Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Denkt om de slachtoffers en uitgeslotenen. Heden zij, morgen wellicht gij!!”

dien toestand te veranderen, het toetreden [tot de organisatie, dat wordt niet aangegrepen. Daarom arbeiders, als weder die treurige toestand door de directie in het leven wordt geroepen, maakt dan dat ge reeds uw maatregelen hebt genomen, door vereenigd daar tegen te protesteeren. Maar dan ook heeren bankwerkers en draaiers het egoisme op zij, niet langer gedacht meer te zijn of hooger te staan dan een ander vakman, maar uw gezamelijk intreden inde afd. Vlissingen van den Alg. Ned. Met.bew.bd. is slechts de eenige weg ter verbetering van uwen toestand. Art. 11 geeft aan portiers en nachtwakers het recht om iedereen te visiteeren die op of van de werf gaat. ledereen ? En het zijn alleen arbeiders die worden gevisiteerd. Bazen, klerken of directie ziet men nimmer aanhouden, mocht het woord «iedereen* toevallig zijn ingelascht, dan het abuis hersteld, maar is de directie wetend er van, dan last gegeven zonder onderscheid te handelen, opdat niet alleen de arbeiders worden verdacht, zich aan het medenemen van iets wat hen niet tockomt, schuldig te maken. U redactie, bedankend voor de verleende plaatsruimte. Uw medestrijder J. A. S. ZWEDEN. De massale uitsluiting der Metaalbewerkers. Daar ons vakblad maar om de veertien dagen verschijnt en meest gebrek aan plaatsruimte is, zoo komen wij vaak als het hinkende paard achteraan. Hoe onpleizierig dit nu ook moge zijn, zoo hebben wij toch het voordeel, dat wij uit de verschillende berichten meest een juist en duidelijk beeld over de zaak in kwestie voor onze lezers kunnen ontvouwen ; dit vooraf. Zooals vele vakgenooten zullen gelezen hebben, zijn 6 Juli de werkplaatsen der Zweedsche metaalindustrie gesloten en zijn daardoor circa 20.000 (zegge twintig duizend) metaalbewerkers op straat geworpen. Het ging daar evenals bij ons en overal. Geweld en brutaliteit steken overal hun hoofd op, rechtvaardigheid en het gegeven woord worden met voeten getreden, overeenkomsten verkracht, op verraad worden hooge belooningen uitgeloofd en duizende huisgezinnen in ellende gedompeld. Bernström, *) de almachtige tiran inde Zweedsche ijzer- en metaalindustrie, wil dat zoo en zijn wil is wet; de laaghartige repressalliën, die hij tegenover de metaalbewerkers (na de massale demonstratie voor algemeen kiesrecht verleden jaar) tot nu uitspeelde, hadden daardoor haar toppunt bereikt. Hetgeen hem verleden jaar alleen niet gelukte, dacht hij nu door middel van de, na dien tijd, inde «Werkplaatsenvereeniging« georganiseerde werkgevers te bereiken. De organisatie der arbeiders moest vernietigd worden en de arbeiders zelf tot wil- cn eerlooze slaven verlaagd worden. Koning Kapitaal (alias Bernström) werd de dictatuur van het groot-kapitalistische despotisme inde Zweedsche nijverheid. Ziedaar het ideaal der heeren «Scharfmacher« (verscherpers van drukkende toestanden). De tijd was gunstig voor zulk een krachtproef; sinds maanden wordt in ’t havenbedrijf Stockholm en Hef ie een verwoede strijd tegen loonsvermindering gevoerd, de handschoenmakers in Zuid-Zweden zijn reeds eenigen tijd uitgesloten, de schilders te Stockholm eveneens en inde schoenwarennijverheid is alleen door de voorbeeldige bezadigde houding der arbeiders een brutale algem. uitsluiting voorkomen. Nu of nooit dachten de