Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE METAALBEWERKER.

der katholieken zegt dat het katholicisme en socialisme onvereenigbaar- is, maar het is onwaar, dat de sociaaldemocratie den godsdienst uitsluit, aanrandt of bestrijdt. En daarover moet het in hoofdzaak gaan. Ik zie inde toetreding als katholiek tot de sociaaldemocratie van enkelen, de baanbreking voor gezondere samenwerking op maatschappelijk terrein, ten voordeele der kleine luiden. Het socialisme is uitsluitend maatsdeappelijk, de godsdienst niet. Dat de godsdienstigen, in ’t bizonder de katholieken zich aangetast voelen, komt, omdat zij zich geheel hebben aangepast aan de maatschappelijke toestanden. De katholieken kunnen onmogelijk den economischen diefstal goedpraten, terwijl ze het wel doen voorkomen dat alles zoo van God gewild is. Tegen den economischen diefstal en de rijkdommen, ook die der katholieke kerk, verklaart zich het socialisme. Tegen de schandelijke uitzuigerijen, ook, en niet het minst door katholieken bedreven, treedt het socialisme op. Dat is echter heel iets anders dan de ontkenning van hel en hemel enz. Wel lijkt het mij toe, dat katholieke uitzuigers onmogelijk het koninkrijk der hemelen kunnen beërven. Ik wil eindigen met er op te wijzen dat de vakbeweging geheel gescheiden moet zijn van de socialisten, van welke schakeering ook. Dat ik hier met u polemiseer over het socialisme, komt alleen daardoor, omdat er toe gedreven werd, eerst door Van Munster en daarna door u. Gij hebt mij dus inde gelegenheid gesteld iets van het socialisme te zeggen, wat ik anders niet had gedaan, en bevestig, dat door uwe bestrijding van het socialisme, het er slechts bij gebaat is. Ik deed dat niet ter bevoordeeling eener partij, aangezien ik tot geen partij behoor. Als ik u mag raden, laat in het vervolg het bangmaken en vrees aanjagen voor toetreding in onzen bond wegens het socialistisch gevaar weg, het baat u op den duur niets, en bespaart ons véél tijd die we nuttiger en beter konden besteden voor noodige verbeteringen. Ik geef u de verzekering dat de arbeiders er bij zullen winnen. Dat is toch ook uw doel? Elferink. ©verbenkmoen. Bij het zien van den tegenwoordigen slechten toestand onzer vakvereenigingen en speciaal die van onzen Bond, denkt men ernstiger, dan dit in tijden van opgewekt vereenigingsleven het geval is, over de oorzaken van dezen slechten stand van zaken na. Hoeveel jaren is niet reeds geschreven en gesproken geworden, het «Proletariërs aller landen vereenigt u« ? Zou al dat gesprokene verloren zijn gegaan bij de massa van metaalbewerkers, zou daar niets van zijn overgebleven? Jawel het heeft ingang gevonden inde harten van velen, zij zijn lid geworden van onzen Bond, zij hebben medegeholpen om op hun beurt anderen te overtuigen van het nut van vereenigen. Maar inde harten van nog meerderen heeft ingang gevonden eene andere meening, die ook gepropageerd is geworden; de meening dat men geen vertrouwen moet hebben in bestuurders van vakvereenigingen. Weest vertrouwd maar vertrouwt niemand is zoozeer doorgedrongen, dat men alreeds voor iemand te kennen hem wantrouwde. Ik beschouw dit als één der oorzaken waarom onze bond zoo weinig leden telt, waarom zij in het openbaar leven zoo weinig invloed heeft op den gang van zaken. We zien zoo vaak dat eene persoonlijke strijd wordt gemaakt tot eène strijd inde vereeniging zelf. Eene korte poos was er dan leven inde brouwerij, echter