Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De OÖetaalbewerher

lpubllcatte=orgaan van öen Blgemeenen Metaalbewerfcersbonö, Bonb van Machinisten en Stofters, Iftoper* en Bllfibewerfeersbonb in ffïeöerlanö.

12e Jaargjwg. 25 FEBRUARI 1905. No. 5.

Steum bij wecfceloosbeib. Er is inde laatste nummers van den ~ Metaalbewerker1* nog al eens iets geschreven over steun bij werkeloosheid, namelijk om te steunen door middel vaneen werkeloozenkas te verbinden aan den bond. Dat men daarover schrijft nu reeds zal zeker zijn nut hebben, want zoo ik mij niet vergis, zal dat een punt worden op onze beschrijvingsbrief van overwegend belang. Omdat ik dus het nut inzie om vooraf die zaak deugdelijk te bespreken in ons vakblad, zet ook ik mij neder als lid van de afdeeling Haarlem, om mijn meening in die aangelegenheid te zeggen. Laat ik beginnen te zeggen, dat ik een tegenstander van dergelijke kassen ben. De redenen waarom zal ik naar mijn krachten in het volgende relaas zoo duidelijk het mij mogelijk is uiteenzetten. In nummer 23 jaargang 1904 schrijft Elferink een artikel; „Hooge contributie en ondersteuning11 en toont zich daarin ook voorstander van dergelijke kassen en wel, naar het mij voorkomt, om de volgende reden: de ongeorganiseerden te kunnen zeggen: zie, deze voordeelen kunt ge verkrijgen als je lid wordt van de organisatie. En dat is mijns inziens ook de eenig geldige reden die men daarvoor kan aanvoeren. Inde volgende zin zegt hij wel, dat die reden geen hoofdzaak is, maar om de werkeloozen te steunen bij, werkeloosheid; doch ik meen, dat is een druppel water werpen inde zee. En leden te krijgen door middel van hen directe vcordeelen voor oogen te stellen, is m.i. veel eer een gevaar dan een voordeel voor een vakorganisatie, omdat men de organisatie noodwendig de weg van het conservatisme opdrijft. Want nietwaar? zij die leden zijn geworden van de vakorganisatie om direct bij voorkomende gelegenheden te kunnen profiteeren, „en dat aantal zal niet weinig zijn“, zullen zeer waarschijnlijk trachten om in tijden als de organisatie actief moet optreden, wil zij ten minste ook toonen nog een strijdend lichaam te zijn, zich dus in gevaar moet begeven, zij zullen trachten zeg ik, haar tegen te houden, want dan ook loopen de voordeelen, waarvoor zij lid zijn geworden, gevaar. Naar mijn bescheiden meening is het veel beter de ongeorganiseerden fe wijzen op het gevaar dat op ’t oogenblik nog is verbonden aan het lid zijn vaneen vakorganisatie, die strijd wil voeren tegen de bestaande misstanden en wanverhoudingen op fabrieken en werkplaatsen. Op de vergaderingen waar propaganda wordt gemaakt voor de vakorganisatie, dient te worden gewezen op den zedelijken plicht inde eerste plaats van ieder werkman om mee te helpen den strijd te voeren, opdat degenen die na hem komen niet in dezelfde wanverhoudingen worden geplaatst, waann hij zelf zich bevindt. Elferink is in dat stuk de meening toegedaan, dat dezulken, die dan lid zouden worden door de kassen, mochten zij een beletsel zijn tot actief optreden, dit meer nog zullen zijn indien zij buiten de organisatie staan. Ik meen daarentegen van niet, omdat zoolang zij er buiten staan zij geen directe invloed kunnen uitoefenen op de werkzaamheden; zijn zij er in, dan wel. In no. 3 jaargang 1905 doet W. v. W. zich kennen -als tegenstander der werkeloozenkassen, in zooverre dus ben ik het met hem eens. Minder ga ik met hem mee als hij de vakgenooten toeroept: aanvaardt de socialistische beginselen. Zeker, ook ik zou willen, dat al onze vakgenooten die beginselen wilde aanvaarden, uithoofde ik zelf meen socialist te zijn. Maar dat inde vakvereeniging te werpen lijkt mij minder wenschelijk, daar er zeer zeker ook nog flinke kerels worden gevonden onder de niet-socialisten, die als het er op aan komt flink voor hun rechten weten op te komen. In no. 4 1905 komen onze vakgenooten Wansink en R. tegen het schrijven van W. v. W. op; ook zij meenen det werkeloozenkassen nuttig zullen zijn. Wansink meent dat een ieder, die het schrijven van W. v. W. leest en goed nadenkt, het nut van dergelijke kassen zal inzien. Maar W. zal mij, hoop ik, gelooven als ik zeg, „dat ook wij tegenstanders wel degelijk de ellende zien en gevoelen, door de werkeloosheid tewvveeggebracht, maaar ik meen dat wij nog voor geen 10000ste deel die ellende door werkeloozenkassen kunnen lenigen en dat onze vakvereeniging er als strijdlichaam onder zal lijden. \ Maar waarom willen de voorstanders der kassen dat zaakje juist door de vakorganisatie laten opknappen? Zou het, indien men voorstander is, niet veel eer

