Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kleine haventje naast de werf is omkranst met een ringbaard van bruingeel, donkerbepluimd oeverriet Daar ligt een ’ schip. Aan de overkant liggen de omgeploegde, licht besneeuwde akkers en aan de einder staat zwart en spherp als een pentekening, tegen de grijze lucht bet machtige silhouet van kranen, fabrieksschoorstenen en boog opklimmende kerktorens. Het schip, een ontkopte lichter, ligt in reparatie en wordt weer voor vreedzamer doel ingericht. Op het schild van de roef, in het ruim, staat nog de brallende uitdaging van hen, die éénmaal met dit schip Engeland wilden bereiken: „Beruhigt Ench, er kommt”. Op het voordek staat een nagelvuur. De rook stijgt op inde grauwe winterlucht He't is koud Achter het nagelvuur staat Joep; hij trapt in kalme regelmaa) bet vliegwiel rond, de windmolen snort; de nagels gloeien. De klinker ligt op het dek geknield en klinkt de nagels, die als dwaallichtjes plotseling door het dek verschijnen. Maar het gaat niet vlug genoeg. Hij wenkt met z’n hand; „vooruit jó, gooi wat vlugger op” Want. hij ligt, wat je noemt, te vernikkelen op dat koude dek. Dan verdwijnt weer een gloeiende nagel in het donkere vooronder. Even daarna ratelt dan weer de luchthamer. Zo .nu en dan maakt de klinker met z’n

linkerhand een draaiende beweging: boutje los! Dan worden enkele bouten los gedraaid die, nu de verbinding geklonken is, hun dienst hebben gedaan en zwijgt het enerverende geratel voor een minuut, Na enige tijd wordt het de klinker toch te bar. Hij ligt al meer dan een uur ge' knield op het ..Ijskoude-dek; de kou kruipt op en verstijft kuiten en dijen; zn rug voelt aan als een knoestige knotwilg, Kreunend rijst hij op en strompelt, de handen voruitgestoken, naar het walmende vuur. Hij trekt de leren handschoenen uit en legt z’n handen haast op de roodgloeiende nagels. Rillend trekt hij. de schouders op. „Het is k-k-koud, Joop”, hakkelt hij met sidderende onderkaak, Inde ogen van de jongen .glimmert leedvermaak, „’k Heb er nog geen erg in gehad”, ver-Klaart hij lachend en voegt er, schouderophalend, aan toe „nou ja, ouwe mensen hebben nou eenmaal gauw kou”, Beledigd kijkt de klinker op. „Wwwwie is er oud?” vraagt hij dreigend. (Z’n onderkaak siddert nog steeds). Joop is uit voorzorg een paar passen opzij gegaan, Op die veilige afstand slaat hij zich lachend op de knieën en hakkelt sarrend: „Jjje lag an de wind, ouwe t-totaber met je m-m mummelmondje”. Dat wordt de geplaagde toch te bar. Moet hij zich

laten beledigen door zo’n snotneus? Zeg nou zellef! Hij doet dan ook een uitval naar de jongen hij wil het althans doen maar na een pas kan hij niet meer verder. Want Kareltje, die de nagels inde gaten duwt de 2e nagehnonteur zogezegd —• is intussen naar boven gekomen; hij heeft het gevaar gezien waarin z’n „collega” verkeert en heeft resoluut, zonder zich te bedenken, de broekspijp van de klinker gegrepen. „Wat sodemieter”, mompelt deze. Hij draait zich verwonderd om en ontdekt dan, wie hem dat gelapt heeft. Snel grijpt hij naar z’n tweede belager, die rap de ladder afschiet. Hij botst echter boven op de aanhouder, die nieuwsgierig geworden door de herrie op het dek juist naar boven wil komen. De klompen van de jongen dalen neer op het hoofd Van de hevig verschrikte aanhouder. Het ge-' volg is dan ook, dat hij stevig wordt vastgegrepen. Dan zit Karelje gevangen, hij kan op noch neer. De klinker grijpt hem in z’n kraag. „Geef ’m es een kontje!” verzoekt hij de aanhouder. Deze voldoet maar al te graag aan het verzoek. Het zal je ook gebeuren als zo’n parg boven op je pet komt staan. En zo, van boven gesjord en van onder geduwd, wordt Kareltje

