Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TA CHTIGJAAR STORK

(M V.) Het prachtige gedenkboek, dat de Gébr. Stork en Co. N.V. ter gelegenheid van het tachtigjarig bestaan van de fabriek hebben uitgegeven en waaruit wij u iets zouden vertellen, bevat een schat van gegevens over de ontwikkeling der Twentse industrie. Het boek verhaalt, na allereerst de opkomst der Twentse industrie te hebben geschilderd, van de stichter der fabriek, Charles Theodoor Stork, die in 1882 te Oldenzaal werd geboren. Het gezin telde acht kinderen en daar de jongen door geldgebrek der ouders niet kon studeren, werd besloten, dat hij textielfabrikant zou. worden. Hij begon op veertienjarige leeftijd met twee weefstoelen voor een grote fabriek te -weven. Met onverdroten volharding, kampende met veel tegenslag, bouwde hij verschillende textielzaken op, Door het meer en meer- toepassen van

de stoomkracht inde weverijen, voorzag hij het ontstaan vaneen machine-industrie in Twente. Hij bracht 'tot stand, dat een jongere broer die voor ingenieur had gestudeerd tezamen met een bekwame smid in 1859 een kleine reparatiefabriek in Borne oprichtte. Na de dood van zijn broer nam C. T. Stork zelf.de hoofdleiding in handen van de fabriek, welke in 1868 naar Hengelo werd verplaatst. Vele waren de moeilijkheden, die de fabriek moest overwinnen eer enige winst gemaakt kon worden. De fabriek vervaardigde in die tijd hoofdzakelijk stoommachines en stoomketels, In 1872 trad de oudste zoon van C. T. Stork, D. W. Stork, in dienst van de fabriek. Hij werd een grote steun voor zijn vader en had vooral zijn hart verpand aan de uitbouw van de personeelinstellingen. Deze instellingen stonden

van het begin af onder een bestuur, dat . in meerderheid bestond uit en door het personeel gekozen leden. Het kapitaal van de fondsen bedraagt momenteel, zoals wij reeds in ons vorig artikel vermeldden, meer dan ƒ 14.000.000. Inde volgende jaren breidde de fabriek zich snel uit, op Java werd een vertegenwoordiger aangesteld, noodzakelijk met het oog op te leveren machines voor de suikercultures. C. F. Stork, de tweede der broers, maakte vooral studiereizen naar de- suiker-producerende landen in Oost en West. Reeds op 28-jarige leeftijd werd hij verantwoordelijk technisch leider der fabriek en dank zij zijn gaven werd de fabriek één der beste machinefabrieken Evenals zijn broer, D. W. Stork kwam hij op voor de belangen van het fabriekspersoneel en was hij vele jaren voorzitter van het bestuur der personeelsvereniging. H. C. Stork, de derde der drie gebroeders, bezat niet de bijzondere gaven, die zijn broers kenmerkten. Hij was een man van grote bescheidenheid, met een helder verstand. Vaker dan zijn broers was hij inde fabriek te Hengelo aanwezig en zijn grote opmerkingsgave verleende hem een scherpe blik, waarvoor niet veel onregelmatigheden verborgen bleven. Wie v-echter in moeilijkheden verkeerde, klopte niet tevergeefs bij hem aan. , Als patroon was hij algemeen geacht, en bemind. Het gedenkboek geeft vanzelfsprekend ook een overzicht van de producten die de machinefabriek inde loop van deze tachtig jaren heeft vervaardigd. Het is werkelijk te veel om te vermelden wat al niet aan machin«s, apparaten enz. de fabriekspoort gepasseerd is. We moeten in ons overzicht dan ook zeer beknopt zijn. Begonnen met stoommachines, ging men inde dertiger jaren meer tot het – vervaardigen van dieselmotoren en moderne turbines over. Zowel voor het gebruik op het land als te watèr werden machines vervaardigd. Voor electrische centrales werden complete installaties geleverd. Belangrijk was altijd de afdeling suikermachinerieën. De inrichting vaneen rietsuikerfabriek is veelomvattend. Talrijke machines en apparaten zijn er nodig Voor mijnen en gemalen werden centrifugaal- en schroefpompen geleverd. De fabriek bezit verder een eigen ijzer, gieterij en een meettechnisch laborato-