aanbeveling verdienen, die kassen buiten de vakvereeniging op te richten? En dan niet voor een vak, maar voor meerdere, want er zijn van die vakken die,- om zoo maarte zeggen, aan chronische werkeloosheid lijden, dat verheft meteen het solidariteitsgevoel. Maar, en dat is wel eigenaardig, dan ben ik stellig overtuigd, dat er proportioneel weinig metaalbewerkers zich zouden aansluiten en wel om de heel gewone reden, dat werkeloosheid bij de metaalbewerkers lang niet in die mate voorkomt, als b.v. bij schilders, metselaars, timmerlieden enz. En alhoewel ik het vertrouwen inde menschheid nog lang niet heb verloren, weet ik toch maar al te goed uit eigen omgeving, dat juist die lieden die altijd roepen: wat krijg ik er voor als ik mij aansluit, dat juist zij er een verduiveld kijkje op hebben, als zij wat veel voor anderen moeten opbrengen. En ten slotte een voorbeeld. Engeland heeft machtige vakvereenigingen met goed geadministreerde ondersteuningskassen, en alhoewel ik niet zeggen wil, dat de ellende ginds geleden erger is dan hier, zoo is het toch een feit van zeker ook niet mmder. En een schat van geld zal er bij goede doorvoering van kassen aan administratiekosten moeten worden opgeofferd, die, naar ik meen, beter voor onze propaganda kan worden gebruikt. ? Propaganda, kameraden! Propaganda, om onze vakgenooten tot zelfbewuste menschen te maken, die zich bij ons aansluiten om ten slotte met vereende krachten aan het patronaat te ontwringen: dat zij onze rechten op het leven daad werke! ijl: erkent, dan is het uit met de werkeloosheid. Zoo meen ik moeten wij strijdvoeren tegen verdierlijking van de massa metaalbewerkers, die nog verre van ons staan. Niet door ze op directe voordeelen van de organisatie te wijzen, maar door ze te wijzen op het hooge voorrecht, strijd te kunnen voeren tot opheffing van hun kameraden uit stoffelijken en moreelen druk, door inde vakorganisatie te komen en mee den strijd aan te binden tegen willekeur en slaafsche kruiperigheid! Haarlem. D. H. Vriend D. H. spreekt, de eenige reden is, te kunnen zeggen: dat krijg je als je lid wordt van de organisatie. Ofschoon ik in mijn artikel meer redenen genoemd heb, meen ik dat deze door D. H genoemde reden een groote en zeer belangrijke is. Immers men kan daardoor praktisch laten zien wat organisatie vermag en D. H. weet evengoed als ik, dat praktisch werken het wint van het theoretiseeren. Ik beveel mijn artikel in no. 23 1904 nogmaals ter lezing aan. Het is een druppel water werpen in zee, zegt D. H. Goed, zeg ik, het is tenminste iets, een druppel, en D. H. laat ik u even opmerken, het is dan tusschen ons een gradueel verschil, ik verwacht er iets meer van dan u. Overigens zeg ik met R., die in ons vorig nummer schreef, hoe staat het dan met het werken voor loonsverhooging. Is een cent per uur meer wel veel meer dan een druppel inde zee? Kweekt ook dat dan geen conservatisme? Actief optreden zullen de leden, die louter om de ondersteuning gekomen zijn, beletten Hier vertrouw ik op onze krachten en ’k voeg er aan toe: wij hebben tot dusverre steeds aan de spits gestaan, men heeft naar ons gekeken, geluisterd en gevolgd ook. Nog een vraag. Is D. H. voor zich bang, dat hij door werkeloozenondersteuning minder strijdbaar zou worden? Ik geloof dat D. H. zeggen zal „neen". Een tegenovergesteld antwoord zou je ten minste doen wanhopen aan de menschen. Maar als D. H. nu niet ophoudt te strijden, ondanks die werkeloozenondersteuning, zal zijn voorbeeld gevolgd worden en dat is het wat ik er mij van voorstel Actief optreden? Ja, wanneer kan dat? Als je afdee • lingen hebt met 100 leden ineen plaats waar 3000 metaalbewerkers zijn, is dat ook zeer beperkt en hebben toch zeker de ongeorganiseerden veel invloed omtrent het optreden der georganiseerden. Wij zeggen toch steeds: het is uw schuld, ongeorganiseerden, dat wij niet datgene kunnen doen wat wij zoo gaarne willen. Als wij maar tot de groote massa kunnen spreken, zal dat van gedurig wassenden invloed zijn. D. H. vraagt; Waarom willen de voorstanders de kassen aan de bonden verbinden en niet daar buiten algemeene ondersteuningskassen stichten. Ik antwoord hem, dat juist door het aan den bond te verbinden het voordeelig werkt voor de strijdbaarheid der leden, terwijl