geen positieve beweging die ons vooruitbracht, maar ééne die aan de éène zijde personenhaat en aan de ander zijde moedeloosheid kweekte, bij het zien dat de strijd die gericht moest zijn naar buiten ter beteugeling van het kapitalisme werd gericht naar binnen tusschen voormannen van hun afdeeling of hun Bond. Niet het wantrouwen moest worden bevorderd, maar juist het vertrouwen, op goede controle berustende, dat die bestuurders daar zijn gekozen door de wil der vereeniging zelf. Gij die allen in uw vereeniging die twisten wel zal hebben medegemaakt, zult weten hoe nadeelig deze zijn voor den groei, ja zelfs voor het blijven bestaan der vereeniging. Veel hangt af van het optreden van het bestuur, zij toch is het aangewezen lichaam om den broederband tusschen de leden te versterken. Hoe grooter het onderling vertrouwen is, des te grooter kracht zal uitstralen naar buiten. Al is daar iemand die misschien volgens uwe meening niet geheel oprecht handelt, vergeet dan niet dat uw verbeelding u parten kan spelen en ’t beter is dat tien schuldigen rondloopen, dan dat één onschuldige wordt gestraft. Onze ideën over organisatie zijn overal verspreid, maar ook onze eigen strijd is bekend, zoo niet berucht genoeg, om buitenstaanden af te houden met ons te strijden tegen ’t kapitalisme. Indien ge zelf aanspraak wilt meken op vertrouwen, vertrouw dan ook in anderen dat zij even oprecht handelen. ♦ * ♦ Een tweede oorzaak is m.i. gelegen in het feit dat voor onze leden, die bijna allen lid zijn geworden met het idee, door gezamenlijk optreden verbetering te verkrijgen in hun zoo ellindig lot, dat voor onze leden zoo weinig gedaan wordt om hen te steunen in tijden dat zij die hulp behoeven. De vakorganisatie moet zijn een toevlucht voor ieder die daar lid van is; wanneer door slapte van werkzaamheden, door ’t optreden inde beweging enz. men werkloos rondloopt, dan is het plicht dat de Bond u helpt. Jarenlang zult ge hebben gewerkt voor den Bond, ge hebt uw contributie steeds gestort, als ge werkeloos rondloopt, kent de Bond u niet. Hij laat u dan aan uw lot over en bestuurders van

vakvereenigingen weten hoe hard het valt, iemand af te moeten wijzen, hem niet te kunnen helpen aan hetgeen waaraan hij behoefte heeft. Het behoeft niet gezegd te worden, dat dit neerslachtig werkt op dien persoon; zij die werkloos zijn geweest en de hongerzweep in dubbele mate hebben gevoeld zullen dit, al hebben zij niet om steun gevraagd, zeker gevoeld hebben. Maarde vrees dat dc vakorganisatie daardoor haar kracht zou verliezen, door toetreding van leden welke om ’t verzekeringswezen lid zouden worden, is sterker dan ’t verlangen naar steun. Als ’t waar was dat alle leden thans bewust waren, onze bond zou verhoogde contributie gekregen hebben bij het stemmen op het referendum. Er zijn dus tegenwoordig al hebben we, wat m.i. jammer genoeg is, geen fondsen aan onzen bond, nogal tamelijk veel leden die toch nog niet geheel bewust genoemd kunnen worden. De metaalbew. Bond ging nogal prat op den naam van Gideonsbende d. w. z. een kleine, maar krachtige Bond. Men denkt met i o goede leden meer te kunnen doen, dan met 100 anderen. De vakbeweging werkt ontwikkelend op haar leden, het drankgebruik neemt sterk af, het zedelijk peil wordt aanmerkelijk verhoogd. Op de vergaderingen worden de menschen gelokt door goedklinkende namen van sprekers, lectuur wordt hun inde handen gestopt voor niemendal, maar inde