Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De geschiedenis van de zakdoek Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen, dat de mensen de zakdoek nog geen vijfhonderd jaar kennen, en wij zullen ons er maar niet in verdiepen, wat er vóór de gezegende uitvinding van de zakdoek met verkouden en lopende neuzen gebeurde. Wel is bekend, dat in warme landen z.g. zweetdoeken in gebruik waren, waarmee het gezicht werd afgedroogd. Een Venetiaanse dame zou in het midden der vijftiende eeuw (dus plm. 1450) de zakdoek hebben uitgevonden. Jammer genoeg is haar naam niet bewaard gebleven. De naam was „fazzoletto”, d.i. gelaatsdoek, wat er op wijst, dat het doekje niet alleen voor de neus. maar voor het gehele gezicht werd gebruikt. Als „faciletje” is de zakdoek over de Alpen naar het Noorden gekomen. Maar in het begin scheen men er zijn neus niet al te veel in te snuiten, want Erasmus maande in 1509 in zijn „Lof der Zotheid” om de zakdoek, nu hij er eenmaal was, ook te gebruiken. Veel uitwerking had zijn maanwoord niet. De Fransen b.v. gebruikten de „fazzoletto” meer om vliegen te verjagen dan om de neus te snuiten. Het Franse woord voor zakdoek, „mouchoir”, dankt daaraan ook zijn oorsprong. Het Franse woord voor vlieg is n.l. „mouche”. Trouwens men nam het toen, en ook later, inde tijd van Bodewijk XIV, niet te nauw met de hygiëne. Een bad nemen was ongezond. In

de 16e en 17e eeuw speelde zelfs het wassen een heel ondergeschikte rol, zodat men door overvloedig gebruik van parfum onaangename lichaamsgeuren moest onderdrukken. Verschonen deed men zich ook niet al te vaak,, en de infante (kroonprinses) Isabella van Spanje hield als gevolg vaneen gelofte haar hemd drie jaar achtereen aan. De naam Isabellakleur vertelt ons nu nog, welke tint toen dat kledingstuk vertoonde. De dames en heren waren dus gewend hun „fazzoletto” inde hand te dragen en er vliegen mee te verjagen. Omdat men elkaar daarmee wederzijds van dienst was, bleek de zakdoek ai spoedig een prachtig middel om te flirten en de naam „mouchoir de Vénus” ontstond (letterlijk: vliegenver jager van Venus). . Het lag inde lijn, dat de zakdoek een middel werd tot opschik. Sommige zakdoeken waren dan ook zo kostbaar, dat men er zijn neus niet eens in zou durven snuiten. De kwasten en schelpen waarmee ze dikwijls versierd waren, zouden trouwens het snuiten ook niet tot een genoegen gemaakt hebben. Kostbare zakdoeken waren vanzelfsprekend duur. De geliefde van

Hendrik IV, Gabrielle d’Estrée, had een zakdoek, die 1900 daalders gekóst had. De zakdoeken van Marie Antoinette kostten driehonderd gulden per stuk en Joséphine, de gemalin van Napoleon, gebruikte zakdoeken van 80 francs per stuk. Jsit alles werkte er niet toe mee, om de zakdoek' zijn .hygiënische rol te doen – vervullen. Bovendien vaardigden stadsbesturen verboden uit , voor de burgers om zakdoeken te dragen, onjdat daardoor de verspilling inde liapd werd gewerkt. Bovendien bezat men geen voorraad zakdoeken, zoals thans. Karei II van Engeland had er b.v. slechts twee in zijn linnenkast en Hendrik IV van Frankrijk bezat, naast twaalf hemden, vier zakdoeken.

Aan keizerin Joséphine danken we het ten slótte, dat de zakdoek toch een neusdoek geworden is. Zij had lelijke tanden en ze was gewoon om bij het spreken en lachen haar zakdoek naar de mond te brengen. De hofdames vonden dat natuurlijk prachtig en aapten het na. Van de mond naar de neus was de weg niet lang meer. In 1812 waren er reeds ordentelijke zakdoeken, eerst van perkal (Oost-Indische katoen), later van linnen of katoen. Maar van de zakdoek als opschik deed men ook toen nog geen afstand. Er werd veel tabak gesnoven en ten behoeve der snuivers werden zakdoeken bedrukt met landkaarten en historische voorstellingen. En uit onze tijd kennen wij nog wel zakdoeken met de afbeeldingen van koninklijke personen, enz.

