Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TECHNISCHE RUBRIEK

Vaak hoort men vertellen, dat de temperatuur vaneen kamer, of van een oliebad, wordt geregeld met behulp vaneen bimetaal. Wat is dat nu eigenlijk?, want och, zo’n woord zegt zo weinig, daar kun je toch niet op af gaan. Wel, om dit eens nader te gaan bekijken, moeten we het eerst over lets anders hebben en wel over de uitzetting van de stof. Hieronder verstaat men de lengtevermeerdering vaneen materiaal, bijvoorbeeld een staaf koper, als zij verwarmd wordt. Men denke hierbij bijvoorbeeld aan het omleggen van de ijzeren band om een wagenwiel, het opkrimpen van bussen en flenzen (niet van kogellagers!). Toch is de lengtevermeerdering 'op zichzelf maar heel klein en voor verschillende materialen natuurlijk verschillend, zoals ook het soortelijk gewicht of de hardheid ongelijk zijn. Hieronder dan een paar voorbeeldjes. De lengtevermeerdering vaneen staaf van 1 meter lengte, indien de staaf 100° C. warmer wordt, is bij een: ijzeren staaf 1,2 mm koperen staaf ......... 1,8 mm zinken staaf 3,1 mm invar staaf 0,0 mm glazen staaf 0,9 mm platina staaf 0,9 mm nieuw zilver 1.8 mm De uitzetting is natuurlijk onafhankelijk van de dikte van de staaf. Natuurlijk zetten ook andere stoffen uit, men denke aan het kwik of de alcohol ineen thermometer. Doordat de vloeistof uitzet ineen vat dat nagenoeg even groot blijft, moet het inde buis stijgen en wijst dus meteen aan hoe hoog de temperatuur is. Nu zagen we reeds uit het tabelletje, dat de uitzetting van verschillende metalen niet even groot is. Men heeft nu een nikkel-ijzerlegering gevonden (36% nikkel), die maar vreselijk weinig uitzet; dit is het bovengenoemde Invar, een materiaal, dat men nog wel eens tegen komt. Stel nu eens', dat we twee stripjes van verschillend metaal op elkaar hardgesoldeerd of geweld hebben, zodat sle bovenste helft bijvoorbeeld uit staal en de onderste helft uit nieuwzilver bestaat. Een dergelijk stripje wordt dan een bimetaal genoemd, omdat het uit twee metalen bestaat. (Denk aan bis! nog eens, herhaling; bifilair met twee draden). Wat zal er nu met zo’n staafje gebeuren indien het verwarmd wordt? Wel, dan zal de onderkant bijvoorbeeld meer uitzetten dan de bovenkant en het stripje trekt krom. Inde naad ontstaan dan natuurlijk spanningen.

Koelt het stripje weer af, dan wordt het weer recht. En waar past men dit nu toe? Wel, allereerst bij regelen en begrenzen; dus een kamer die op een bepaalde temperatuur gehouden wordt; een bad dat een bepaalde temperatuur moet hebben, vaak een thermostaat genoemd (thermós— warm, denk aan thermosfles —die de warmte bewaart; thermometer die de „warmte” meet; en staat van standvastig daar kun je staat op maken; dus thermostaat met constante warmte of temperatuur). Verder water ineen geyser; een ■ electrische stroom, die niet boven een bepaalde waarde mag uitkomen, of tenminste niet voortdurend. In wezen regelt men de verwar-

mingsstroom, de hoeveelheid water die toestroomt, of het koelwater. Laten we nu het eerste geval eens nader bekijken. Indien een stroom dooreen draad gaat, wordt de draad warm —• electrische kachel! —. Leggen we dus om een stripje bimetaal, natuurlijk geïsoleerd met mica, een draadje waardoor stroom gaat, dan wordt het draadje en dus het bimetaal, warm (fig. 1). De strip trekt krom en deze kan of direct zoals in de figuur, óf via een palletje en een schakelaar de stroom verbreken of sluiten. Boven een bepaalde stroomsterkte wordt de stroom verbroken of gesloten. Dit past men o.m. toe bij de automatische stoppen. En omdat het natuurlijk even duurt vóór het stripje warm is bij een overbelasting, is de schakelaar dus als het ware een beetje traag. Dit komt net prachtig uit, indien we motoren in- en uitschakelen en dus telkens korte stroomstoten krijgen, die de stop natuurlijk niet mogen laten springen. Een andere toepassing is de zogenaamde thermorelais, die op dezelfde manier gebouwd is als geschetst in figuur 1. Zij bedient 10 tot 30 seconden na het inschakelen van de stroom een relais, dat op zijn beurt weer een motortje inschakelt of iets anders laat gebeuren. Om bij een geringe verwarming toch een grote uitwijking te krijgen, zou

men een lange strip moeten nemen. Dit is echter zeer onhandig en daarom rolt men de strip op tot een spiraal (fig. 2). Deze rolt zich dan bij verwarming meer of minder samen en via een hefboompje kan men nu een wijzer laten uitslaan. In figuur 2 is het instrument als thermometer uitgevoerd gedacht. Natuurlijk kan men inplaats vaneen wijzer ook een contactarm aanbrengen en, dus een contact openen of sluiten. Op deze manier is het bijvoorbeeld mogelijk de temperatuur vaneen werkplaats te regelen. Neem bijvoorbeeld eens aan, dat de werkplaats dooreen centrale verwarming verwarmd wordt. De regeling gaat dan als,volgt: de temperatuur is te laag, dus het bimetaal sluit het contact. Hierdoor wordt een motortje ingeschakeld, dat de kraan yan de radiator opent. Deze blijft nu geopend totdat het contact van het bimetaal afvalt en nu wordt de kraan weer gesloten. Wordt de temperatuur te laag, dan begint het spelletje weer van voren af aan. De temperatuur van de werkplaats blijft dan binnen onge-j veer twee graden constant. Het zich oprollen of strekken Van een bimetaal past men ook nog heel ergens ander toe, namelijk in horloges met temperatuurcompensatle. De veer van de balans vaneen horloge heeft immers niet altijd dezelfde temperatuur, ’s Nachts ligt het koud op tafel en overdag zit het warm in de zak. Dan loopt het horloge niet altijd even snel, want de veerkracht van de veer van de balans neemt na-

