Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De man, die het Witte Huis verhuurde In Los Angelos, inde Verenigde Staten, is verleden jaar Arthur Fergusson gestorven, die tot de bekendste mannen van Amerika behoorde. Men zou hem een doodgewonen bedrieger kunnen noemen, wanneer zijn streken niet zo ver uitstaken boven de maat van het platte bedrog. Zijn eerste grote zaak deed hij in Londen. Hij kwam daar een schatrijken Amerikaansen varkensfokker op het spoor, die het voornemen had om voor zijn park in Chicago een waar de vol stuk uit Engeland mee te nemen. „Het mag een flinke duit kosten”, verklaarde hij, „want als

mijn vrienden bij mij komen, wil ik ze kunnen vertellen hoeveel dollars het zaakje mij gekost heeft”. Arthur Fergusson merkte al spoedig, dat de varkensfokker met de dingen, die de Amerikanen gewoonlijk uit Engeland wegslepen, niet tevreden was. Het moest iets heel bijzonders zijn. Nu wilde het toeval, dat juist in die dagen het standbeeld van Nelson op Trafalgar Square werd schoongemaakt, waarvoor steigers waren aangebracht. Fergusson zei tegen den voorman: „Er komt hier straks een malle Amerikaan, die zal vragen wat er met het standbeeld gebeurt. Zeg hem, dat het oude standbeeld voorlopig weggenomen wordt en dat er iets anders voor inde plaats komt”. Een banknoot van vijf pond deed de rest. Fergusson kwam met den zwijnenfokker op Trafalgar Square en zei: „Misschien kunnen we van den burgemeester het standbeeld kopen. Het wordt juist afgebroken”. De varkensfokker vroeg aan den voorman: „Is het waar, dat het standbeeld verdwijnt?” „Zeker”, was het antwoord. „Het gaat weg”. Fergusson bood aan, de koop af te sluiten en hij kreeg den millionnair zo ver, dat hij 5000 pond (destijds 60.000 gulden) op tafel legde en daarvoor van Fergusson een bewijs op zegel ontving, dat hij het standbeeld kon laten weghalen. Met dit aanvangskapitaal ging Fergusson snel naar Amerika en de zwijnenfokker was een week lang in Londen het mikpunt van de algemene spot. Fergusson legde er zich nu speciaal op toe om multi-millionnairs bij de neus te nemen. Toen een Californische geldmagnaat in Washington een representatieve woning zocht, werd Fergüsson zijn vertegenwoordiger. Deze liet hem vèrschillende huizen zien, maarde rijkaard vond geen enkele woning groot en mooi genoeg. Destijds maakte de Amerikaanse president een vakantiereisje op zee en het Witte Huis, de zetel der presidenten, was ter bezichtiging opengesteld. Daar maakte Fergusson gebruik van en nadat hij een beambte een grote fooi had gegeven, leidde hij den Californiër door het Witte Huis en vertelde, dat het te huur was. De man vloog er in en besloot het Witte Huis te huren voor de tijd van 99 jaar, tegen 10.000 dollar (25.000 gulden) per jaar met een vooruitbetaling van twee jaar huur. Fergusson zorgde voor de 'nodige papieren en een paar dagen later

kwam er een lange rij verhuiswagens voor het Witte Huis rijden. De Californiër stelde zich voor aan den beheerder en zei: „Ik heb het Witte Huis voor 99 jaar gehuurd en wil het nieuw meubileren. De oude meubels smijt ik eruit!” De opschudding was geweldig en heel Amerika lachte zich buikpijn om den millionnair, die van een willekeurigén meneer het Witte Huis had gehuurd. Zijn derde Uilenspiegelstreek was de brutaalste. Hij maakte een rijken Australischen schapenfokker wijs, dat hij goede relaties had met den burgemeester van New York en met den gouverneur van de staat New York en op die grond den Australiër het Vrijheidsbeeld voor de haven van New York in handen zou kunnen spelen, als die er maar genoeg voor wilde betalen. Dat wilde de Australiër graag, want hij wilde het beeld aan de stad Melbourne cadeau doen. Hij betaalde Fergusson een reusachtige som, mét geen ander gevolg, dan dat hij in Amerika geweldig inde maling genomen werd. Arthur Fergusson was niet onverzadigbaar. Toen hij de geldprotsen genoeg geld uit de zak had geklopt, ging hij rustig in Los Angelos wonen, waar men zelfs een beetje trots was op dezen Uilenspiegel van het moderne Amerikaanse leven.

[gSQEHZEII Probaat middel Veenman werd veel te dik en hij ging naar den dokter om raad. „Wanneer je werkelijk niet dikker wil worden”, zei de dokter, „raad ik je aan, je hoofd langzaam en vastberaden te schudden.” „En hoe dikwijls moet ik dat doen?” vroeg Veenman, die er niets van begreep. „Elke keer als een kennis tegen je zegt: kom, laten we er eentje nemen”, De flinke hond Mevrouw Bruin had een hond gekocht en snoefde tegen een vriendin over zijn goede eigenschappen. „Het is natuurlijk geen echte waakhond”, zei ze, „maar er kan geen landloper of bedelaar het huis naderen, of hij waarschuwt ons.” „Hij blaft zeker het hele huis bij elkaar”, veronderstelde de vriendin. „Nee, hij kruipt onder de divan”.