het gewoon bij een ondersteuningsfonds het karakter heeft van datgene waar D, H. zoo bang voor is, dat het verkrijgen zal als het aan den bond verbonden wordt, n 1. geen strijdbare mannen. Neen het moet zoo ingekleed worden, dat het lid contributie betaalt, en van die contributie wordt alles bestreden, zooals onkosten, propaganda, reiskas en werkloozenkas. Het een met het ander verbinden. Nu nog Engeland. D. H. neemt de totaalsom der ellende van Engeland en vergelijkt die met de ellende hier . . . maar hoe kan D. H. de vakvereenigingen in Engeland in het geheel aansprakelijk stellen voor de ellende ? Ik vraag is de ellende onder de georganiseerden in Engeland minder, grooter of gelijk met hier? Cijfers staan mij daaromtrent niet ten dienste. Wèl weet ik dat er groote sommen aan ondersteuning worden uitgekeerd en wij hier zitten met niets, tot groot leed en ongerief van ons allen. Ik wil met dit onderschrift niet den schijn op mij laden, alsof ik de vakgenooten niet zou wijzen op het ernstige van den strijd die zij hebben te voeren, en ik doe naar mijn beste weten mee de propaganda te bevorderen. Ik onderschrijf geheel het slot van D. H. Elferink. De Nederl. fabriek van werktuigen en spooopwegmaterieel. Een stukje geschiedenis. Bijdrage tot kennis hoe deze fabriek te Amsterdam werklieden, welke haar niet aan staan, weet te weren. Goeden dag mijnheer, mag ik u iets vragen? U zult al wel vernomen hebben dat ik zonder werk kom, en daar ik vernomen heb, dat gij een plaats open hebt, zoo kwam ik vragen of ik deze zou mogen innemen? Ja, ik heb het gehoord, doch ik heb het al gezegd, plaats heb ik wel, maar werk niet, wij hebben wel in ’t zicht, doch dat loopt niet over die schijf. Jawel, mijnheer, als dit zoo is, zet u mij dan aan dit werk, totdat mijn gewone werk weer voldoende voorhanden is. U weet, ik ben daar ook in thuis. Ja, hoe staat het daar mee? Kan ik daar op rekenen, dat dit nog al gaat. Dal zal u toch wel weten, mijnheer, dat toen ik de vorige maal bij u kwam werken, van dit werk af kwam. Jawel, maar r r r r r r, als ik je weer aan ’t werk zette, dan zou het toch op die voorwaarde gaan, dat je je houding veranderde, want die stond mij niets aan, je was altijd nukkerig en nijdig, en ik wil dit niet, daar lijdt het werk onder. Jawel mijnheer, daar was wel eens reden voor om leelijk te kijken en die reden was in hoofdzaak de onrechtvaardigheid die je ondervind, zoowel van den een als van den ander en dan: heeft toch nooit mijn werk er onder geleden, want was dit zoo, zou ik nu niet komen vragen. Dit zeg ik ook niet, doch wat je hebt met anderen, daar mag het werk in geen geval onder lijden. Kom overeen paar dagen eens hooren, dan zal ik er over spreken en je besluit geven. Goed, mijnheer, dan kom ik terug dien t'jd. * ♦ * Daar ik wist als bekwaam werkman te kunnen steunen op het feit, dat deze chef gaarne bekwame werklieden in dienst heeft, ook al moet hij die betalen, begreep ik dat de chef mij wel wilde, doch bang was voor de directie en er daarom eerst over spreken moest, voor hij mij aannam, iets wat bij onbekende werklieden niet plaats vindt, en: ik was bekend bij de directie, al was het maar door de algemeene werkstaking, welke ik gedurende mijn bijna vijfjarigen werktijd heb medegemaakt, om van andere zaken niet te spreken. * * * Een paar dagen later aan de fabriek gekomen en den chef te spreken gevraagd hebbende, deelde deze mij mede, dat men het met mij zoude probeeren, ik moest mij maar laten keuren door den docter van het ziekenfonds der fabriek. Verheugd zijnde werk gevonden te hebben voor vrouw 1 en vijf jonge kinderen en in het bewustzijn verkeerende, dat mijn lichaam sinds die 6 jaar dat ik gekeurd was geeherlei verandering had ondergaan, begaf ik mij naar den docter. De docter keurde mij en, wat mij opviel, nog al streng daar ik mij geheel ontkleeden moest en had geenerlei aanmerkingen gemaakt, dan op mijn linkeroog, daar ik de stukjes welke ik lezen moest met dit oog niet lezen kon. Er had in dien tusschentijd nog een gesprek plaats over de fabriek en deelde hem mede hoe lang ik er gewerkt had : en dat ik de vorige maal door docter’s zoon gekeurd was 1 geworden en hem zelf. I Daar de docter niet zegt of gij goed dan wel afgekeurd : zijt, doch de keuringsbrief dit vermeldt, begaf ik mij naar l de fabriek om den keuringsbrief te brengen en het resultaat

Sluiten