Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uin

GASGEYSERS

Thermische waakvlamheveiling. Bij gebruik van de vol-automatische ontsteking is inde praktijk gebleken dat deze nog geen voldoende beveiliging geeft. Wanneer bij een vol-automatische gasgeyser dooreen of andere oorzaak de waakvlam is uitgegaan en men ineen andere kamer de warmwaterkraan opendraait, wordt de gasklep gelicht, het gas stroomt naar de. brander en wordt door de niet brandende waakvlam niet ont-

Het principe berust op een gebogen bimetalen veer, welke door de waakvlam wordt verwarmd, daardoor uitzet en een ebonieten klep van haar zitting drukt, waardoor de gasdoorlaat vrijkomt. Gaat nu de waakvlam uit dan koelt de bimetalen veer af. en komt in haar oorspronkelijke stand terug en de ebonieten gasklep wordt tegen haar zitting getrokken. De bimetalen veer bestaat uit twee op elkaar geperste strookjes metaal van verschillende uitzettingscoëfficiënt. Doordat bij verwarming het ene metaal meer uitzet dan het andere ontstaat een sterke verbuiging van het bimetaal naar één zijde, want de andere kant is ingeklemd (zie afb.), waarvan men hier gebruik heeft gemaakt. Het binnenwerk (condensatievrije verbrandingskamer). Onder het binnenwerk verstaat men de schoorsteenvormige verbrandingskamer, met de daarop geplaatste lamellenkast. Het dient, om de warmte, welke bij de verbranding van gas ontstaat, op het doorstromende water over te dragen. Deze overdracht van warmte heeft eerst plaats van de verbrandingsgassen op de roodkoperen wand en daarna, na doorleiding door de wand, van de wand op het water. Nu doet zich het geval voor, dat de snelheid van de z.g. warmteoverdracht tussen wand en water veel groter is dan tussen wand en verbrandingsgassen. Hieraan kan men tegemoet komen, door laatstgenoemde wand aanmerkelijk te vergroten. Deze wandvergroting vindt men terug als z.g. lamellenkast. Men maakt gebruik vaneen zeer groot aantal dunne roodkoperen plaatjes (lamellen), welke met de waterspiraal. door solderen innig verbonden zijn. Deze lamellen verdelen de stroom van verbrandingsgassen ineen aantal dunne lagen en onttrekken daaraan de warmte, welke zij doorleiden en _overbrengen op het water, dat door de'spiraal stroomt. Natuurlijk moét het materiaal van het binnenwerk zeer goed warmte geleidend zijn, vandaar dat men het geheel opbouwt uit roodkoperen plaat en buis. Om het roodkoper te beschermen tegen aantasting door de verbrandingsgassen wordt het geheel vertind. Fig. 9 geeft een beeld van het binnenwerk, zoals dit wordt toegepast bij grote geysers en. vol-automaten. Gewezen dient nog te worden op de afwisseling van lange en korte lamellen. Hierdoor wordt

stoken. Bij ontdekking dat het water koud blijft zal men naar de gasautomaat gaan om de waakvlam aan te steken. Daar zich in het apparaat nu een gevaarlijk gas- en luchtmengsel bevindt, zal een explosie het gevolg zijn. Om dit te voorkomen heeft men verschillende thermische waakvlambeveiligingen geconstrueerd, waarvan fig. 2a er een weergeeft in gesloten en open stand.

oververhitting van de onderzijde van de lamellen voorkomen en een gelijkmatige warmte-overdracht over de gehele hoogte zo goed mogelijk benaderd. De spiraal, welke om het onderste gedeelte van het binnenwerk is gewikkeld verbrandingskamer), beschermt dit tegen oververhitting. Hierbij wordt zorg gedragen, dat de wandtemperatuur van de verbrandingskamer zodanig is, dat condenswatervorming wordt vermeden. Het koude water passeert dus eerst de automaat en stroomt dan aan de onderzijde van de verbrandingskamer door de spiraal, koelt de verbrandingskamer tot even boven het z.g.n. dauwpunt af en gaat dan 5 maal door de lamellenkast. Daar vindt de eigenlijke verwarming van het water plaats om uiteindelijk uit de warmwaterkraan te stromen. Fig. 10 stelt voor het binnenwerk van een snelwaterverwarmer (z.g.n. keukengeysertje). Dit binnenwerk heeft een ronde vorm en in verband hiermede zijn