vakbeweging is het niet geoorloofd dat men naar middelen uitziet om leden te winnen die daarin hunne opvoeding ontvangen. Toch valt een groeien van dit idee waar te nemen; onze tijdelijk opgeheven reiskas is daarvan een sprekend voorbeeld. De Bond moet voor ieder lid zijn, wat het kustlicht is voor den zeeman. Dat licht brengt hem en ons in veilige haven, het is de toevlucht bij storm, wanneer de golven dreigen ons te verslinden. Steeds gewaakt, opdat ’t licht niet zal verduisteren. Haarlem. W. R. Bonbsnteuwö Uit GORINCHEM. Ineen vorig nummer van het vakblad kwam een stukje voor, waarin werd behandeld; dat georganiseerd zijn, we I uithaalt! hoewel de arbeiders in G. beweren van niet. Maar aan wien de schuld, dat de toestand zoo slecht is. Is dat niet de schuld van hen, die ons alleen laten staan, aan hen die altijd roepen: «’t haalt toch niets uitk Als allen, die roepen: ’t haalt toch niets uit! eens riepen: het moet uithalen, wij willen onze krachten toonen, wij, de voortbrenger > van de productie, willen zien dat onze arbeid beter beloond wordt; wij willen niet langer dat de patroon de vrucht plukt van onzen arbeid ! Of is dat niet waar arbeiders; deelt gij niet een klein beetje van die vrucht, onthoudt men u niet van uw welverdiend loon ?Of zijt gij er mede tevreden met hetgeen gij thans verdient? Zeg het dan maar, opdat ik u kan toeroepen; gij liegt! Altijd door staat gij te klagen, gij wilt het zelf bekennen dat gij te weinig verdient en toch ziet men u nooit een poging doen, om hetgeen u wordt onthouden, te verkrijgen. Velen uwer gaan, wanneer ge uw zuur verdiend loon hebt ontvangen, naar de kroeg, om dan het lichaam te verwaarloozen en de hersenen te benevelen, opdat ge dan, wanneer ge thuiskomt, niet kan zien dat het voor de vrouw een onmogelijkheid is het gezin te onderhouden. Is het niet zoo vrouwen, komt op tractementsdag uw man niet in abnormalen toestand naar hüis, of wanneer hij wat wijzer is en niet naar de kroeg loopt, zegt hij dan niet: hier is mijn geld en zie maar dat je er mede rondkomt, hetgeen voor de meesten uwer een onmogelijkheid is. Maar begrijpt gij dan ook niet vrouwen, dat uw mannen zich aaneen moeten sluiten, dat zij schouder aan schouder moeten staan, om hetgeen hun thans wordt onthouden te veroveren! Spoort gij uw mannen aan en roept hen toe; gaat naar hen die streven naar lotsverbetering en neemt plaats in hunne gelederen, opdat ik mijn kinderen hun behoeften kan geven, zoodat zij niet op jeugdige leeftijd in gebrek moeten worden opgevoed, waardoor hun hersenen worden gekrenkt en het later met dezelfde ideeën moet worden bezield als gij, die nu laf genoeg zijt om te roepen: het haalt toch niets uit! Gij, die óf dooreen bekrompen opvoeding, óf door den alkohol de noodige geestdrift zijt ontnomen, om u thans tegen uwe verdrukkers te verzetten! Geef nu eens een voorbeeld, me dunkt dat ge lang genoeg reeds zijt verdrukt. Ik weet wel, velen uwer sympathiseeren met one streven, maar gij ziet altijd neer op dat kleine cijfer hetwelk de organisatie aan leden telt, maar bedenk eens, dat wanneer gij, die met ons sympathiseert, deelneemt aan den strijd, ons cijfer verdubbeld kan worden. Ook gij lotgenooten, dien tamelijk goed bezoldigd wordt voor uwen arbeid, gij, die beweert dat wij niet inde goede richting streven, komt tot ons en wijst ons op hetgeen wat verkeerd is. Wij zijn niet zoo onhandelbaar als gij wel denkt! Gaarne willen wij leeren, alles