heeren patroons. Een loongeschil van 8 vormers met de directie der machinefabriek van Hoilan te Kristianstad, werd de stok waarmede men den hond zou slaan als hij niet wilde leeren apporteeren op het commando en zich schikken inde luimen der heeren. Ineen geheime zitting had het hoofdbestuur der patroonsvereeniging besloten alle georganiseerde arbeiders op straat te werpen en ongeorganiseerde uitgesloten arbeiders te ondersteunen. Toen verschillende leugens der werkgevers inde aan hun geprostiueerde burgerpers ontzenuwd en de leugenaars ontmaskerd waren, kwam de aap uit den mouw: De organisatie en de door haar gevoerde, aan de industrie schadelijke arbeiderspolitiek, verbonden met het intensieve optreden op economisch gebied moest vernietigd worden. Doch de heeren vergisten zich, want de arbeiders wezen alle vernederende voorwaarden met verachting terug en bleven pal staan, hoewel het aantal uitgeslotenen schrikbarend groot en een voldoende steun lang niet zeker was, al spanden de arbeiders van Zweden, Noorwegen en Denemarken ook al hun krachten in. Tot welke lage middelen de werkgevers grepen, om de arbeiders aan ’t wankelen te brengen, bewijst de volgende circulaire aan verschillende arbeiders gezonden: Naaml. Vennootschap «Separator,« Stockholm. «In afwachting, dat gij genegen zijt een schriftelijke verklaring te onderteekenen op eer en geweten (waar zit dat? – Vert.) dat gij tot geen vakvereeniging of andere organisatie behoort en ook geen ondersteuning van deze zijde gedurende deze uitsluiting ontvangt, zullen wij aan u een ondersteuning van 12 kronen (f 8.16) per week uitbetalen. In dit geval hebt gij Zaterdag, 18 dezer, ’s namiddags ten 3 ure op de gewone plaats der uitbetaling aanwezig te zijn.« Stockholm, 7 Juli 1903. De Fabrieksleiding. Ondanks deze schaamtelooze handelingen bleven de arbeizich kalm en vastberaden verzetten en de werkgevers (hoewel een groot gedeelte gedwongen en met verbolgen woede) buigen voor den wil van het bestuur of eigenlijk den heer Bernström. Alleen een firma bleef zich daar tegen verzetten, de Telephoonapperatenfabriek Erikson &• Co. te Stockholm trad uit de patroonsvereeniging en betaalde een boete van 83000 kronen (f 56440.—). Da prijzenswaardige pogingen van den heer de la Gardin (Comm. des Konings inde provincie Gotland) om te Kristianstad tot een overeenkomst te geraken leden schipbreuk door de houding van den patroonsbond, die geheel en al onder den invloed van Bernström stond. Intusschen keerde de publieke meening zich hoe langer hoe meer ten gunste der arbeiders en werden zelfs in regeerende

kringen stappen tot bijlegging van dat geschil in overweging genomen. (Het meest practische was een muilkorfwet tegen de willekeur der werkgevers en Berdström in ’t tuchthuis, dat zou een rechtvaardige toepassing zijn van het Zweedsche wetsartikel: zwaarste straf aan hem die anderen inde uitoefening van vrij willigen arbeid hindert.) Een commissie werd door de burgers gevormd om tot een bevredigende oplossing te komen, bestaande uit werkgevers en arbeiders. De arbeiders benoemden daarin: Lindquist(handel. Arb. Secr.), Sven Persson (Houtbewerkers), Blomberg (Ijzeren Metaalbewerkers), Blomquist (Vormers) en Jönsson (Grofarbeidersbond). Aanvankelijk scheen het dat ook deze pogingen zouden mislukken, maar toen men zag hoe vastberaden de houding der arbeiders was en hoe zij gesteund werden keerde