rium. In verband met de grote nauwkeurigheid die alle gereedschappen en producten moeten hebben, is de meetkamer, zoals het meettechnisch laboratorium noemd wordt, van groot belang. Wel willen wij nog iets vermelden over hetgeen de fabriek op sociaal terrein heeft gepresteerd. We zullen dit doen in een kort overzicht, gerangschikt naar het jaar waarin een belangrijke sociale maatregel tot stand kwam. 1868 Instelling ziekenfonds. Kosteloze geneeskundige hulp en gedurende 3 maanden 50 pet loon. 1881 Vorming van het eerste pensioenfonds. (Dit fonds is de eerste ouderdomsverzorging ineen onderneming in Nederland). 1883 Oprichting van de Kern. Spaarkas voor minderjarigen. Verplichting voor jongeren om tot 21 jaar 60 pet van hun loon boven ƒ 12. p.w. te sparen. 1884 Weduwen- en wezenfonds, 1887 Bij ongeval gedurende 1 jaar 100 pet uitkering; bij overlijden 600 x uurloon. 1888 Bad- en zweminrichting. 189Ó Bijzonder steunfonds (steun In gevallen, waarin de andere fondsen niet kunnen voorzien). 1891 Invaliditeitsfonds. 1893 Oprichting vaneen Verenigingsgebouw bij het 25-jarig bestaan van de fabriek. 1899 Nieuwe badinrichting. 1907 Ouderdomspensioen op 60 jaar. 1911 Bouw van het tuindorp „’t Lansink”. 1912 Stichting studiefonds. 1918 Nieuwe fabrieksschool in gebruik genomen. 1923 Fonds voor personeel dat buiten het pensioenfonds valt. 1931 Het leerlingstelsel wordt onder de Nijverheidsonderwijswet gebracht. 1939 Inrichting vaneen geheel nieuwe leerllngwerkplaats en centralisatie van de opleiding. 1942 Aanstelling vaneen medicus, belast met de leiding van de bedrijfsgeneeskundige dienst. Bij deze korte maar veelzeggende opsomming moeten wij het laten. Nog veel wordt In het gedenkboek beschreven, dat wij u zouden willen vertellen. Een kleine indruk van hetgeen bij de Gebr. Stork inde afgelopen 80 jaar is geschied, hopen wij u echter gegeven te hebben.

INGEZONDEN. TARIEFCÓMMISSIES

Het geboorterecht van de tarief commissie, thans vastgelegd inde C.A.O. garandeert nog niet een vlotte geboorte, ' laat staan een fleurig bestaan. Alsof er een onderlinge afspraak was, zo eendrachtig beijveren de directies van verschillende groot-metaalbedrijven zich om deze commissies, amper geboren, weer te smoren. Wat zien we gebeuren. Deze werkgevers zijn bereid ons „in te lichten” over de werkwijze van tijdanalisten en calculators. Eenmaal ingelicht zijnde is hun standpunt, moeten wij toch begrijpen dat de werkzaamheden van deze mensen te Ingewikkeld zijn voor een eenvoudige controle onzerzijds, en moeten wij vertrouwen dat deze werkzaamheden in goede handen berusten en dus onze controle geheel overbodig is. „We zijn toch inde fabriek bijeen om te werken?” „Gepraat in commissies helpt Nederland er niet bovenop.” Wij erkennen, dat er wat zit in deze redenering, maarde bedoeling van het tariefrapport is toch zeker een andere. Commissies van ja-broers, inderdaad, die zijn overbodig, maar commissies die grotere waarborg voor juist gestelde tarieven geven, die moeten er zijn. „Wij moeten vertrouwen hebben.” Laten we elkaar niets wijsmaken. Ook de meest fidele werkgever wordt in crisistijd uitvoerder van de meest on-soclale maatregelen. Wij zouden hem dat vergeven (hij moet zich nu eenmaal, goedschiks-kwaadschiks, zien te redden), indien hij ten minste in tijden dat het goed gaat, bereid bleek tot nationale en internationale samenwerking, tot beheersing van de conjunctuur-deining. In plaats daarvan echter zien we nog te velen van hen fel in ’t geweer vliegen als er maar even sprake is van bedrijfsorganisatie. Er zijn er onder hen nog te velen die zich scharen om de vlag van „de vrijheid”, zoals we die in het verleden gewend waren. De alleenheerser in eigen koninkrijkje onder hen ziet in samenwerking, in ordening, inbreuk op zijn gebied en verweert zich. En wij erkennen dat dit voortkomt uiteen zeer menselijke neiging. Jammer alleen dat allereerst de arbeiders, niet zij zelf, van deze houding de dupe worden.

Vertrouwen inde tijdanalist. Hoe zullen we deze man ons volle vertrouwen schenken zolang hij in dienst staat, zijn orders ontvangt van de werkgever, die ons volle vertrouwen niet heeft? Maar bovendien, wij zien* begrijpelijkerwijze inde vele bedrijven waar geen typische massaproductie plaats heeft, de tijdanalist de weg gaan van de minste weerstand, d.w.z, inplaats van de veel moeilijker problemen van de algemene organisatie van het werk in het brandpunt van zijn belangstelling te plaatsen, neemt hij de arbeidsintensiteit en de werkmethode vaneen kleine groep, liever nog vaneen enkele arbeider onder de loupe. Is het dan wonder, dat de arbeiders in hem zien een opjager, een man, die met zijn precieze tijd- voor deze en voor die handeling, . vol-automaten van hen wenst te maken? Is het dan wonder dat de arbeiders instinctief trachten de tijdwaarnemer te bedotten, om op die manier wat vrijheid van beweging te behouden? Wordt dit bedotten geen noodweer in al die gevallen waarin bazen er de hand in hebben om juist gedurende een tijdopneming alle anders voorkomende, dus normale, kleinere en grotere stagnaties te vermijden? Een feit is het dan ook dat de verhouding van tijdanalist tot arbeider gewoonlijk een beroerde is, waarmede de allereerste voorwaarde voor een goede tijdwaarneming ontbreekt. Vertrouwen inde calculator. Overal waar de calculator reeds weken tevoren prijst, zonder te weten op welke bank en onder welke bijzondere omstandigheden het werk zal worden uitgevoerd, daar heeft hij veelal de opdracht te prijzen volgens de beste bank en volgens de gunstigste omstandigheden. Prijst hij volgens tabellen, dan moet hij wel zeer goed in het werk zitten om juist die kleine bijzonderheden op te merken,- die afwijkingen van de tabeltijden naar boven toe noodzakelijk maken, of naar beneden toe veroorloven. De honderden gevallen waarin calculators aldus mistasten zijn te over bekend.