de lamellen straalsgewijs, om een aan de bovenzijde gesloten bus (lameliensteun) geplaatst. De spiraal-buis is om de naar buiten gelegen zijde der lamellen gewikkeld. • Deze lamellen zijn vaneen zeer bijzondere vorm en zodanig geconstrueerd, dat zij. zowel aan buiten- als aan binnenzijde, een geheel gesloten wand vormen. De spiraalbuis is over haar gehele lengte, door solderen, innig met de buitenwand verbonden. Dit type binnenwerk is bestemd voor watertemperaturen tot pl.m. 60° C. Het is evenwel niet geschikt, om toegepast te worden inde toestellen, welke temperaturen tot 85“ C moeten leveren (Pasto W 735). Daartoe dient gebruik gemaakt te. worden vaneen binnenwerk volgens fig. 11. Bij de vergelijking van beide fig. blijkt, dat thans op de plaats van de lamellensteun een watervaatje is aangebracht, afgesloten dooreen deksel, De lamellen zijn thans dus niet meer alleen aan de buitenzijde, maar ook aan de binnenzijde gekoeld. Deze veel intensievere koeling maakt het mogelijk, zonder gevaar voor oververhitting van de lamellen, de hoge temperatuur van 85°. C toe te laten. De werking van dit binnenwerk is nu zodanig

de spiraal een voorverhitting tot pl.m, 60 C plaats vindt. De oververhitting van het water tot pl.m. 85“ C vindt plaats in het watervaatje. Hierdoor wordt bereikt, dat eventuele vorming van ketelsteen, welke boven de 60“ C gaat optreden, gelocaliseerd wordt in het watervaatje. Dit laatste is, door het losmaken van beide koppelingen en losschroeven van het deksel, gemakkelijk te inspecteren en eventueel te reinigen. De vorming van ketelsteen wordt nog tegengewerkt door de combinatie met de antiknljpkraan (deze wordt t.z.t, besproken) welke het gas afsluit, lang voordat de watertoevoer is geëindigd, De temperatuur van het in het vaatje achterblijvende warme water wordt hierdoor verlaagd. Nog een andere reden, waarom een binnenwerk volgens fig. 10 niet bruikbaar is

voor hoge temperaturen is de volgende. Na gebruik van het toestel en sluiten van de warmwaterkraan, wordt de warmte welke inde lamellen is geaccumuleerd, overgedragen op het warme water, dat zich inde spiraal oevindt. Dit ondergaat tengevolge daarvan een temperatuursyerhoging en zet enigszins uit. Past men meen dergelijk binnenwerk nu temperaturen toe van 85' C, dan wordt enerzijds de temperatuur van de lamellen verhpogd, dus de hoeveelheid geaccumuleerde warmte vergroot, anderzijds is de temperatuur van het achterblijvende water veel hoger. Het gevolg is, dat, na het sluiten van de kraan en overdracht van de warmte, plaatseiijk stoomvorming optreedt en ai het water uit de vrije uitloop wordt weggedrukt. Het toestel „kookt z.g.n. na”. Bij het binnenwerk volgens fig. 11-wordt de restwarmte overgedragen óp een zó grote waterhoeveelheid (in spiraal en watervaat je samen), dat geen noemenswaardige tempera tuursverhoging optreedt en van nakoken geen sprake is. Dit nakoken moet tot elke prijs worden vermeden, daar bij opnieuw gebruik van het toestel, bij een binnenwerk volgens fig. 10, de lamellen gedeeltelijk „droog” zouden staan. Dit is niet mogelijk bij het type volgens fig. 11. br