MINIATUUR VERHALEN

door Richard Cole. De bleke man met de harde ogen sloop zacht naar de open keuken, waar een. dikke vrouw op drie passen afstand rustig appels zat te schillen., „Ken je me nog, moeder Peters?” fluisterde hij. Of ze hem kende! Een ogenblik stokte het mes inde appel, die zij onder handen had. Toen draaide zij zich langzaam om. Het zonlicht streek over haar witte haar en de rimpels in haar bruine, zachte gezicht. „Ben je weer terug, Bill Dodd?” „Ja, na tien jaar!” Hard klonk zijn stem. Hij stapte op de drempel en kruiste zijn armen over de borst. „Neem een stoel, Bill.” Hij bleef bewegingloos staan en snoof de lucht van de keuken op, die haar appels, gist en brandend hout rook. „Bak je appeltaart? Daar hou ik van. Herinner 'je jè nog?” „Ik weet het”, zei zé en glimlachte zacht. Maar haar hart klopte onstuimig. „Ik heb dikwijls aan je gedacht, Bill.” Zijn koude ogen bliksemden. „Ik aan jou ook, als ik naar de tralies keek. Als ik slecht vreten kreeg, dacht ik aan jou.' Jij’ rook de geur van de, bloeiende pruimebomen, ik de stank van mijn ton en lysol. Jij zag ’s nachts het licht van de sterren. Heb jij ooit het, licht gezien, dat door de deur vaneen cel schijnt? Ik was toen vijfentwintig. Nu ben ik vijf en dertig. Ja, ik heb dikwijls aan je gedacht.” Zijn stem was hard en vol dreiging. De handen van moeder Peters trilden. Zij verschoof haar stoel een beetjè, zodat haar armen op de tafel rustten. Snel schoof haar mes onder de schil der appelen. , „Toen bakte je ook appeltaart. Je zat appels te schillen en door de open keukendeur zag je dat iemand de geld-

wagen naar Scull Ranch aanhield. Toen ik later hier voorbij ging, trok jij de zwarte doek uit mijn heupzak.” „Ik vond hem zo somber voor een zakdoek vaneen jongen man.” – • „Je zag de ooggaten erin- en toen trok jij je conclusies. Dat had je beter kunnen laten. Je gaf me appeltaart te eten én toen riep je den sheriff. Ze hadden me nooit gekregen, als jij er niet geweest was. „Zo?” vroeg ze. >,Ja, zo!” grijnsde hij. „Je woont hier helemaal alleen op deze eenzame berg. De levensmiddelenhandelaar komt maar eens inde week hier. Anders komt hier niemand regelmatig.” Moeder Peters voelde een nijpende angst. Ze besefte, dat ze oud en dik en langzaam was. „Inde eerstvolgende dagen zullen hier ook geen herders of boswachters langs komen, moeder Peters. Aan de andere zijde van de berg woedt een verschrikkelijke bosbrand. Ik heb die met moedwil veroorzaakt. Ik heb er lang over nagedacht om een manier te vinden, waardoor ik jou de tien jaren hel ineen paar dagen terugbetalen kon. Ik leg je gebonden en gekneveld op zolder. Niet lang na morgen zul je stikken van dorst. Je zal in je fantasie water horen ruisen, maar je zult niet kunnen drinken. Je zult het leven haten,

en Je zult toch moeten leven... totdat je crepeert...” Toen Bill Dodd van de zolder beneden kwam, reed hij met zijn auto over de bergweide naar de weg. Hij nam rustig de tijd om naar grazend wild te kijken en een stuk worst te eten. Langzaam reed hij langs de rivier om het springen van de forellen te kunnen zien. Waar het dal inde vlakte overging, hield hij stil bij een klein benzinestation. Een grijze, zware man met een grote hoed en verfomfaaide kleren zette zijn voet op de treeplank. „Hoe gaat het, Bill?” „Ah, de sheriff!” Hij begroette hem bizonder vriendelijk, om te tonen, dat hij geen slecht geweten had. „Ik dacht, dat u bij de bosbrand zou zijn.” „Bosbranden blussen is geen werk meer voor mij. Oude mensen moeten op jonge deugnieten letten, zoals jij er een bent.” Bill lachte genoegelijk. Maar zijn lach verstierf, toen hij in de scherpe ogen en het grimmige gezicht van den sheriff keek. „Kom er uit, Bill!” De sheriff deed het portier open. Bill greep achter zich naar zijn revolver. Maar door het open raam aan de andere zijde legde een ijzeren greep zich om zijn pols. De man van het benzinestation nam hem de revolver af. „Ik reed net langs moeder Peters, om haar te vertellen, dat je terug was”, verklaarde de sheriff. „Jouw naam en „zolder” was in appelschillen op de tafel geschreven. Moeder Peters kan wonderen doen met een appel. Kom er uit, Bill! Vooruit!”

Hij stapte over de drempel ■ en kruiste zijn armen over de borst.

Een grijze,- zwarte man met een grote hoed en verfomfaaide kleren zette zijn 'voet op de treeplank.

Manus Mikketik zet z'n verhaal kracht bij

Sluiten