Hoe nu zullen de tariefcómmissies in deze vruchtdragend werkzaam kunnen zijn? Waanzin is het natuurlijk, naast iedere tijdanalist en calculator een controleur van ons te willen stellen. Deze gedachte met haar consequenties, een directeur naast de directeur, verklaart zeker een deel van de weerstand van de werkgevers. Bovendien zou dit systeem onze mensen wel niet formeel maar wel .in feite ook weer tot beambten maken met dezelfde foutenmogelijkheden. Evenmin natuurlijk helpen ons uit de brand tariefcómmissies paritair samengesteld, waarin bij meerderheid van stemmen tarieven zouden worden bekrachtigd of afgevoerd. Zij zouden in vele bedrijven dag- en nachtwerk hebben. De enige practische weg schijnt ons die waarop de tariefcómmissies alleen optreden in gevallen van conflicten, latent of acuut, over de gecalculeerde tijd. In die gevallen echter zullen de arbeidscommissieleden volledig recht moeten hebben zich op de hoogte te stellen van de feiten. Niet de meerderheid van stemmen maarde juiste argumenten zullen ten slotte de doorslag geven. Het arbeiders-commissielid moet dus in die gevallen niet afwachten dat er een tijdstudie op tafel zal komen. Hij moet er bij zijn als die tijdstudie gemaakt wordt, hij moet zelf weten in welk tempo de man werkt en onder welke omstandigheden Voorlopig is het bovendien geraden dat, om een betere atmosfeer tussen tijdanalist en arbeider te scheppen, bij iedere tijdstudie een arbeiderscommissielid aanwezig is, ongeacht of deze tijdstudie ter beslechting vaneen conflict dan wel ter samenstelling vaneen calculatietabel wordt gemaakt. Is de tijdstudie, een conflict betreffende, uitgewerkt, dan moet verlangd worden dat de uitkomsten van deze tijdstudie inde tariefcommissie besproken worden in het bijzijn van de betrokkenen. De tariefcómmissies moeten bovendien niet zitten afwachten tot er een klacht komt, maar zij moeten de uitkomst van

alle werkbonnen op verzamelstaten voor zich krijgen en zelf ongevraagd ingrijpen waar grote disharmonie tussen gecalcu' leerde en gewerkte tijd optreedt. Daar echter zulke verzamelstaten niets zeggen over te hoog geprijsd werk waar het over werd verdaan, zullen daarnaast systematisch steekproeven door middel van tijdstudies haar ten dienste genomen moeten worden opdat zij over het goede verband tussen bontijd en benodigde kerktijd zal kunnen waken. Het bovenstaande is echter geschreven dooreen man die noch in echte massaproductie, noch in echte enkel-productie goed thuis is. Soms zweemt het naar massa-productie , (kolenwagens voor de Spoorwegen), soms is het (de montage vaneen brug) enkel-productie; merendeels echter moet het daar als seriewerk bestempeld worden. Hij begrijpt dat daar, waar de lopende band overheerst, de tariefcómmissies in ’t bijzonder hun aandacht op de redelijk toelaatbare bandsnelheid zullen moeten richten en in gevallen van enkel-productie conflicten over de gecalculeerde tijd moeilijk achterna door middel van tijdstudies kunnen worden beslecht, en daarom in . die gevallen een accoord tevoren over de gecalculeerde tijd gewenst is. Daar zullen dus de tariefoommissies een voor die gevallen gepaste weg moeten vinden. L. HOFLAND ONDERSCHRIFT. De tarief commissie kan men beschouwen als één van de nieuwe loten, ontsproten aan de collectieve arbeidsovereenkomst inde metaalnijverheid. Artikel 12 van de C.A.O. bepaalt toch dat in ondernemingen, in welke in tarief ivordt gewerkt, een regelmatig overleg over het tariefwerk (o.i. het liefst in tariefcómmissies) moet kunnen plaatsvinden. Inde meeste gevallen zal er overleg komen over geschillen en wij kunnen ons begrijpen, dat bij de geschillen ‘de vraag naar voren komt: „Hoe is het tarief tot stand gekomen?” Vervolg pag. 4 onderaan

Dieselmotoren bestemd voor dubbelschroef motorschepen.

3

Sluiten