Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der arbeidersklasse blijven strijden, strekke hun en ons tot troost. Dan de invoering van de nieuwe door ons congres met grote meerderheid van stemmen goedgekeurde contributieregeling. Een regeling, die rechtvaardig en billijk is en die de lagere inkomens ontlast en de hogere inkomens (boven ƒ 47.50 per week) éen iets hogere contributiebetaling oplegt. Niet verhoging van de contributie, doch een betere en rechtvaardiger verdeling van de contributielasten was het doel en dit wordt zeer zeker door de nieuwe regeling bereikt. Er is in het nieuwe jaar werk aan de winkel. Werk om onze nieuwe kameraden, die uit andere zgn. hoofdarbeidersorganisaties inde metaalindustrie naar onze Bond zullen overkomen, wegwijs te maken om ook van hun werkkracht profijt te kunnen trekken. Er is werk aan de winkel voor ons kader om de leden, die te weinig aandacht hebben gehad voor de invoering van de nieuwe contributieregeling, op de billijkheid en rechtvaardigheid van deze regeling te wijzen. Gezin en Bond gaan een nieuw jaar in. Een jaar, dat met activiteit en medeleven van onze leden en hun gezin kan worden tot een jaar van binding en verdieping en daardoor vergroting van onze macht in het belang van onze leden en hun gezinnen. 11. J. W. KOUDIJS

Naar sociale zekerheid! Allereerst mogen wij er de aandacht op vestigen, dat de sociale vraagstukken in 1950 in sterke mate onze aandacht vroegen. Dat wij daarbij als vakbeweging in haar geheel betrokken zijn, ligt vóór de hand en er was dan ook voor het N.V.V. aanleiding als onderdelen van de Sociale Commissie een aantal sub-commissies in te stellen. In, vier van deze sub-commissies is onze organisatie vertegenwoordigd, t.w. in die voor de Wachtgeld- en Werkloosheidsverzekering, de Uitvoeringsorganisatie, de Bedrijfspensioenfondsen en de Ouderdomsvoorziening. De ontwikkeling van de oudedagsvoorziening heeft zich niet voltrokken als in uitzicht was gesteld bij de invoering van de Noodwet-Drees. Het lag inde bedoeling, dat genoemde Noodwet slechts voor drie jaar zou gelden en met October 1950 vervangen zou worden dooreen definitieve Rijksregeling. Het is ons bekend, dat aan de voorbereiding van deze definitieve Rijksregeling hard gewerkt is, maar daarbij dienden zich zoveel vraagstukken aan die om een oplossing vroegen en waaromtrent door de deskundigen verschillende oplossingen worden voorgestaan, zodat men niet op tijd gereed was. Het gevolg daarvan is geweest, dat de Noodwet-Drees voor de tijd van twee jaren is verlengd geworden. Het is nu maarte hopen, dat dit vraagstuk in deze tijdsduur zijn beslag zal krijgen. Dit zal ook van het grootste belang zijn voor de ontwikkeling van het instituut bedrijfspensioenfondsen.

Al of niet gemotiveerd, er zijn nu eenmaal groepen van werkgevers, waarbij de bereidheid om aan het in het leven roepen van of aan de verdere ontwikkeling van bedrijfspensioenfondsen mede te werken, nihil is. Met de invoering van de Wet op de Wachtgeld- en Werkloosheidsverzekering wil het ook maar niet vlotten. Zo men weet, zijn er inde metaalbranche twee verplichte bedrijfsverenigingen voor de uitvoering dezer wet tot stand gekomen, t.w. één voor de metaalnijverheid en één voor de

kleine metaalnijverheid, ofschoon door de commissie, die zich bezig heeft gehouden met de indeling van het bedrijfsleven, tot de instelling van één bedrijfsvereniging was geadviseerd. Beide bedrijfsverenigingen zijn echter verplicht in haar reglementen de bepaling op te nemen, dat de tijd, die inde andere sector van de metaalbranche werd gewerkt, bij de vaststelling van het aantal weken dat in de bedrijfstak arbeid is verricht, zal worden medegerekend. Deze verplichting is van grote betekenis, daar het veelvuldig voorkomt, dat werknemers uit de metaalnijverheid gaan werken inde kleine metaalnijverheid en omgekeerd. In verband met de begin September 1950 ingevoerde 5 % loonbijslag is de loongrens voor de sociale verzekering óp ƒ 4725. gebracht en het maximum-dagloon voor premie en uitkering verhoogd van ƒ 12. tot ƒ 13.—. Bij de vernieuwing van de C.A.O. voor de metaalnijverheid is bepaald, dat het minimum ouderdomspensioen bij minstens 26 weekpremies ƒ 3. per week oftewel ƒ 156. per jaar zal zijn, terwijl de werkgevers hebben toegezegd het pensioen tot ƒ312.- per jaar te zullen aanvullen voor hen, die minstens 10 jaren in hun onderneming werkzaam zijn. W. H. SEGAAR

Een goed uiteinde, een beter begin? Als we ooit de illusie mochten hebben gehad, dat het einde van de tweede wereldoorlog een vredesperiode zou inluiden, dan is deze dit jaar in ieder geval verstoord.