BIMETAAL wat het is en waar het gebruikt wordt

'd melijk bij stijgende temperatuur af. Het horloge loopt langzamer. Men kan dit teniet doen door de balans zelf uit een bimetaal te vervaardigen, dus uit een met gesloten ring, vaneen bimetaal, zoals in figuur 3 geschetst is. Men maakt het dus zo, dat bij een stijgende temperatuur de balans kleiner

wordt en bij lagere temperatuur groter. Dan loopt het horloge, onafhankelijk van de temperatuur, altijd even snel. Een andere toepassing, die we echter niet uitvoerig zullen bespreken, kan men inde ontsteking van gasontladingslampen vinden, dus bij de lange buislampen, die men tegenwoordig zoveel in winkels en étalages vinden kan. Maar hierover een volgende maal. Pr.

Gerrit is wat je noemt een „geheide" Amsterdammer en Van Zijll, die mij met hem in contact heeft gebracht toen ik vroeg of hij onder de leden iemand wist, die mij, vreemdeling in Mokum, zou kunnen inwijden inde visgenoegens van de Amsterdammers, heeft stellig een binnenpretje gehad, toen hij wist dat wij samen op stap zouden gaan. Ik ben dus met Gerrit gaan vissen. We hadden af gesproken ’s morgens om 5 uur te vertrekken, maar om 4 uur luidde hij de bel „er uit". „Hij kon toch niet slapen van de muggen, en vond dat 5 uur knap laat was.” Hij bood m’n vrouw aan thee te zetten, „dan kon zij blijven leggen”, stond al spoedig „dag” te schreeuwen aan een buurvrouw, die ook vroeg op was, vulde zijn tabaksdqps uit mijn overgespaard voorraadje en lachte het hele huls wakker toen ik met m’n visspul voor de dag kwam. „Hufter”,, schold-ie, „daar vang je nog geen spiering mee. Een stpkkiemet-een-kromme-speld. Je ken van mij wel ivat ter leen krijgen.” Enfin, we zijn gaan vissen, d.w.z. hij ving de vis en ik heb wormen zitten verdrinken. „Komt dat ze je niet verstaan”, zei Gerrit. „Amsterdamse vis wil in d’r lui eigen taal aangesproken worden, net als de metaalbewerkers. Ga maar eens met me mee op huisbezoek, dan kan je wat leren"

BOEKBESPREKING H. Hondorp: Zetbanken en Zetpersen. Nijgh en Van Ditmar, Rotterdam, f 2.25. De schrijver geeft eerst aan, hoe men tot de huidige vorm van boven-, onder- en buigbalk is gekomen, om daarna de zetbank zelf te beschrijven. Duidelijk wordt aangegeven, wat men kan bereiken met verschillende linialen in boven- en buigbalk, hoe het buigen van plaat behoort te geschieden en welke hulpmiddelen ons daarvoor ten dienste staan. Vooral de voorbeelden in hoofdstuk VII en VIII zul. len voor velen van nut zijn. Tot slot wordt de zetpers besproken. De stof in het boekje is duidelijk behandeld. W. Ir. T. J. W. van Lammeren: Vliegtuigmotoren, Nijgh en Van Ditmar, Rotterdam, 4e druk, f 2.25. Ineen beknopt bestek wordt het uitgebreide gebied van de vliegtuigmotoren duidelijk behandeld. 76 grafieken en tekeningen dragen daartoe bij. De niet te vermijden theorie wordt zo eenvoudig mogelijk behandeld. Een goede en practische uitgave. K. C. W. J. Meyer: Rijwieltechniek, Nijgh en Van Ditmar, Rotterdam, le druk, f 2.25. Een boekje voor a.s. rijwielreparateurs. De gehele bouw van het rijwiel wordt hierin zeer beknopt omschreven. Hier en daar is de schrijver bepaald te vaag, o.a. bij de rem- en versnellingsnaven, waardoor deze vitale delen zonder nadere toelichting moeilijk te begrijpen zijn. N.

„Nou, een beetje huisbezoek lijkt mij bij.jullie niet overbodig’’, opperde ik overmoedig, „je hebt er nog niet zoveel." „Je zus op een kameel", rijmde Gerrit. „Hei-je gezien, dat ik eerst een uur heb zitten urmen en geen vissie ge-

vangen en dat ik nou regelrecht achtermekaar beet heb? Zo gaat het ook met de nieuwe leden." „Eerst vangen en dan knippen", treiterde ik. „Daar komt-ie, dat is ten minste geen lichtgeval”, zei Gerrit en zwiepte een kanjer op de wal. „Ik geloof, dat jij beter vis dp.n i leden kan vangen”, probeerde ik nog i eens. i „De senuwen”, zei Gerrit. ■ „Alles op z’n tijd, zei de doodgraver, i maar je zal in Mokum nog grappen belefen, faoder!"

Viy.3 \oatang

Fij.2 Wicv'momcVa*-

Éiq.l TVtcrmorclais

3

Sluiten