BE INDUSTRIALISATIE VAN ONS LAND EN HET TEKORT AAN VAKLIEDEN

Tot de vraagstukken, die met de wederopbouw van ons land ten nauwste verband houden, behoort dat van de verdere industrialisatie. Ons volk moet in toenemende mate zijn bestaan in industrie en nijverheid vinden. Reeds lang stond vast, dat de landbouw onze bevolkingsaanwas op geen stukken na kan opvangen. Wij moesten dus wel Industrialiseren, ten einde onze dichte en snel groeiende bevolking aan arbeid en daarmede aan een zo welvarend mogelijk levensbestaan te helpen. Na de jonaste wereldoorlog is de noodzakelijkheid vaneen verdere industrialisatie nog groter geworden en het ligt dan oók voor de hand, dat onze regering en de haar hierover adviserende organen in woord en geschrift hierop bij voortduring met klem wijzen. Wij moeten er voor zorgen, dat we met ons Nationaal Huishoudboekje weer behoorlijk voor .de dag kunnen komen je kunt nu eenmaal niet altijd leentjebuur blijven spelen en voor onze komende generaties voldoende werkgelegenheid en welvaart scheppen. Van bevoegde zijde is berekend, dat we omstreeks 1952 ongeveer 350.000 werkers meer inde industrie zullen moeten hebben dan thans. 350.000!, dat wil zeggen, 50 % van het totaal aantal arbeiders, dat op het ogenblik inde industrie werkzaam is. Allerlei instanties houden zich nu bezig met de vraag: waar zullen wij de technici (ingenieurs, middelbare technici en ander opzichthoudend personeel) vandaan halen om aan dit geweldige aantal van 350.000 industrie-arbelders in technisch opzicht leiding te geven. Het is alleszins begrijpelijk, dat men zich deze vraag stelt, want men stampt de technici nu zomaar niet uit de grond. Eén ding valt ons echter sterk op, n.1., dat men zich wel zwaa*r het hoofd breekt over de technische kadervorming, maar dat de vraag, hoe komen wij aan 350.000 arbeiders, die hun vak inde industrie zullen verstaan, wat al te zeer verwaarloosd wordt. Men is eigenlijk druk bezig met de kap van het gebouw, doch de fundatie is nog lang niet gereed. Als men in dit opzicht niet met spoed de nodige maatregelen treft, staat men straks voor h'et feit, dat men wel de beschikking heeft over technisch kader, doch niet over voldoende goed geschoolde vaklieden. En zonder dezen kan men nu eenmaal toch niet industrialiseren. Hier ligt o.i. ook een belangrijke taak weggelegd voor de metaalbewerkersbonden en in het bijzonder voor dezen, omdat zij ten nauwste bij de industrialisatie zijn betrokken. Zijn wij goed ingelicht, dan zou over dit vraagstuk reeds contact zijn gezocht door de Stichting „De Neder-

landse Technische Unie” met de Stichting van de Arbeid. De Nederlandse Technische Unie omvat o.m. het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, de Bond van Nederlandse Technische nUie” met de Instituut van Middelbare Technici. Deze N.T.U. vertegenwoordigt dus het kader, waar het gaat om de behartiging van de belangen der techniek en de opleiding. Via de Stichting van de Arbeid zouden dus de metaalbewerkersbonden bij het zoeken naar middelen om het ernstig tekort aan geschoolde vaklieden zo snel mogelijk op te heffen, kunnen worden ingeschakeld. Door het werk inde Stichting van de Arbeid op het gebied van de vakopleiding hebben de arbeidérsorganisaties reeds bewezen, dat zij niet alleen Interesse voor dergelijke vraagstukken hebben, doch dat zij deze „technische medezeggenschap” volstrekt noodzakelijk achten. Tot dusverre is het feitelijk zo geweest, dat bij de behandeling van vakopleidlngsvraagstukken het accent werd gelegd op de onderwijsdeskundigen: leraren, onderwijzers, departementsambtenaren e.d. Het is o.i.'van het allergrootste belang, vooral waar het om onze vakopleiding gaat, dat wij daarin meespreken, evenals het gewenst is, dat de industriëlen, ingenieurs en middelbare technici dit doen. Al deze groepen toch hebben, veel meer dan de onderwijsdeskundigen, contact met het practische bedrijfsleven, kennen dus de behoeften van industrie en nijverheid van nabij, omdat zij er middenin staan. Wij willen niet in details vooruitlopen op de vraag, hoe het vraagscuk betreffende de voorziening in het tekort aan geschoolde vaklieden zal moeten worden opgelost. Een van de voorwaarden daarbij zal echter moeten zijn, dat er meer waardering komt voor handenarbeid en zeer zeker voor de arbeid der metaalbewerkers, die naast grote vaardigheid met de handen goed technisch inzicht vereist. Men heeft wel eens de vraag gesteld „Hoe komt ’t toch, dat de ambachtsschool in discrediet raakt”? Afgezien van de gebreken, die aan deze scholen kleven, ligt o.i. het zwaartepunt voor de beantwoording van deze vraag bij het gebrek aan waardering voor handenarbeid in het algemeen, met als gevolg dat zeer vele ouders hun jongens maar oever een opleiding geven, die een' andere richting uitgaat. Nederland moet verder industrialiseren; aan de georganiseerde metaalbewerkers mede de taak en de plicht die vraagstukken te helpen oplossen, die hun vak en hun bestaan ten nauwste raken. (Bovenstaand artikel ontvingen wij van geïnteresseerde zijde.)

5

Sluiten