Zojuist heeft, Truman een noodtoestand afgekondigd en wordt de vredes-economie weer omgezet ineen oorlogseconomie. De bewapening zal worden opgevoerd, de legers vergroot en de diensttijd verlengd. Hoewel het oorlogstoneel zich op het ogenblik in Azië bevindt, is een ieder het er over eens, dat ook West-Europa een gevaarlijke zone vormt. Ook in dit gebied zal Mars zijn offers vragen. Zo gezien, loopt het ons in Nederland niet mee. Dachten we na de bevrijding met frisse moed de wederopbouw en vernieuwing te kunnen aanpakken, aldra deden zich de destructieve gevolgen van de moeilijkheden in Indonesië gevoelen. Toen deze na veel pijn waren opgelost en wij dachten dat ons een last van de schouders zou vallen, kwam er een nieuwe oorlogsroes, die de golven hoog deed opslaan. Het prijsniveau ging met sprongen omhoog, juist op het ogenblik, dat de gevolgen van de devaluatie enigszins waren uitgewerkt. De oorzaak van het stijgende prijsniveau was vooral het zoveel duurder worden van de grondstoffen. Dat heeft nare gevolgen, die men op twee manieren kan benaderen. De eerste benadering is het eenvoudigst. Doordat de grondstoffen duurder worden, worden de goederen, waarin die grondstoffen verwerkt worden, ook duurder. Soms duurder dan noodzakelijk is, omdat er ineen periode, waarin de prijzen stijgen, in sterkere mate wordt ingekocht. ledereen wil zo vlug mogelijk vóór de bui binnen zijn en een voorraad vormen om

gevrijwaard te zijn tegen verdere prijsstijgingen. Inde huishoudingen, ■ waarin men een centje overhoudt(l), deed men dit, maar vooral in bedrijfshuishoudingen, die we meestal ondernemingen noemen. In zeer korte tijd zien we ook de prijzen oplopen van de goederen, die we voor ons dagelijks gebruik nodig hebben en als het inkomen niet stijgt of niet in gelijke mate stijgt, dan voelen wede vermindering van de welvaart aldra aan den lijve.

De tweede benadering is wat lastiger. Als wede duurdere grondstoffen in gelijke hoeveelheden willen blijven kopen, dan moeten de goederen, die we uitvoeren, óf in gelijke mate in prijs stijgen óf we moeten meer goederen uitvoeren. Nu blijkt voor ons land, dat de ingevoerde goederen in veel sterkere mate in prijs zijn gestegen dan de uitgevoerde goederen. Dat wil dus zeggen, dat we er slechter aan toe zijn. Willen we dezelfde hoeveelheid grondstoffen blijven invoeren, dan moeten we meer goederen uitvoeren. Nu kunnen we uiteraard niet dezelfde hoeveelheid goederen blijven verbruiken en tegelijk meer uitvoeren, als de productie gelijk blijft. Hoewel onze productie in vergelijking met vóór de oorlog sterk gestegen is, kunnen we niet in één klap de sterk gestegen prijzen van de grondstoffen, die we moeten invoeren, opvangen. Wij zien dus dat we zelf minder goederen kunnen kopen en komen tot hetzelfde resultaat als toen wede stijgende kosten van levensonderhoud plaatsten tegenover de gelijkblijvende inkomens of niet even sterk gestegen inkomens. Kunnen we dé productie in niet al te lange tijd flink opvoeren, dan zijn we misschien in staat zonder veel verschuivingen dé moeilijkheden op te vangen. Kunnen we dit niet, dan gaat in hoe langer hoe sterker mate de vraag een rol spelen, wié de nieuwe lasten het sterkst . moet dragen. En dan te bedenken, dat er een groot-verbruiker bij is gekomen, die Mars heet! Het valt niet_ mee om onze lezers een goed uiteinde en een nog beter begin toe te wensen. I. BAART.