blèrend als een varken aan dek gehesen. De aanhouder steekt z’n zwarte hoofd boven de ingangkap en kijkt verder lachend toe. „Wat moet ik ’m doen?” vraagt de klinker. „Hak ’m in mootjes”, adviseert de aanhouder. „Komt in orde, hoor. Wat mot jij, een pondje van de rib?” „Ikke niet hoor”, weert de aanhouder af, „ik moet geen apenvlees”. De klinker kijkt zoekend om zich heen of hij een wapen kan vinden om de slachting te volbrengen. Ha, daar ligt een moersleutel. Maar om dit te grijpen, moet hij het worstelende slachtoffer met één hand loslaten. Hij probeert het, maar Kareltje rukt zich los en vlucht schaterend weg. Doch niet zo gauw of hij krijgt nog juist een tikje op het bekende pijnlijke plekje aan z’n elleboog, zodat hij jankend onder de ankerlier schiet. Vervaarlijk met de sleutel zwaaiend loopt de klinker nu op Joop toe, die schreeuwend wegvlucht. Hij struikelt echter overeen nagelbak en ligt dan weerloos op het dek. Nu kan de klinker wraak nemen. De sleutel daalt enkele malen neer op dat lichaamsdeel, hetwelk schijnbaar gemaakt is om klappen in ontvangst' te nemen. „Au, au”, gilt Joop overdreven, „niet doen jó, ’t prikt zo, ’t lijkt wel electriciteit”. „Dat komt uit”, davert de klinker, „net op je batterij”. „En nou hier komme”, beveelt hij dan strak en hij vist de één op uit het gangboord en de ander onder de lier vandaan en duwt ze voor zich uit naar het nagel vuur. „Vooruit Karei, Jij weer naar bencje en jij weer heet maken Joop kom aan, we gaan weer beginnen.” Joop heeft nog weinig zin en wrijft z’n pijnlijke zitvlak. „Hoe zit dat, begin je nog... of mot ik eerst nog een beet je electriciteit bijlaaie?” Maar Joop wijst bescheiden af. „Niet doen hoor, ik heb stroom zat” „Alrijt dan, trappen dan maar weer.” Dan trapt Joop het wiel weer gehoorzaam rond. Het vuur rookt, de nagels gaan weer gloeien. Zo nu en dan wrijft hij nog over z’n zitvlak, dat nog een beetje nagloeit en trekt een lange neus naar de klinker, die weer op het dek geknield ligt. Dan gooit hij weer een nagel in het donkere vooronder. Even daarna ratelt weer de luohthamer. M. v.d. Schee

Andersdenkende vrindjes

Wij nemen hier een verhaaltje over, dat op 1 Maart 1949 verschenen is in „Het Gezin”, orgaan van de Katholieke Bond voor het Gezin. Dit verhaaltje geeft een geluid te horen dat men anders wel eens mist. „Heb jij veel vriendjes, Henk? „Wel gehad nu niet meer —” „Hoe komt dat zo ruzie gehad?” De negenjarige Henk kijkt me ’n beetje mistroostig aan: „Nee hoor maar ik mocht er niet meer mee gaan. Hullie z’n vader gaat naar een andere dominee —” „Ah zo —” ik moet even bekomen en „VAN HEINDE EN VER!” In het volgende nummer van ons bondsorgaan zullen wij een uitvoerig artikel plaatsen over het bezoek, dat onze bondsvoorzitter H, J. van den Born aan de Verenigde Staten gebracht heeft naar aanleiding van de vergadering van het Centraal Comité van de Internationale Metaalbewerkers Bond. 54e Jaargang Nummer 11 28 Mei 1949 Uitgave van de Algemene Nederlandse Metaalbewerker sbond. Verschijnt elke 14 dagen. Redacteur: D. W. van Hattem. Adres van redactie en administra1 tie: Hemonylaan 24, Arnsterdam-Z. Telefoon 27858—20821. Advertentietarief: 30 cent per mm. (kolombreedte 58 mm). Bijdragen moeten 10 dagen vóór verschijning in het bezit van de redactie zijn.

vraag dan; „En raag die vader van je vriendje dat dan niet —?” „Natuurlijk niet —” nou kijkt Henk me bepaald geringschattend aan, „er is toch maar één goede, die van ons Holland op z’n smalst Henk belooft ’n degelijk vaderlander te worden zijn ouders voeden hem in miezerige deugd op, door en door „christelijk”. Het is misschien een paar dagen later, dat ik tegenover de ouders van 'n zesjarig melske zit. Ze zijn katholiek. Zeer ontdaan vertellen ze me, dat .hun kleine meid zondige dingen uitgehaald heeft met een vriendje van dezelfde leeftijd. Als Anneke zelf even later bij me zit, vraag ik haar of ze altijd mej dat vriendje speelt. „Nee zegt Anneke eerst speelde ik altijd met Dineke ” „Is Dineke er nou niet meer of was ze niet lief?” „Nou wat lief ze is me buurtje maar ik mag er van mammie niet meer mee spelen.” „Is Dineke dan erg stout geweest?” „Ik zeg toch dat ze heel lief is maar ze is „helemaal niks” en daarom mag het niet—” Het dringt niet eens direct tot me door, waar dat „helemaal niks zijn” op doelt. Anneke, die 'n schrander meiske is, ziet m’n lichtelijk stompzinnige verwondering; en willig voegt ze er spontaan bij „ze gaat niet op de roomse school, ziet u —” „Verdikkeme, Anneke ik zie het.” Fraaie roomse paedagogiek al even prachtig, als die van de christelijke ouders van Henk. Ik stelde vast, dat de katholieke vriend de oorzaak is van de huidige moeilijkheden. Dat we ons niet schamen als volwassenen om onze kinderen op deze manier voor te gaan. Dacht u nu heus, dat Christus, toen Hij sprak: „iaat de kleinen tot Mij komen”, eerst heeft laten onderzoeken of de ouders van de kleinen die tot hem stroomden, aanhangers van Zijn leer waren, of tot een bepaalde groep hoorden 9 Als Christus’ Leer en Leven niet te groots en te verheven was om zonder meer als vergelijking te gebruiken bij het kleine pedante en kortzichtige gedoe van verwaande mensen, die zich christenen noe-

