Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De öktaalbew erker

ffimbllcaHe»orgaan van ben Hlgemeenen /l&etaalbewerftersbcmö, JSonö van /Kmcbtntsten en Stofters, Tkoper* en Blifcbewerfcersbonb In «eberlanb.

12e Jaargang.

i JANUARI 1905.

No. 1.

Vasthoudendheid en enthousiasme voor de propaganda der organisatie gewensc/jf in Jjei algemeen, en aan de leden in ij el bijzonder voor 1905. hoofdbestuur, Redactie eq JJdmiqistratie. *|og eens doen we een verzoek aan allen, die oude jaar* ’ gangen «Metaalbewerker* of enkele exemplaren in hun bezit hebben, die aan ons af te staan. De laatste jaargangen vanaf 1900 zijn in ons bezit. Het is van belang voor onzen bond om vanaf het eerste nummer minstens een exemplaar te hebben voor het archief. Portkosten enz. worden vergoed. Wie helpt pris? A' Redactie. I V ■ 'r ' ■ \ '■ ' Verantwoording Steun Glasblazers. van 11—25 December. Afd. Haarlem lijsten Nos. 65, 66 en 67 f 5.55. Afd. Dordrecht «Yooruit« lijsten Nos. 68 en 69 f 6.73. Afd. ’s Gravenhage lijst No. 70 f 13.35. Afd. Arnhem f 3.05. Afd. IJmuiden lijst No, 71 f 4.25. —Afd. Utrecht f 10 Afd. Apeldoorn f 3.— Verspreid lid de Vries, Hengelo f 8.25 Afd. Leeuwarden f 1.30 Afd. Amsterdam lijsten Nos. 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81 en 82 f 34.31% Afd. Krommenie li sten Nos. 83, 84, 85,86 en 87 f 10.60 Afd. Krommenie collecte f 9.40 Afd. Krommenie uit de kas f 15.— Afd. Delft lijst No. 88 f 8.52 Afd. Haarlem lijst No. 89 f 2.25 Afd. Arnhem f 3.20 Hoogezand lijst No. 90 f 6.39%. Totaal f 14516. Vorige opgaaf f 273.86%. Geheel Totaal f 419.02% De Bondspenningmeester. Het gaat goed zoo, toch kan het beter. Kr zijn nog afdeelingen, die omtrent dezen steun niets van zich laten hooren; hoe komt dat? Vooruit makkers! De zedelijke overwinning is reeds door deze arbeiders behaald, door hun waardig optreden. Laten wij nu ook vooral het onze doen, om hen ook de stoffelijke overwinning te doen behalen. Hoog de solidariteit! D. H. Aan ’t vereenigde proletariaat. Broeders, waar ge ook moogt wonen, Ver in ’t Zuid of diep in ’t Noord, Oost of West, —■ dezelfde toonen Vloeien zaam tot één akkoord; Slechts één gloed doortrilt de harten; Eéne zucht tuigt van de smarten: ’t Lijden dat ons zaam vereent. Krachten voor den kampstrijd leent. Broeders van den blauwen Donau, Broeders van den Duitschen Rijn, Broeders van het groene Erin! Eener zal de leuze zijn, Die er klinkt langs Pyreneeën En door d’echo over zeeën Hart en handen saam verbindt, Waar men proletariërs vindt Broeders van het oud’ Moscovie, Broeders van oud-Albiou, Broeders van het jong Italië! Ziet gij ’t wel? de vrijheidszon Verft de wolken, kleurt de kimmen Rood en rooder; langzaam glimmen D’eerste boden vaneen dag, Schooner dan nog ’t menschdom zag. Broeders van de Noorsche Stranden, Broeders van ’t herleefd Atheen, Galliël . . . Gallië . . . uwe offerhanden

' Plengt ge nu niet meer alleen. Leverde ook niet in ’t verre Westen ’t Bloed van d! edelsten en besten? ’t Golfgeklots van d’ Oceaan Kondigt ons verlossing aan. Broeders van d’ oude Zevenlanden; Kind’ren van den Amstelboord, Zonen van de Friesche stranden. Stemmen met U in Akkoord. Laat, ei laat in alle taien Ons den wapenkreet herhalen, Zelfs in ’t aanzicht van den dood: s «Voor den werkman Vrijheid, Brood!« Bij het Scheiden. Als ik deze letteren schrijf voor ’t blad is het jaar 1904 nagenoeg ten einde, en uit macht der gewoonte denk ik terug wat dit jaar ons bracht, We maken de balans en het batig saldo is: werkeloosheid, uitputting, ziekte, en lichaamsverminking. De ruggen hebben zich nog meer gekromd. Het besjeshuis-ideaal is dichter nabij. De gelijkheidsidee van den doodenakker is de eenige uitkomst. De indirecte govolgen van deze balansposten? Hulpbehoevende weezen, vrouwen, broers en zusters, vrienden en kennissen. We zijn een jaar ouders, een jaar vol van ontbering. Een jaar van ongelijken kamp, door de geringe deelname aan den georganiseerden strijd eenerzijds, harteloosheid der kapitalisten anderzijds. Tegenwerking, haat, laster, twist, tweedracht en moedeloosheid, staan als crediteuren in ons boek der organisatie. Misverstand, overdrijving, hol gekrijsch, het gonsde ons om de ooien. Hoe moeilijk is het voor dat kleine deel der metaalbewerkers om den rechten weg te houden, bij zooveel als is opgesomd. Arbeidscontract-valschaards in Protestantsch Christelijke (?) en geniepers in katholieke organisatie. En toch ... we zijn er, èn we blijven. We zoeten dat 1905 ons – in anderen vorm misschien – grootendeels hetzelfde zal brengen. Dat weten is onze kracht, is onze volharding. De doove berusting is onze vijand, dien we fel bestoken. Komt die doove berusting te ontwaken, haar ontwaken is als dat van iemand met een zeer slecht humeur. Echter larfgzaam wordt dat anders, evenals bij mooi zonnig weer, den slecht gehumeurde opwekt en blijdèr stemming geeft. Zóó ging het met enkelen in 1904, wien we nu als vrienden en kampioenen voor de organisatie de hand drukken. Zij hebben hun doove berusting beurtelings verwisseld voor slecht humeur, en thans tot opgewekte deelname aan de propaganda. Ze hebben de levenwèkkende zonnestralen der organisatie in volle teugen opgezogen, èn ze zijn strijders. Strijders naast die vele anderen, die reeds voor gingen. Zwaar, afmattend, vermoeiend, is ons werk, dikwijls zien wij geen vruchten, omdat wij niet ver genoeg en overal zien kunnen. Maar als ons zoo nu en dan eens een en ander ter oore komt, dan merken wij «daaruit, ddt het een gevolg is van vroeger door ons geleverden en vermeenden onvruchtbaren arbeid. Alleen volhouden, zal ons de zooeven genoemde dingen openbaren, en daarin ligt het geheim onzer kracht. Gaan wij dus voort op te wekken tot organisatie. Gaan wij voort de ongeorganiseerden te wijzen op hun verkeerde handelwijze om niets te doen. Hen, die ons verwijten, dat wij niet veel tot stand brachten. Vragen wij hun naar hun kemelsharen kleed.

