goedgekeurde wachtgeldregeling bestaat en wanneer de ontslagenen een redelijk pensioen wordt uitgekeerd. Geen vergunning is vereist, wanneer de arbeider vrijwillig ontslag neemt. In dit laatste geval moet echter worden nagegaan, of het ontslag werkelijk vrijwillig is en of de ontslagene niet ten laste van de gemeenschap komt. Volgorde bij ontslag. Indien vergunning tot het geven van ontslagen wordt verleend, dan moet daarbij het volgende in acht worden genomen. Voor alle anderen komen de 65-jarigen en ouderen in aanmerking voor ontslag. Verder moet onderstaande volgorde in acht worden genomen: a. gehuwde vrouwen, niet-kostwinsters, b. meisjes en ongehuwde vrouwen, niet-kostwinsters, c. jongens en ongehuwde mannen, niet-kostwinners, d. meisjes, ongehuwde en gehuwde vrouwen, welkostwinsters, e. jongens en ongehuwde mannen, wel-kostwinners, f. gehuwde mannen. Korter werken. Indien een werkgever de wekelijkse arbeidstijd wil terugbrengen tot minder dan 36 uur, moet hij daarvoor evenzeer vergunning vragen. De Arbeidsinspectie zal dan nagaan, of de arbeiders, bijv. door het treffen vaneen aanvullende steunregeling, toch een dragelijk weekinkomen houden. Inde reglementen van de meeste werklozenkassen komen bepalingen voor, welke het verstrekken vaneen aanvullende uitkering bij zogenaamde gedeeltelijke werkloosheid mogelijk maken. Inde rijkssteunregeling is thans een bepaling opgenomen, welke de gemeentebesturen in staat stelt, aan de arbeiders, die korter werken dan 36 uur per week, een zodanige uitkering te geven, dat zij in elk geval een weekinkomen zullen hebben, dat 20 pet. ligt boven het steunbedrag, hetwelk zij bij gehele werkloosheid zouden ontvangen. Met gezinsinkomsten wordt in deze gevallen geen rekening gehouden. De bepalingen inde rijkssteunregeling omtrent uitkering bij gedeeltelijke werkloosheid zijn in deze gevallen niet van toepassing. Ontslagverordening, kasuitkering en steun. Na 11 Juni (de dag van afkondiging van de verordening) mocht niemand meer zonder vergunning

ontslagen worden. Werkgevers, die dat toch hebben gedaan of alsnog doen, zijn in overtreding en moeten in rechte worden aangesproken. Men wende zich daartoe tot zijn organisatie of tot het Bureau voor Arbeidsrecht. Een moeilijkheid hierbij is, dat men, zolang de kantonrechter geen uitspraak heeft gedaan, zonder inkomen zit. Want de kassen mogen, evenals trouwens de organen der steunverlening, in deze gevallen beslist niet uitkeren. Om een spoediger beslissing te krijgen, kan men zich in deze gevallen ook wenden tot het College van Rijksbemiddelaars. Het blijft echter voor de arbeiders, wie het treft, een zeer vervelend geval, door het N.V.V. wordt getracht, hiervoor een oplossing te vinden in overleg met de desbetreffende autoriteiten. In geval de nood heel sterk dringt, kan men zich natuurlijk tot het Burgerlijk Armbestuur wenden. Met de ontslagen, gegeven tussen 9 Mei en 11 Juni, (welke aanvankelijk geoorloofd waren of althans ' konden zijn, doch die krachtens de verordening van 11 Juni terstond ongedaan gemaakt moesten worden, staat het, wat de steun betreft, iets anders. Indien de werkgever niet in staat of in elk geval niet bereid blijkt, den ontslagene terug te nemen, dan kan den arbeider uit de werklozenkas of krachtens de steunregeling bij wijze van voorschot uitkering verstrekt worden. Blijkt later, dat zijn patroon geen vergunning tot ontslag krijgt, zodat de ontslagene teruggenomen moet worden, dan zal hij van het dan te ontvangen loon de genoten uitkering terug moeten betalen. Terugnemen van ontslagenen. Zoals gezegd, moesten degenen, die tussen 9 Mei en 11 Juni ontslagen waren zonder vergunning, onverwijld weer in dienst genomen worden. De patroon behoefde de ontslagenen echter niet op te roepen: zij moesten zich bij hun ouden werkgever melden. Aangenomen wordt nu, dat degenen, die zich vóór 1 Juli niet gemeld hebben, elders werk hebben gevonden. Degenen, die tussen 9 Mei en 11 Juni ontslagen werden zonder vergunning, kunnen zich dus thans de moeite wel sparen, zich alsnog bij hun vroegeren werkgever te melden. Deze zal alleen nog maar in zeer bijzondere gevallen verplicht worden, den ontslagene alsnog terug te nemen. Gemobiliseerden. Ontslag van plaatsvervangers, teneinde gedemobiliseerden weer in dienst te kunnen nemen, is in het algemeen niet geoorloofd. Het wordt alleen toegestaan, wanneer de ontslagen plaatsvervanger elders werk, zij het ook tegen geringer loon, kan krijgen. Gemobiliseerden, die aan de onderneming gebonden bleven, bijv. dooreen wekelijkse of maandelijkse toelage, door het tijdens verlofdagen werken, enz. en die na 9 Mei 1940 bericht kregen, dat zij niet kunnen worden teruggenomen, worden beschouwd als na 9 Mei ontslagen te zijn. Op hen is dus de ontslagverordening van toepassing. Indien in kleine ondernemingen de patroon of diens zoon, die vóór de mobilisatie aan de bedrijf sarbeid deelnamen, nè, demobilisatie hun werk wensen te hervatten, kan voor het ontslaan van den aangewezen plaatsvervanger vergunning worden verkregen. Thuiswerkers en Belgen. Personen, die al of niet met hulpen uitsluitend of in hoofdzaak voor één onderneming in huisarbeid plegen te werken, vallen onder de ontslagverordening. Evenzeer is dit het geval met Belgische arbeiders hier te lande. Toezicht op de naleving. Behalve de gewone opsporingsambtenaren zijn met het toezicht op de naleving van deze ontslagverordening belast de ambtenaren van de Arbeidsinspectie. Met klachten moeten onze afdelingsbestuurders e.d. zich dus bij voorkeur tot deze ambtenaren en anders tot de burgemeesters of tot de politie-autoriteiten wenden. Nieuw besluit ingevolge de Veiligheidswet 1934 (I.B.) De Veiligheidswet behoort tot de oudste arbeidswetten van ons land. Een staatscommissie van 1890 onder voorzitterschap van jhr. mr. W. F. Rochussen gaf de tot standkoming van deze wet, een belangrijke stoot, toen zij in haar rapport van 1893 wettelijke beveiliging onmisbaar noemde. De tijden liggen al weer ver achter ons, dat men wetten als deze, zoals bij de behandeling van het ontwerp-Veiligheidswet, uitingen van ziekelijk philantropie noemt. Nadat de veiligheidswet in 1895 tot stand was gekomen is deze enkele malen verbeterd en wel in 1909, 1915 en 1934. Eén van die verbeteringen in 1934 was dat niet alleen het gebruik van gevaarlijke onbeyeiligde werktuigen en toestellen kon verboden worden, maar ook het vervaardigen, het verhuren of verkopen van genoemde toestellen. Ondanks het voortdurend inspecteren van

Sluiten