zich de meerderheid der patroons zich tegen de fractie Bernström en kwamen tot een overeenkomst, waarin de volgende voorwaarden werden aanvaard; iO. Erkenning van de organisatie der metaalbewerkers; 2°. De geschillen aan de machinefabriek van Hoilan te Kristianstad, aan de mechanische werkplaats van Kochunus te Malmö en eenige kleinere fabrieken worden aan Arbitrage (scheidsrechterlijk onderzoek en uitspraak) onderworpen; 3°. Alle inde toekomst rijzende geschillen worden getracht langs vredelievenden weg door arbitrage op te lossen; hiervoor wordt een comité van 5 man gevormd. Ook hier hebben dus de werkgevers evenals te Pirmasens, Iserlohn en Hamburg (hier na 12 maanden staking) in Duitschland en vroeger in Denemarken, hun hoofd te pletter geloopcn tegen de hecht aaneengevoegde muur der vakorganisatie. _ A. J. *) Bernström is de leider der Zweedsche vereeniging van metaalindustrieelen. INGEZONDEN. (Buiten verantwoordelijkheid der redactie.) Aan onze Hoofdbestuurders. Wij kunnen niet nalaten nogmaals op het fanatiek geschrijf van ons H.B. terug te komen. Waar het H.B. schrijft, «wij bepalen ons tot de vakvereeniging en niet met de oplaag van Het Volk of anderzins,« geeft het H.B toch duidelijk te kennen, dat ook zij dit heel goed heeft gemerkt, doch doodgewoon niet wil bekennen, dat dit het duidelijkste bewijs is van de belangstelling die de arbeiders begonnen te krijgen voor de werkzaamheden in het parlement. Uw echt Domelacratische opmerking over het onderwijs, dat de arbeiders zich moeten ontwikkelen en steeds op het samenwerken der heeren kapitalisten moeten wijzen, is toch wel wat heel schamper, waar gij hun direct ontraadt om mede te werken tot het verkrijgen van betere regeling van het onderwijs, alsmede voor schoolkleeding, voeding, enz. Waar het H.B. nog verder gaat op echt anarchistische wijze onze strijders |in het parlement te beschimpen, en op ons aanraden om voor het Algemeen Kiesrecht te ijveren antwoordt, dat dit niet is de strijdwijze van den A. N. M. 8., willen wij toch even opmerken, dat onze Bond niet enkel bestaat uit M. R. en W. van W.; maar wel uit verschillende afdeelingen, die bij voorkomende gevallen nog een woordje mee mogen spreken. Wij vertrouwen ten volle, dat wij niet de eenigen zullen zijn, die inzien, dat wij onze vijanden vooral hun scherpste wapen hebben te ontnemen. Gelukkig begint er onder het H.B. bij sommigen ook al reeds een betere strooming te komen en we hopen dan ook voor M. R. en W. van W. dat zij ook tijdig zullen inzien, dat zij om te werken voor de eenheid van onzen Bond geheel andere wegen moeten bewandelen dan tot dusver. Wie de arbeiders, op het oogenblik dat de eenheid zoo noodig was, tegenover elkaar in het harnas joegen, waren natuurlijk diegenen, die, toen allen haakten naar die eenheid, riepen; «verraad! verraad!« en door het achterhouden der cijfers den toestand mooier wilde doen schijnen dan dat deze werkelijk was. Waar het H.B. ons in haar stuk nog toevoegt, wat betreft het verbreken der eenheid, het spreekwoord in toepassing te brengen: «de pot verwijt de ketel dat ze zwart ziet,« willen wij opmerken, dat wij verstandig genoeg zijn om te begrijpen, dat niet alle bondsleden van dezelfde politieke richting zijn als wij. Indien M. R. en W. van W. zulks ook zoo goed hadden begrepen, zouden zij nimmer met zulke kwetsende stukken voor den dag komen, tenminste niets als wij