doen, wat tot onze verbetering is, maar stil zitten, zooals gij, nooit! Wij zullen trachten ons aller positie te vebeteren, zoodat gij op later datum kunt profiteeren van hetgeen wij tot stand brengen. Hoe mooi nietwaar, dat gij later de vruchten zult plukken van onzen arbeid? Gij, die nu uwe laksheid toont, of komt het in je binnenste in opstand wanneer gij voor uw medemensch een verbetering tot stand brengt ? Als dat zoo is, dan bezit gij ook weinig menschlievendheid. En dat is ook zoo, want daar aan velen uwer veel mankeert. Gij ziet wel de splinter ineen anders oog, maar maar niet den balk bij u zelf! Voorheen betitelde men u met den naam van aristocraat en men had wel gelijk. Veel gelijkt gij op de bourgeoisie, want die is ook zoo vlug om ons te laten werken en zij er de vruchten van te plukken. Dat het niet veel uithaalt om schandaaltjes te publiceeren, is de waarheid, maar toch wil ik u even aantoonen, dat de vrucht van uw arbeid door de patroons wordt geplukt, hetgeen ik ook schandalig vind. Voor enkele weken terug ging de «Wel Ed. Heer (?) de

Vries-Robbé« naar Amerika om te genieten van veel schoons. Volgens mijn idee is dat onze schuld dat hij daar kwam, want wij hebben hem rijk gemaakt. Nu wil ik niet zeggen dat ik hem dat misgun, maar als wij zorgen dat hij van de heele wereld kan genieten, kon ook hij wel zorgen dal wij voldoende stoffelijke behoeften genoten ! Maar ter zake: genoemde heer komt terug en wat deuk je? de vlag op de fabriek, de Nederlandsche driekleur! zoo verheugd was men dat de patroon terugkwam. En werkelijk we konden verheugd zijn, want hij had de ondervinding opgedaan, dat men in Amerika beter werkte maar dat men er ook meer verdiende. Nu zou men denken een goed voorbeeld doet goed volgen, maar neen, niets daarvan. Alles moest wel op z’n Amerikaansch, vliegen moest het door de fabriek heen, maar niemand kreeg Amerikaansche centen!! Metaalbewerkers overweegt uw lot eens goed en dan zult gij zien dat ge van alles zijt buitengesloten. Sluit u aaneen, verzet u tegen de huidige stelsels en maakt u vrij!!! Een Metaalbewerker. "Uit VELSEN. Hier te Velsen heeft de aannemer M. f. van Hattem een werkplaats, genaamd Zijkanaal B. Het is den werkbaas v. Dijk gelukt, een voor een de bondsleden er uitte kegelen. Hoofdzakelijk doordat deze wat minder slaafsch zijn als hij verlangde. Bovendien is hij zelf niet bekwaam genoeg om baas te kunnen zijn getuige een schrijven van den heer M. j, van Hattem zelf aan het hoofdbestuur en gebeurde het veelvuldig dat de werklieden hem op verkeerde werkregelingen enz. attent maakten. Het spreekt dus duidelijk, dat deze werklieden in alle opzichten hem niet konden beschouwen, zooals dat inden regel het geval is met andere bazen. Dit verdroot v. Dijk zeer en hij luchtte zijn hart door ze geniepig er uitte kegelen. Hij zeide dan ook eens: het «roode zoodje« zit mij tot aan mijn strot. Hij meent dat alles wat georganiseerd is en dat laat blijken, behoort tot een «rood zoodje«. Dat is hem niet kwalijk te nemen, aangozien hij bij zijn Brabantsche polderjongensopvoeding niets bij geleerd heeft. Eenigen tijd geleden kregen een paar werklieden hun ontslag, gedeeltelijk wegens werkvermindering. (Dit nemen we nu maar aan; echter nam v. Hattem even voor dien tijd werklieden, geen rood zoodje, aan.) Door de afd. Velsen werd daarover vergaderd en ’t H. B. van in kennis gesteld. Het H. B. schreef aan den heer v. Hattem een brief