Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(H. J. v.d. B.) Op 15 Juli j.l. werd ons betreffende onze Belgische zusterorganisatie gerapporteerd, dat de organisatie er slecht voorstond, daar de verdeeldheid onder de Belgische metaalbewerkers zeer groot was. De volgende cijfers werden ons toen verstrekt: Onze zusterorganisatie, de Centrale der Metaalbewerkers van België, telde 42.000 leden, niet bij de Centrale aangeslotenen in Wallonië 30,000 leden en als derde groep, de z.g.n. Eenheidsorganisatie, 20.000 leden. Verder werd ons gerapporteerd, dat de ervaringen opgedaan bij de onderhandelingen om tot fusie van deze drie groepen te komen, slecht waren. Tijdens de onderhandelingen werd nogal eens door de vertegenwoordigers van de Eenheidsorganisatie het verzoek gedaan de besprekingen te schorsen en gingen zij eerst raad vragen bij het bestuur van de communistische partij. Neen, erg rooskleurig zag het er voor onze Belgische zusterorganisatie nog niet uit. Een goede maand later en de berichten, die wij nu ontvangen hebben, zijn heel wat gunstiger. Onze oud-collega Keuwet, de secretaris van de Centrale der Metaalbewerkers van België, schreef ons op 24 Augustus 1945 0.m.:

„We waren volop in beslag genomen door de onderhandelingen en de talrijke vergaderingen voor de fusie en we hadden ons voorgenomen de resultaten van ons congres af te wachten vooraleer u een en ander betreffende onze organisatie mede te delen. Heden is dit een afgedane zaak. Ons congres van 18 en 19 Augustus j.l. ligt achter de rug. De drie vertegenwoordigde strekkingen hebben éénparig besloten tot de versmelting en tot het oprichten van één machtige Centrale der Metaalbewerkers. Op dit ogenblik kunnen we dus zeggen, dat we opnieuw nagenoeg zoveel leden hebben als vóór 1940, t.z. dat ons' ledental circa 120.000 bereikt tegenover 125.000 in 1940. We hopen nu dat de eenheid, die door het besluit van ons congres tot stand kwam, zich ook practisch zal laten gevoelen en aan onze organisatie de macht zal schenken om de beoogde objectieven te bereiken.”

Zoals uit deze mededeling blijkt, is bij de Belgische metaalbewerkers het gezonde verstand weer teruggekeerd en hebben ze begrepen, dat al geef je aan een vereniging de naam van „Eenheid”, het in het Belgische geval en volkomen analoog met de positie hier te lande, betekent: grotere verdeeldheid. België was eerder bevrijd dan wij en we zullen maar vertrouwen hebben in het gezonde oordeel van de Nederlandse metaalbewerkers en inde overredingskracht van de propagandisten onder onze leden, dat zij, die van huis zijn afgedwaald naar de Eenheidsvakbeweging, de weg naar onze organisatie spoedig zullen terugvinden. Werkt, vrienden, met het Belgische voorbeeld voor ogen; velen, die thans

(I.B.) Niet te ontkennen valt, dat de vakvereniging nog steeds is een voortdurend verbond van loonarbeiders, ten doel hebbende de arbeidsvoorwaarden te handhaven en te verbeteren, zoals de omschrijving van het echtpaar Webb luidde. In feite was dit reeds de tweede phase inde ontwikkeling van de vakbeweging. Daarvóór, ten tijde van het eerste ontstaan van de vakverenigingen, waren het voornamelijk verenigingen, die onderlinge steunverlening (ziekenpotten enz.) ten doel hadden. Inmiddels heeft de vakbeweging haar vleugels wijder uitgeslagen. Op de duur kan de handhaving en verbetering van de arbeidsvoorwaarden alleen plaats vinden als de sfeer van de omgeving, waarin dit moet geschieden, gezond is. En dat is zij niet. Wij zitten, zoals onze bondsvoorzitter het in zijn openingsrede in de jl. gehouden bondsraadsvergadering uitdrukte: te midden van de brokken. En nu behoort het ook tot de taak van ‘de vakbeweging mede te werken aan de wederopbouw. Dat dit ook van officiële zijde erkend wordt, moge blijken uit het feit, dat er via de „Stichting van de Arbeid” ook vertegenwoordigers van de vakbeweging zitting hebben inde Rijkscommissie voor wederopbouw van de industrie. Het is dan ook zeer begrijpelijk, dat wij ons reeds direct na het einde van de vijandelijkheden af vroegen: hoe groot zou de schade zijn, toegebracht aan het industriële apparaat van ons land, toegebracht aan de paraatheid van onze industrie in verband met de technische ontwikkeling en ongeschooldheid van de beschikbare arbeidskrachten?

onderdak gevonden hebben inde Ee heidsvakbeweging, zullen uiteindeli gaan beseffen, dat deze de weg naar werkelijke eenheid niet aanwijst. Bondsmakkers, onze Bond telt tha 27.000 leden. Ook wij moeten, gelijk on Belgische vrienden, snel naar ons ou ledental van 1 Mei 1940 toe. Onze Boi telde toen 56.485 leden. Vrienden, wilt bedenken, dat de sn( heid van de groei van onze organisal voor een al zeer belangrijk deel ligt uw handen. Dus: aangepakt! We feliciteren onze Belgische vriend' met het behaalde succes en verheugt ons met hen erover, dat daar de geschf den troepen zich weer tot een geslot' geheel hebben gevormd. Voor ons een spoorslag voor dat zelf' doel ons beste beentje voor te zetten.

Détailgegevens over de schade in d' metaalindustrie zijn er nog niet. De hee' G. Holst komt in zijn artikel over et „Technisch-wetenschappelijke achter stand” in „Economisch-Statistische Be’ richten” van 15 Augustus 1945 tot d1 conclusie, dat Nederland door de bezetting een stuk industriële ontwikkelinS heeft gemist. Dat de regering zich bewust is, dat de geschooldheid van de arbeiders is aangetast, moge blijken ui het feit, dat reeds in Maart 1945 eet rapportje vaneen commissie van advié voor de scholing, herscholing en oiö scholing van gerepatrieerden en werk lozen aan den minister van Sociale Za ken is uitgebracht. Ondanks het feit, dat wij niet allé precies konden nagaan, werd ons reed direct van verschillende kanten toege voegd: weest niet optimistisch, de moei lijkheden zijn legio. Zo wees bv. oud-minister v.d. Tempé ineen in het Concertgebouw te Amstef dam .gehouden redevoering op de enorm' ontwikkeling van het industriële appa raat inde oorlogvoerende landen. Nu is ons ineen door dr. Clair Wilco) in het Amerikaanse tijdschrift „For tune” geschreven artikel de ontwikkeling van de Amerikaanse koopvaardij vloot en de daarmee verband houdend1 scheepsbouwindustrie geopenbaard. In 1943 waren er inde Verenigde Sta ten 81 scheepswerven, die zeeschep# konden bouwen, tegen 10 vóór de oorlog er waren 300 hellingen in plaats van 46 700 000 arbeiders tegen 65000 vóórdiefl Indien nu niet een deel van de orders in verband met de afloop van de oorlof ware geannuleerd, dan zou einde 194 de koopvaardijvloot uit 5500 schepel

2

Sluiten