Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zelfs toen dus reeds, n.l. in 1930, stond deze bepaling van de Ziektewet op de practijk ten achter. Een oplossing werd toen gezocht en gevonden door het oprichten of instandhouden van z.g. suppletiefondsen, waaruit over één of meer van de wachtdagen, ingeval van ziekte, uitkering wordt verstrekt. En op deze min of meer primitieve wijze wordt de officiële ziekengelduitkering volgens de Ziektewet dan nu gecompleteerd. Een elegante manier hebben we dat nooit gevonden, doch bij gebrek aan beter is het te aanvaarden, mits als overgangsmaatregel bedoeld. Nu inmiddels de arbeidsvoorwaarden bij Collectieve Arbeids Overeenkomst zijn geregeld, achten wij het moment gekomen, dat met de voorbereidingen wordt begonnen de materie van de ziekengeldverzekering in haar geheel op meer afdoende wijze te regelen. Wij zouden aan de geschiedenis te kort doen, indien wij er geen gewag van maakten, dat inde Bedrijfsvereniging deze kwestie meermalen aan de orde is geweest. Doch een Bedrijfsvereniging is een uitvoeringsorgaan en regelt geen arbeidsvoorwaarden. Niet geheel ten onrechte heeft men zich dan daarop beroepen. Men verwees dan de zaak naar het terrein waar de arbeidsvoorwaarden worden geregeld. En dat zijnde vakverenigingen én van de werkgevers én van de werknemers. Beoordelen we nu nog eyen de kwestie van de carenzdagen, vanuit een sociaal standpunt bezien. Volgens artikel 37 lid 2 van de Ziektewet, gaat het recht op ziekengelduitkering in op de derde dag na die waarop de ongeschiktheid tot werken aanving.

In voor ons bruikbare taal, komt dat hierop neer, dat de uitkering aanvangt de vierde dag en over de eerste drie dagen geen recht op uitkering aanwezig is. En volgens het eerste lid van dit zelfde artikel bedraagt het ziekengeld 4/s van het dagloon. Op de basis van de wet ontvangt men over de eerste drie dagen niets en over de volgende drie dagen 80% of wel 40% gedurende de eerste zes dagen. Als regel gaat ziekzijn met extra uitgaven gepaard. In plaats van dat er meer inkomsten zijn om deze voor de hand liggende meerdere uitgaven te bestrijden, ontvangt men dus gedurende de eerste week slechts 40% van het gederfde weekloon aan ziekengeld. Volgt op deze eerste week nog een tweede, waarover 80% wordt ontvangen, dan bedraagt de gemiddelde ziekengelduitkering slechts 60% over deze twee weken. Zelfs onafhankelijk van de vraag of er tengevolge van ziekte meer uitgaven ontstaan, acht ik uit sociaal oogpunt bezien, de wettelijke voorziening (drie carénzdagen) onvoldoende. Wij stellen ons voor, te bevoegder plaatse aan deze materie onze bijzondere aandacht te wijden. We gaan nu met deze C.A.O. en thans voor de derde maal, een nieuw contractj aar in. Om meer dan één reden is het nu juist niet de meest geschikte tijd om vergelijkingen te maken. Toch zien we ook in dit opzicht de toekomst hoopvol tegemoet. Tot slot de eer aan den man, die deze C.A.O mee hielp voorbereiden, doch niet bij de finale aanwezig kon zijn. Het is onze oud-Bondsvoorzitter H. J. v.d. Born, die een zeer gróót aandeel heeft gehad bij het totstandbrengen van dit collectief contract.