hen nog langer als H.B. van onzen Bond zullen moeten erkennen. Wij kunnen dan ook niet nalaten hun den goeden raad te geven, dat wanneer zij al met heeren renteniers als Domela Nieuwenhuis en consorten meegaan, zij zoo verstandig moeten zijn, waar zij onze politiek zoo bemodderen, voor de hunne in geen geval ons bondsblad te gebruiken. Dat het moeilijk is om lieden te overtuigen, die zoo onder den indruk van dergelijke heeren zijn, is ons genoegzaam bekend. Evenwel zal men ook begrijpen, dat wij ons er steeds tegen zullen verzetten als een paar H.8.-leden op een dergelijke anarchistische manier onze beginselen door de modder sleuren, en dat men zulks durfde doen onder de leuze: «leve de internationale solidariteit was juist hetgeen ons tegen de borst stuitte, zoodat wij meenden de stellers van genoemd stuk hier opmerkzaam op te moeten maken. •Namens de afdeeling Leeuwarden, J. van Stralen, Voors. A. v.d. Veen, Secr. Aan de H.8.-leden M. R. en W. v. IV. Met verbazing las ik in no. 16 van de «Metaalbewerker, over mijn opmerking in no. 14, dat ik maar dadelijk had geschreven vaneen hak zetten, maar dat ik beter had gedaan, om uiteen te zetten dat het niet waar was. Met verbazing, omdat men van mij vraagt om uiteen te zetten dat de S. D. A. P. geen sportlui zijn inde arbeidersbeweging, terwijl zij zelf niet eens schrijven, waarom zij

het zijn. Of noemt u het misschien sport dat de sociaaldemokraten en de vakvereenigingen die onder sociaal-democratische leiding staan, waaronder de door anarchisten zoo vaak verachte A. N. D. 8., met zijn politieke leiders, duizenden guldens hebben bijeen gebracht voor de slachtoffers, terwijl de Engelsche vakvereenigingen met zijn groote ondersteuningskassen en die duizende guldens hadden beloofd, niets of bijna niets hebben gezonden, zeker omdat zij daar niet aan politieke sport doen. Daar ik altijd nog van meening ben, dat wij ons vakblad voor dergelijke polimiek niet mogen gebruiken, zal ik het hierbij laten, meent u echter op dergelijke wijze te moeten voortgaan, dan zal ik ook aantoonen dat zij geen sportlui, maar strijders voor de arbeidersbeweging zijn, beter tenminste dan Domela Nieuwenhuis met zijn aanhang, die op hun bijeenkomst te Arnhem de gesalarieerde bestuurders voor baantjesjagers uitmaakte en die van geen onderwerpen van de minderheid aan de meerderheid (zonder welke een goede vakvereeniging niet mogelijk is) wil weten, terwijl d ■ besturen voor klieren werden uitgemaakt. En verder meen ik dat de afd. Leeuwarden in no. 15 ook voldoende heeft aangeloond de onjuiste voorstelling van uw spotternij. Dankend voor de plaatsruimte. Hengelo, 7 Juli 1903. H. Voogdgeert. Ter Opheldering. Hoewel ongaarne, moet ik toch even iets mededeelen aangaande het schrijven van ’t H.B. in No. 13 en de critiek die daaruit voortkwam. Hoe is dat gegaan? Zoo! Voorzitter en penningmeester en ik zaten tezamen over de werkzaamheden te praten den bond betreffende. De voorzitter haalde zijn stuk voor den dag en las het voor en vroeg daarna, zou ik het zoo kunnen, waarop ik antwoordde, zeker. Nu kon ik niet vermoeden, dat dit zou gaan namens ’t H.B. daar wij ook maar met' ons drieën aanwezig waren. Het stuk in kwestie heb ik dus niet ingezien en ook niet becritiseerd, dit doet men, dunkt mij, wanneer men het zelf leest. In ’t vervolg zal ik er voor oppassen om op die manier geen aanleiding te geven voor geschrijf