Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

**fc jf&% jf _ f «!•■b\■ tl | § I m Mm M ® • M U { I { I I U I I | I J J ƒ / 4 g I I H I I Bk B I I J g g Jg g g* g fg I I I I ■ I I I\IVI I B 818 gf (f %0 BSav m '*W m

Eenvoudige uitslagen (II)

Figuur 2, uitslag kegel met gat voor de cilinder. We nemen van het vóór-aanzicht T”-7” inde passer en beschrijven daar een cirkelboog mede. Op deze cirkelboog zetten wede om trek van degrondcirkel van het bovenaanzicht uit. Dit doet men het beste door met een smal strookje papier langs deze cirkel te gaan en gelijk de punten 1’ t/m. 12’ op- af te tekenen. Daarna trekken we in figuur 2 de beschrijvende lijnen 1 t/m. 12 naar T. Vervolgens nog een cirkelboog T-A gelijk aan T”-A” en de afgeknotte kegel zonder gat is uitgeslagen. Voor het bepalen van het gat mogen we alleen maar meten op een lijn die in ware-lengte staat', hetgeen in fig. 1, T”-7” is. De andere beschrijvende lijnen lopen niet evenwijdig met het 2e projectievlak en projecteren zich niet in ware lengte. Daartoe zijnde punten van de doorsnijdingskromme horizontaal naar T”- 7” geprojecteerd en aldaar met kleine cirkeltjes aangegeven. We meten nu steeds vanuit T” tot aan deze kleine cirkeltjes op beschrijvende lijn T”-7” en beschrijven daarmede in figuur 2 vanuit T cirkelboog j es. Door de snijpunten dezer boogjes met de beschrijvende lijnen kan de gebogen lijn van het gat worden getrokken, "hetgeen ook met kleine cirkeltjes is aangegeven.

Figuur 3, uitslag cilinder. Dit is betrekkelijk eenvoudig. We trekken een horizontale lijn en zetten er cfe om trek van de cilinder met de punten der beschrijvende lijnen l't/m 16 op af. Trekken door deze punten loodlijnen en maken deze in lengte gelijk aan de overeenkomstige beschrijvende lijnen van figuur 1 vóóraanzicht. Door deze punten trekken wede gebogen dikke stippellijn en daarboven nog een getrokken gebogen lijn voor klinkof soldeerkant. We zien hiermede, dat het uitslaan makkelijker is dan het bepalen van de doorsnijdingskromme. Het is dan ook een vraagstuk voor de beschrijvende meetkunde. •.i ' , 1 • ■■ ■ • ! ; • ! • • ' : I • ; ' i ' ’ ’ ■ : ' 1 • • • ■ ' ; 1 , ; I• . 1 j 1 i I i • i l I * i i » • , • » • * 1 • i • | i * ii . i ! » • , iii * | • ■ i ■ i i . i > t • 1 • ' . , . ■ 1 , . • 1 • i ■ • • i ' : : : • : : i : ! • ; ; i f • 23 H S. b7 8 9 10 II IZ mS”IS I FIQ~ Figuur 4, vóór- en boven-aanzicht luchtkap (model paddestoel). Van de kap van deze figuur alsook van figuur 6 kan feitelijk geen Uitslag « gemaakt worden, omdat dit ronde gebogen voorwerpen zijn, die niet ineen plat vlak kunnen worden uitgeslagen. We kunnen er wel een benaderde uit-

slag van maken en daarna in model drijven. Het gaat om een kap in vijf delen.