Wachtgeldregeling en uitkering uit de werklozenkas

(J. L.) Zoals vele lezers van ons blad door ondervinding wel bekend zal zijn, is het aantal wachtgeldregelingen inde metaalindustrie de laatste tijd sterk toegenomen. Dit staat in verband met de oorlogsomstandigheden. Wachtgeldregelingen dienen voornamelijk ter overbrugging van perioden van slapte in het bedrijf en door de onregelmatige materiaalaanvoer behoren zulke slapteperioden niet tot de onmogelijkheden. Een wachtgeldregeling biedt verschillende voordelen. Inde eerste plaats betekent zij een ontlasting van de werklozenkas en ten tweede blijven de werknemers aan de onderneming verbonden. Daarbij komt nog, dat de arbeiders die wachtgeld genieten, hun rechten op uitkering uit de werklozenkas voor later, als zij toch nog werkloos mochten worden-, bewaren. Hadden vóórdien slechts enkele ondernemingen, zoals de N.V. T. v. Duyvendijk’s Scheepswerf te Lekkerkerk, de werf Jan Smit Czn. te Alblasserdam en de N.V. Fabriek van Klinknagels en Schroefbouten v.h. Joh. Smit te Slikkerveer, een wachtgeldregeling, nu loopt er nog bij verschillende andere ondernemingen inde metaalindustrie een wachtgeldregeling. Wij denken hierbij o.a. aan enige grote werkgevers te Rotterdam en omgeving (Gusto, P. Smit Jr., Wilton, R.D.M.), de N.V. Philips te Eindhoven en de N.S.F. te Hilversum. * * * De wachtgeldregelingen die nu in het leven zijn geroepen, verschillen niet veel met de wachtgeldregelingen die wij vroeger gekend hebben. Toch is er nog een essentieel verschil. Voorheen waren de wachtgeldregelingen in het leven geroepen bij een normale werkweek van 48 uur. In 1919 en daarna hebben wij deze situatie reeds gekend. Nu ligt het geval enigzins anders. Inde meeste bedrijven was de toestand zo, dat een groot aantal arbeiders ontslagen was, terwijl voor het overblijvende deel de werktijd werd ingekrompen tot 36 uur. Bij deze werktijdinkrimping was er dan voor de arbeiders nog gelegenheid om een i dag uitkering uit de werklozenkas te ontvan-

gen. Uit verzekeringsoogpunt gezien een volkomen billijke zaak. Later werden de wachtgeldregelingen in het leven geroepen. Hierdoor ontstond de toestand, dat arbeiders die werkten aan een onderneming waar een wachtgeldregeling is, geen uitkering uit de werklozenkas mochten hebben. Dus ook voor hen die eerst voor uitkering in aanmerking kwamen, werd nu de uitkering stopgezet. Onzerzijds konden wij ons moeilijk verenigen met deze opvatting. De samenwerkende organisaties hebben zich tot het Departement van Sociale Zaken gewend. Zij vroegen om, wanneer de wachtgeldregeling opgetrokken was tot 36 uur of lager, de arbeiders die 36 uren werkten, dus automatisch buiten de wachtgeldregeling kwamen te staan, wel een i dag uitkering uit de werklozenkas te verschaffen. Het Departement handhaafde ten deze zijn beslissing van 1919, n.l. dat het niet goed kon keuren dat aan één bedrijf 2 soorten arbeiders waren verbonden, waarvan de éne groep wél en de andere geen aanspraken had op de werklozenkas. Ondanks het feit dat onzerzijds is betoogd dat de omstandigheden geheel anders zijn dan in 1919, hebben wij het Departement niet kunnen overtuigen. Het blijft dus zó, dat wanneer aan de één of andere onderneming een wachtgeldregeling is of wordt verbonden, alle arbeiders, onverschillig of zij bij die onderneming werken of wachtgeld ontvangen, geen aanspraak op de werklozenkas kunnen maken, daar hun dienstverband niet verbroken geacht kan zijn. Aangezien wij van mening zijn dat ons standpunt nog het meest juiste is, hebben wij deze aangelegenheid onder de aandacht van het N.V.V. gebracht, met het verzoek in onze geest werkzaam te zijn, opdat dit ertoe kan leiden, dat een aantal personen wel 'in aanmerking kan komen voor kasuitkeringen. Zolang deze pogingen geen resultaat hebben, geldt als gedragslijn hetgeen wij hierboven reeds mededeelden, n.l. dat onder de gegeven omstandigheden niet tot uitkering kan worden overgegaan.