als thans plaats vindt. In hoofdzaak toch wordt ik er voor aangekeken, op zichzelf is dit niet zoo erg, maar velen gaan direct over tot fanatieke gezegden, enz. De bewijzen kan ik hierveor zoo noodig leveren. Wanneer er in ’t vervolg weer iets geschreven wordt, hoop ik dat de leden van ’t H.B, hun naam zullen plaatsen onder ’t stuk, of althans niet onderteekenen namens ’t H.B. Alhoewel ik geloof dat onze voorzitter dit niet deed met opzet, ware het veel beter geweest zulks niet te doen, dat spaart schrijverij, misverstand en ook bedilzucht. Elferink. Geachte Redaktie! Gaarne zou ik van u nog eenige plaatsruimte in uw blad hebben voor het volgende: Volkomen ben ik het met u eens, dat het beter is de kibbelarij tusschen W. Sch. en mij niet verder door te zetten, temeer daar de oorzaak zoo uiterst onschuldig is. Bosman zet een advertentie voor zandvormers in uw blad. W. Sch. biedt zich aan per brief en hierop antwoordde ik den man. Ik schreef hem dat hij bij ons werk kon bekomen, maar dan vooreerst dakramen moest maken, het vormloon noemde ik hierbij, ik wilde den man, werkeloos zijnde en als slachtofler der laatste staking gevallen, helpen. En wat volgde op mijn schrijven aan hem ? Een ingezonden stuk in uw blad van 6 Juid 1.1. van W. Sch., met allerlei liefelijkheden aan mijn adres. Me dunkt de man had beter gedaan wat kalmer te blijven en niet zijn naam moeten zetten onder een stuk, dat door een ander opgesteld is, hij zelf toch beweert in zijn schrijven aan S. Bosman geen Hollandsch te kennen. U dankende voor de plaatsruimte verleend aan dit, mijn onherroepelijk laatste antwoord. Hoogachtend P. J. Boon. RECTIFICATIE. In het verslag van de meeting te Rotterdam heeft een volzin tot verkeerde gevolgtrekkingen gegeven namelijk inde rede van Troelstra waarin ik schrijf: na (bespreking der Aprilstaking) dan over te gaan tot een meer intensieve bespreking van het, naar zijn meening, roekelooze propageeren voor algemeene werkstaking, enz Daar nu uit deze redactie der woorden van Tr. niet duidelijk blijkt in welk verband hij ze gesproken heeft en het op verschillenden eene dubbelzinnigen indruk maakt, na zijn werken in die dagen hem zoo te hooren spreken, wil ik gaarne verklaren dat ik de redactie dier woorden niet duidelijk genoeg gesteld heb; zij hadden moeten zijn: na dein Aprilstaking opgedane ervaringen, roekelooze propageeren voor algemeene werkstaking. Ik wil hier nog bijvoegen, dat ik in dezen zin die woorden zeer verstandig vind en dat zij, hoewel ik geen partijgenoot van Tr. ben, geheel ook mijn meening over deze zaak weergeven hoewel ik veel 'vroeger dan Tr. daarover zoo dacht. Als ik mijn raad in die dagen had moeten geven zou ik gezegd hebben: Zoover ik den stand der vakorganisatie uit de vakpers beoordeelen kan, is het roekeloos een staking te proklameeren die meer kansen op nederlaag dan overwinning heeft. Maar Tr. heeft toen bewezen geen zuiveren kijk op zaken te hebben en kan ik het mij verklaren dat hij nu, na de opgedane ervaringen, te velde trekt tegen de, ook naar mijn meening, roekelooze propaganda voor eene hopelooze utopie. Hierover hoop ik, als ik over meer tijd dan nu te beschikken heb, nog eens uitvoeriger te schrijven. A. Jantzen. Varia. Als de arbeidsbijen het eens zijn, blijft de beer uit hun korf; als de ouden met de jongen vechten, vreet hij hun honig op. Vakgcnooten weest eensgezind. A. J.

Sluiten