men, dan zou er nog veel meer aan te halen zijn. Hebben we inde afgelopen jaren dan nog niet voldoende geleerd, dat we allen met elkaar ’n armzalige kudde vormen die alleen bij Gods gratie en liefde bestaat -- dat voor Hem allen, die van goeden wille zijn, gelijk zijn? We begaan fout op fout aan onze kinderen en aan de gemeenschap die straks door deze kinderen zal worden gevormd, als we hen voorgaan in bekrompen isolement. Wie waarlijk. Christus’ volgeling wil zijn weet, dat aij zonder enig voorbehoud alle mensen als z’n naasten moet beschouwen. Niet met de lippen maar met de daad. Zijn andersdenkende vriendjes dan geen gevaar voor onze katholieke kinderen? Als het fatsoenlijk opgevoede kinderen van fatsoenlijke ouders zijn, niet. Vooral inde oppervlakkige vriendschap en kameraadschap van de ionge kinderen steekt geen enkel'gevaar. Het praedicaat katholiek is jammer genoeg niet altijd een waarborg voor fatsoen. Bovendien...... kinderen met ’n zieke, afwijkende aanleg komen voor, onafhankelijk van het geloof der ouders. En inde puberteitsjaren dan en er na? Is het gevaar voor de gemengde verkeringen en huwelijken dan niet zó groot dat, we, om deze te voorkomen, de scheiding al zo vroeg mogelijk moeten leggen? Naar mijn mening is ieder goed opgevoed katholiek kind inde latere puberteitsjaren -zover, dat het kan inzien en ervaren dat voor goed katholiek alle mensen vrienden kunnen zijn, maar dat trouwen met een met-katholiek uitgesloten is. Hoe meer beleefd en oprecht de geloofssfeer in het gezin is geweest, des te gemakkelijker wordt dit inde jonge mens tot een innèrlijke overtuiging. Vóór hij daaraan toe is, maakt hij moeilijke jaren door in die jaren past ons, opvoeders, de uiterste waakzaamheid en onverbiddelijk ingrijpen, waar in jeugdig onverstand de verkeerde weg zou worden gegaan Maar dit alles is heel goed mogelijk, zónder ’n kind van z’n eerste jaren af bij te brengen, dat het, niet om mag gaan, met kinderen die „niets” zijn, of „iets anders” zijn dan hij! Dr SIS FtEUSTER. (Overgenomen uit „Paraat” nr. 52 dd. 25 Maart 1949).

Zomerfeest te Apeldoorn (W. v.d. Z.) Het 35-jarig bestaan van de afdeling Apeldoorn wordt gevierd met een familiefeest in het Openluchttheater „Berg en Bosch” op Zondag 19 Juni, aanvang precies 2 uur des middags De entrée is 25 cent per persoon, belasting inbegrepen. Kaarten zijn van 1 Juni af verkrijgbaar bij de bestuursleden en de bode. Kinderen beneden de 14 jaar onder geleide hebben vrije toegang. Op het terrein is een consumptietent aanwezig. Fietsenbergplaats bij de ingang; Postweg. Het programma wordt verzorgd door: Muziekvereniging „Kunst na Arbeid”, directeur Felix Kwast Sr; Zangvereniging „Kunst en Strijd”, directeur G. v.d. Graaf; Arbeiderssporbbond „Voorwaarts”; afdeling Dames-gymnastiek en de A.J.C. met volksdansen. Spreker: bondssecretaris D. W van Hattem. Wij we'kken onze leden en huisgenoten op dit feestte bezoeken. Niemand blijve thuis, dit feest moet slagen.

Nou weet ik, waar die meter pijp gebleven isl

7

Sluiten