De kleine metaalnijverheid in 1950 Hét jaar 1950 bracht vele belangrijke gebeurtenissen op sociaal-economisch gebied. De belangrijkste gebeurtenis voor de kleine metaalnijverheid was, hoe vreemd het misschien ook moge klinken, m.i. de beschikking van het College van Rijksbemiddelaars van 2 Januari 1950, waarbij

werd vastgesteld de „Regeling van lonen en andere arbeidsvoorwaarden voor het Rijwielreparatiebedrijf”. Bevatte deze Regeling dan zoveel nieuwe bepalingen of is het Rijwielreparatiebedrijf van uitzonderlijk belang voor de Nederlandse economie en de vakbeweging? Neen, nieuwe nog ongekende, bepalingen bracht de Regeling niet en al is het aantal rijwielreparatiebedrijven zeer groot (ruim 11.000 in Nederland met ruim 14.000 personeelsleden (inclusief de eigenaren) en een omzet van ruim 47 millioen gulden (in 1947), een sleutelpositie neemt deze branche zeker niet in. De grote betekenis van de beschikking van het College van 2 Januari 1950 is, dat daarmede de coördinatie van lonen en andere arbèidsVoorwaarden inde kleine metaalnijverheid werd voltooid, doordat de enige groep voor wie nog afwijkende bepalingen golden, nu ook kwam te vallen onder een regeling, volkomen gelijk aan die, geldende voor de negen andere branches inde kleine metaalnijverheid. Hoe groot de betekenis van deze coördinatie is, wordt pas duidelijk als wijde situatie inde kleine metaalnijverheid inde periode vóór 1940 in onze herinnering terugroepen. Slechts voor enkele branches waren de primaire arbeidsvoorwaarden in C.A.O.’s vastgelegd. C.A.O. s, die vaak niet eens voor het gehele land, maar slechts voor enkele grote plaatsen of voor een enkel bedrijf van kracht waren en niet veel meer bevatten dan de loonbepalingen en enkele voorschriften over vacantie en de betaling op christelijke feestdagen. Wij denken hierbij

aan de C.A.O.’s voor het loodgieters- en {ittersbedrijf, de Centrale verwarmingsindustrie en het electrotechnisch bedrijf. Ongetwijfeld hebben deze eenvoudige C.A.O.’s hun waarde gehad. De overgrote meerderheid van de bedrijven viel echter buiten iedere regeling en de arbeidsvoorwaarden daar werden bepaald door ;,het vrije spel der maatschappelijke krachten”. Van rechtvaardigheid bij de

loonvorming was geen sprake. Er ontstonden loonverschillen, die op geen enkele wijze gemotiveerd kunnen worden. Zonder overdrijving mogen we spreken vaneen chaotische toestand. Aangezien direct na de bevrijding de loonsherzieningen gebaseerd werden op de toestand op 10 Mei 1940, dreigde het onrecht, ontstaan inde periode van vóór Mei 1940, in versterkte mate terug te keren. Dit feit dwong alle belanghebbenden; Regering, werkgevers en vakbeweging, tot het nemen van speciale maatregelen. Nadat enkele noodvoorzieningen getroffen waren, werd een aanvang gemaakt met de opgave voor de kleine metaalnijverheid een serie loonregelingen te ontwerpen, die aan de vroegere onrechtvaardige verhoudingen zoveel mogelijk een einde zouden kunnen maken. Welnu, de Regeling voor het Rijwielreparatiebedrijf wal het sluitstuk. Grote moeilijkheden zijn te overwinnen geweest, maar met trots en voldoening mogen wij wijzen op het resultaat van de, op dit stuk, goede samenwerking tussen werkgevers en werknemers en de overheid (inde vorm van het College van Rijksbemiddelaars). Tegenover de chaos van vóór 1940 staan de 10 Regelingen van lonen en andere arbeidsvoorwaarden voor d« 10 verschillende branches inde kleine metaalnijverheid en geldende voor geheel Nederland, d.vv.z. voor 51.000 bedrijven met 141.000 personeelsleden. Het voornaamste daarbij is, dat ondanks de verschillen die er zijn tussen de branches, de algemene bepalingen: van de regelingen volkomen gelijk zijn en ook de lonen op een logische wijze zoveel mogelijk met elkaar in overeenstemming zijn gebracht. De betekenis hiervan is o.i. niet te overschatten. In het bovenstaande vindt U tevens het antwoord op de vraag waarom de onderhandelingen over het afsluiten vaneen C.A.O. voor de kleine metaalnijverheid niet met iedere branche afzonderlijk zijn gevoerd. Het is duidelijk, dat het voor alle betrokkenen van het grootste belangwas, dat de coördinatie, die verkregen werd, voor de toekomst gehandhaafd bleef. Het verheugt ons bovenmate, dat het, dank zij decentrale onderhandelingen, gelukt is de coördinatie volledig te handhaven inde nieuwe regelingen. Over de inhoud van die nieuwe regelingen hopen wij in „De Metaalkoerier” van eind Januari 1951 concrete mededelingen te kunnen doen. L. P. G. NELEMANS

3

Sluiten