Wijzen wij hun, op datgene wat de fabriek en werkplaats ons biedt. Vragen wij hun, waarom hun kinderen die reeds de fabriekspoort binnen gingen, er bleek en lusteloos uitzien ? Wijzen wij hun, dat die kinderen, ontwikkeld worden in tabakpruimen, jeneverdrinken enz. Vragen wij hun, wat zij er tegen doen, tegen die verdierlijking onzer vakgenooten. Wat doen zij om de onkunde tegen te gaan? Waarom toornen zij niet, wanneer zij zich zien opgelegd boete, loonsvermindering en ontslag. Waarom doen zij mede aan het geven van cadeaux aan patroons enz. Waarom huichelen en kruipen ze voor ploerten. Waarom komen zij niet op tegen de valsche moraal van beschaving, der kapitalisten. Waarom doen zij mee aan het gehuichel van „vrede op aarde” met hen, die ons niets brengen dan leed en vrijheidsberooving ? Waarom wenschen zij hun patroon „veel heil en zegen?” dien ze even te voren in stilte vervloekt hebben. Waarom veel heil en zegen aan de uitzuigers toegewenscht? Waaróm grijpt gij naar de drankflesch? Waarom, zeg, waarom gij onverschilligen doet gij dat alles en verwijt gij ons dat we niet veel doen. Gij huichelt als gij zegt dat organisatie niks geeft, want gij deedt niks en gij geeft niks. Gij zijt boos op ons, als wij u hardhandig aanpakken. Maar gij wilt immers niet anders. Met zacht zeggen hoort gij het niet. Daarom zullen we het hard doen en op een wijze, die ons het beste past en goed toe schijnt. Hopen we dat we in 1905 veel nieuwe strijders mogen winnen door ons werk en door de nieuwe vrienden die we in 1904 wonnen. Kunnen we wel eens bedroefd ter neer zitten, omdat ons groepje klein is, zoodra we weer zien, de gluiperige streken van bazen en anderen, de veerkracht wordt ons als met een electrische vonk teruggegeven. Zooo ok met het nieuwe jaar, als wij een blik achterwaarts en daarna voorwaarts doen. Bondgenooten, onze tijd staat in het teeken der organisatie. Drukken wij in naam van het recht elkaar de hand. Op de poorten van het nieuwjaar staat een jeugdig trompetter die ons inde poren toetert: Een nieuw jaar vol nieuwen strijd, Het voorspel vaneen beetren tijd. Elfehink. Kleine Klassen. Voor eenige dagen hebben we inde dagbladen een vrij uitvoerige discussie kunnen lezen, inden Amstérdamschen Raad gevoerd, over ’t al dan niet grooter of kleiner maken der klassen. Door den vakbond der onderwijzers werd toen getracht aan dit lichaam duidelijk te maken, welk groot belang er voor ’t onderwijs is, de klassen zoo klein mogelijk te doen zijn. ’t Heeft niet mogen baten: de klassen zijn niét kleiner, maar grooter geworden. Wanneer wij, arbei ders, alleen inzien, dat ’t wel ons belang is, dat ervoor gezorgd wordt, dan zullen wij ons bij de verkiezingen eens afvragen, wie we moeten stemmen. 1) ’t Is daarom dat we enkele regels wilden schrijven over het nut van kleine, ’t bezwaar van groote klassen. AVe hopen bij u een meer welkom oor te vinden voor onze onderwijsbelangen. We hebben helaas in ons geheele land te groote klassen, niet alleen in Amsterdam. Stel u eens even inde plaats van den onderwijzer, die te zorgen heeft voor ’t onderwijs en zooveel hij kan voor de opvoeding vaneen vijftagtal jongens en meisjes. Ook het laatste is dikwijls hard noodig voor ’t arme proletariërskiud, dat zijn opvoeding meest op straat geniet, omdat vader en moeder werken, of ineen krot, waarin van opvoeden geen

Sluiten