Dit is dan ook bp tekening aangegeven. Beter was het, wanneer meerdere

.delen genomen werden, b.v 12, dan worden de delen kleiner en er is minder werk om deze in model te drijven. We beginnen van figuur 4 in het yóóraanzicht met de pijp en de halve, cir" kei te tekenen volgens gegeven maat. De halve cirkel verdelen we in 6 delen en nummeren daarvan de helft met 1” t/m. 4”. i Projecteer dit naar het bovenaanzicht en trek daar de 4 cirkels waarvan 2 hulpclrkels zijn. Verdeel' de grootste cirkel in 5 delen en trek vanuit deze punten lijnen naar het middelpunt I’. Om nu in het vooraanzicht de twee gebogeh Innen A”-l” en B”- 1” te kunhSn tekenen, projecteert men alle punten van A’-l’ en B’-l’ naar het vóór-Sanzicht en trekt daarna de gebogen lijnen. Figuur 5, uitslag 1 deel van figuur 4. Daartoe gaat men met een strookje papier langs de i cirkel van het vóóraanzicht figuur 4 en tekent daar de punten 1” t/m. 4” op af. Deze afstand zetten we gestrekt. uit op de loodlijn van figuur 5 (zie 1 t/m. 4). De breedtemateh zijn gelijk aan de cirkelbogen van het boven-aanzicht, b.v. B’-4’-C> enz. Door deze punten trekken ‘we de gebogen lijnen 1-B en 1-C, waarna i deel is uitgeslagen. Voor de gehele kap heeft men 5 delen nodig, welke ieder voor zich gebogen en in model moeten worden gedreven. Daar het de bedoeling is de naden te

lassen, hebben wij geen toegift gegeven voor eventuele klinkkanten. Figuur 6, zijaanzicht luchtkoker (normaal profiel). We beginnen met een haakse hoek te tekenen en zetten daar de gegeven diameters en x-6”-M.,-6” op uit. Voor de binnenzijde van de bocht beschrijven We een \ cirkelboog vanuit x. voor de hartlijn vanuit x’ en voor de achterzijde vanuit x”. (Dit zijn ook maten, die afhankelijk zijn van de diameters.) De buiten- en binnenzijde van de bocht verdelen we in 5 delen (zie 1” t/m. 6”). Trek de hulplijnen 2”-2” t/m. 5”-5”, welke de hartlijn in M’ t/m. M' snijden. Om deze lijnen laten we halve doorsneden van de bocht draaien en slaan deze in het tekenvlak neer. Daar echter de middelste vier doorsneden geen zuivere cirkels zijn, doch ellipsen, moeten wede korte assen M’-M t/m. M'-M' bepalen. Daartoe maken we gebruik van het•z.g.n., assengemiddelde, d.w.z. het verschil tussen de grootste en kleinste diameter wordt in 5 delen verdeeld (zie op neergeslagen Trek op 2”-2” t/m. 5”-5” haakse lijntjes en maak deze gelijk aan de afstand van het assengemiddelde (zie .V

1 M’-M’ t/m. waarna de ellip- 'v sen worden getekend. N Verdeel -de cirkels en ellipsen in vier delen, trek vandaar haakse lijntjes naar 1”-1” t/m. 6”-6”, zodat de pun-- ten A” t/m. P” ontstaan. Door deze punten trekken wede twee gebogen lijnen, hetgeen de naden van de bocht

Verder trekken we nog de hartlijn K-L.v Figuur 7, uitslag achterzijde van de bocht. Daar ook deze uitslagen gebogen en gedreven moeten worden, zijn dit ook weer benaderde uitslagen. We trekken een loodlijn en zetten de gestrekte omtrek van de achterzijde bocht op uit (zie 1 t/m 6). alsook de hartlijn K-L. Vervolgens strekken we de tweede gebogen lijn van figuur 6 iA” t/m. F”) en 'zetten deze vanuit de hartlijn K-h op de loodlijn uit (zie a t/m. f). Door deze punten trekken we waterpaslijnen, welke in lengte gelijk zijn aan het i deel van dé neergeslagen cirkels en ellipsen van figuur 6 (zie A t/m F aan beide zijden). Verbind deze punten met gebogen lijnen, zodat de benaderde Uitslag van het achterstuk gereed is. Voor het kimstuk figuur 9 handelt men op dezelfde wijze, alleen moet men natuurlijk de onderste twee gebogen lijnen ‘van de bocht daarvoor strekken. Figuur 8, uitslag van , één der twee zijstukken. Hiermede beginnen we met de hartlijn M-M5 te tekenen gelijk aan die (Vervolg pag. 4 onderaan)

F!G:S

Sluiten