om een onderhoud, meer om ook eenige misstanden aan te wijzen die voor de werkplaaats in zijn geheel belangrijk waren. De heer v. Hattem weigerde; hij was voldoende ingelicht en had geen derden noodig. Het gewone praatje dus. Wanneer zullen de Nederlandsche patroons eens gaan inzien, dat onderhandelen goed en noodig is? Wanneet zullen de vakgenooten inzien, dat de weigering der patroons zijn grond vindt in hun ongeorganiseerd zijn? Nog eeh schrijven werd aan den heer v. Hattem gericht, waarin er op werd gewezen, dat als hij meende voldoende ingelicht te zijn, hij wellicht ook niet wist dat vele fouten aan Zijkanaal B. nk t de schuld der werklieden was en ook van de hooge kosten van sommige werken. De heer v. Hattem antwoordde o. m. Ik ben van hooge prijzen voldoende op de hoogte. Ik behoef dienaangaande uwe inlichtingen niet. Ik vond het uiterst brutaal dat u zich daarmee durft inlaten. Baas van Dijk heeft daarbij getoond niet in alle opzichten op de hoogte te zijn van hem opgedragen werk. Nimmer heb ik daarvoor de werklieden in eenig opzicht verantwoordelijk gevonden. Bias v. Dijk heeft zich in mijn dienst geleidelijk ontwikkeld en bleek mij, dat ik hem den laatsten tijd enkele werkzaamheden had opgedragen, waarvoor hij niet geheel berekend was. Ik had hem in dezen eenigszins overschat en was ik het dus zelf die in hoofdzaak een fout maakte. Dit schrijven hadden we nu niet gepubliceerd, als de heer v. Hattem • ook zoo billijk had geoordeeld over werklieden. die niet tot de bekwaamsten behoorden. Wij schreven dan ook aan hem dat hij voor dat hij ons zulks van den baas schreef geheel anders oordeelde met een werkman, die hij heen zond onder motief «niet zoo goed bekwaam als de anderen«. Doch het was alweer die man was lid der afd. Velsen en dat was voor baas v. Dijk genoeg hem te blameeren. Wij zullen natuurlijk niet aandringen op anderen, die ook niet tot de bekwaamsten behooren, heen te zenden, maar willen er dan toch op wijzen, dat die niet georganiseerd, doch wel verklikkers zijn. Van Hattem schreef ons ook dat een werkman, L. genaamd. aanried niet het werk te doen vaneen ontslagen makker. Deze werkman moest bij den heer v. H. komen èn als hij nu bekende het niet zóó bedoeld te hebben óf berouw gevoelde óf dat hij het onwetend gedaan had, mocht hij blijven. Maar het kloek fiere antwoordwas; mijnheer ik heb daarvan geen berouw, ik deed zulks doelbewust. De heer v. H. ontsloeg dezen werkman, vader van 3 kinderen. De heer v. H. zeide tegen dienzelfden werkman, dat hij een anderen werkman, B. genaamd, laf vond, dat deze zijn belangen zelf niet bepleitte, doch dit liet doen door het hoofdbestuur. De moraliteit des heeren van Hattem is dus al zeer zonderling en toont overeenkomst met de uitwerking vaneen sterk vereerde van Schiedammervocht. Immers die eerste werkman L. is niet laf en moet daarom weg, omdat hij zeide wat hij meende en de andere, die evenmin laf was, is ook gepest en is ook weg. De lafheid van dien bedoelden werkman was van dien aard, dat we het noodzakelijk achtten dezen niet te laten gaan, uit vrees dat hij veel eerden moed zou hebben baas v. Dijk een pak rammel te geven, daar is v. Dijk zelf best van overtuigd, getuige dat hij niet naar de Beverwijksche kermis ging. Als diezelfde werkman den heef v. Hattem nog eens treft, en dat gebeurt wel, zal hij hem wel laten zien of hij laf is om hem inde oogen te zien. Hij zal zijn handen wel in zijn

74

Sluiten