( Mllllll'lr JBSEnEWW

De zwarte kat Door Etgils „Pang!” —• Het geluid van het schot ging geheel verloren in het geroezemoes, dat van beneden opgolfde naar de 32ste verdieping van het Hillwoodhouse, inde zakenwijk van New York. Toch was het ineens vreemd stil, tergend stil, vond Frank Hurley. In zijn vuist hield hij nog steeds de rokende revolver geklemd. Het suisde in zijn hoofd, het draaide voor zijn ogen. Wat had hij in ’s hemelsnaam gedaan? Daar lag David, roerloos, zijn handen grepen in het tapijt. Zou hij dood zijn? Dan, dan... Vlug bukte Frank zich, betastte het lichaam, luisterde... Ja, hij wasdood, zijn beste vriend, gedood door hemzelf. En waarom?!... Samen hadden ze gestudeerd, lauweren hadden ze geoogst inde Fairallroeiclub, onafscheidelijk waren ze geweest totdat... ja, totdat Linda in hun leven gekomen was. Men zag nu de vrienden overal in gezelschap van de bekoorlijke Linda, op de feestjes, bij de- sportgebeurtenissen, De verhouding tot elkaar bleef vriendschappelijk, totdat er bij Frank andere gevoelens kwamen. 'Hij bemerkte dat hij verliefd was, hij aanbad Linda, aan wie dit alles echter ontging. Tegelijkertijd voelde hij zich tegenover zijn vriend schuldig, totdat deze hem, nu net een half uur geleden, meedeelde dat hij zich met Linda ging verloven. Alle kleur verdween uit Frank’s gezicht, zijn ogen kregen een vreemde glans en ineens was er een revolver in zijn bevende hand. David glimlachte nog, stak zijn hand uit... „Raak me niet aan”, siste Frank met een vreemd vertrokken gezicht. David bleef rustig staan. Zijn rechterhand streek werktuigelijk over de kop van de zwarte kat, die op een stoel lag te slapen. Toen knalde het schot... Frank had het zo niet gewild, nee, maar op dit moment was hij zichzelf niet meester. David stond even roerloos, viel toen voorover, De kat was van de

stoel gesprongen en liep klagelijk miauwend door de kamer. Frank realiseerde zich ineens wat hij gedaan had. Eén misdaad had hij begaan, hij was een moordenaar! De electrische stoel... Nee, nee, dat mocht niet! Hij was nog zo jong, leven wilde hij! Hij kon toch vluchten... Eerst de sporen van de misdaad uitwissen! De politie moest denken, dat het hier een beroving gold. Hem, den rijken Frank Hurley, zouden ze daar immers nooit van verdenken. Hij nam de portefeuille uit de jas van David en haalde het bankpapier er uit. Zo, nu kon hij gaan, De revolver zou hij wel ergens in het water gooien. Wat moest die kat toch? Luid klagend liep ze maar om de gestalte op de grond en dan ging ze weer zitten om Frank met haar groene ogen strak aan te kijken. Als die kat hem maar niet verraadde! Weer hief Frank zijn revolver op, twee schoten klonken. Nog eenmaal rekte de kat zich uit en bleef dan roerloos liggen. Vlug trok Frank de deur achter zich dicht. Op Broadway bezocht hij verschillende café’s. Hij moest toch een alibi hebben, je kon nu eenmaal nooit weten Maar ’s avonds arresteerde de politie hem. Zijn vingerafdrukken klopten met die op de portefeuille van den vermoorde. Frank ontkende alles, maar voelde zich onder het verhoor van inspecteur Fannell met de minuut onzekerder worden. Hij

probeerde onverschillig te doen, ook toen men hem meedeelde, dat hij met het lijk geconfronteerd zou worden, dat nu door een laken aan het oog onttrokken was. Inspecteur Fannell nam het laken weg. Daar lag David Langzaam richtte Frank zijn hoofd op. Wat was dat?! Op een stoel, recht tegenover hem zat de kat, de zwarte kat en staarde hem aan. Frank voelde dat de politiemannen scherp op hem letten. En die kat staarde maar, staarde hem onophoudelijk aan met haar groene ogen. Doodstil was het inde kamer. Frank begon te weifelen, hij had die kat immers doodgeschoten en nu zat ze daar weer en keek maar. Straks zou David ook nog... Vragend keek hij naar inspecteur Fannell. „Heb je nog steeds niets te bekennen”, vroeg deze. Weer ontmoetten Frank’s ogen die van de zwarte kat, het zweet parelde op zijn voorhoofd. Dan barstte hij los: „Haal die kat weg, in Godsnaam! Ja,

ja ik heb het gedaan, ik vermoordde David! Die kat wist er van, daarom kijkt ze me zo aan! Ik, ik...” „Vertel de rest maar ergens anders”, viel inspecteur Fannell hem inde rede. De handboeien klikten om zijn polsen. „Come on, boys”. De inspecteur nam de kat, die wonderlijk stijf bleef, van de stoel en wikkelde hem tot Frank’s grote ontzetting ineen stuk pakpapier. „Ik denk, dat mijn kleine jongen daar wel blij mee zal zijn”, zei hij, terwijl hij met de speelgoed-kat onder zijn arfn langs den onthutsten Frank de deur uit stapte.

zijn rechterhand streek werktuigelijk over de kop van de zwarte kat

De inspecteur nam de kat, die wonderlijk stijf bleef, van de 5t0e1...!..

Het Witte Huis. Foto: A. P.-archief.

Sluiten