GEWIJZIGDE OMSTANDIGHEDEN (A.J.W.) Het laatste jaar, maar vooral inde afgelopen vier maanden, hebben veranderingen plaatsgevonden op velerlei gebied, die voor de gehele wereld, maar in ’t bijzonder voor Europa, wijzigingen brengen van zo verstrekkende aard, dat men deze in zijn stoutste dromen niet heeft kunnen voorzien. Dat een dergelijke revolutie niet aan onze grenzen halt houdt, spreekt vanzelf, met gevolg, dat ook ons volk in deze maalstroom van gebeurtenissen is opgenomen. Door al deze geweldige gebeurtenissen verliest men echter zo spoedig de voor ons toch ook bebelangrijke zaken uit het oog, om er maar één te noemen, b.v. het doel van onze Bond. Dit doel wordt niet gediend door met bitterheid in ’t hart te blijven mopperen op het nieuwe, dat zijn intrede doet, maar veel meer door de werkelijkheid onder ’t oog te zien. Het heeft geen zin te treuren om het verleden. Neen, kameraden, alleen naar voren kijken in de lichtende toekomst, niet achterom. De tegenwoordige oorlog, die momenteel nog woedt tussen enige der grootste mogendheden van Europa, is geen oorlog zoals wij die kennen uit het verleden, maar is zuiver een botsing tussen het oude, het kapitalistische stelsel en het nieuwe, het socialisme. Het is nu eenmaal een vaststaand feit, dat een oud stelsel zich niet zo gemakkelijk terzijde laat schuiven, maar daar staat tegenover, dat het nieuwe nooit is tegen te houden, met als logisch gevolg: strijd. Nederland nu is bezet gebied geworden en heeft zich daarom te schikken naar de wensen en hevelen, gesteld door de bezettende autoriteiten. Deze autoriteiten komen uiteen socialistisch geregeerd land en brengen hier „het socialisme van de daad”, hetgeen wij reeds hebben kunnen bemerken. Men denke b.v. aan de veranderde ziektewet, n.l. aan dat gedeelte, dat handelt over de ongehuwde moeder, of aan het verbod om salarissen en lonen te verlagen. Maar dit nieuwe socialisme brengt ook consequenties met zich mede, die, boe hard zij vaak ook mogen schijnen, in werkelijkheid absoluut nodig zijn voor een gezonde opbouw van ons volk en vaderland. De aanstelling van den heer Woudenberg als commissaris van het N.V.V. door den Rijkscommissaris, was b.v. absoluut noodzakelijk, omdat daardoor het voortbestaan van het N.V.V. en de daarbij aangesloten bonden gewaarborgd werd. Nu kom ik weer terug op hetgeen ik hiervoor reeds schreef, n.l. dat één en ander geen aanleiding moge zijn om bij de pakken te gaan neerzitten of maarte blijven mokken. Neen, kameraden, juist nu rust op ieder onzer de plicht, met inzet van al zijn kunnen mede te werken om onze Bond groter, sterker en mooier te maken. Tenslotte vechten wij allen voor één doel, n.l. dat ook den arbeider een menswaardig bestaan, inde ruimste zin van het woord, wordt gegarandeerd. Maar dit wordt ons nu eenmaal niet inde schoot geworpen, integendeel moet hiervoor gestreden worden. Probeert daarom de Bond groter en hechter te maken door uw nog niet georganiseerden arbeidskameraad ook lid te doen worden! WTerkt allen mede met uw tegenwoordig hoofdbestuur en toont u verder gedisciplineerd en waardig, want de toekomst van ons volk en vaderland hangt voor een groot deel ook van uw houding af. Chef Persdienst N.V.V. Naar wij vernemen heeft de Commissaris voor het Nederlands Verbond van Vakverenigingen, met ingang van 1 October 1940 benoemd tot pers-chef van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen, den heer J. de Haas, journalist te Amsterdam. Correspondentie A. P. te N.; We lazen uw brief met belangstelling. Voor publicatie is deze echter niet geschikt. (Red.)

Sluiten