Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE METAALBEWERKER.

over het algemeen nog meer Godswater over Godsakker zullen laten loopen en denken: ik ben lid vaneen vakvereeniging met ondersteuningskas, dus geen nood, en zij zullen minder de wezenlijke oorzaken der werkeloosheid trachten te begrijpen Wansink wil het ook wel aanvaarden als lokmiddel en vergelijkt dat dan bij zang en muziek, dat als lokmiddel wordt gebruikt bij openbare vergaderingen. Men kan toch zang en muziek als lokmiddel niet gaan vergelijken bij ondersteuning? Wansink citeert veel uit Webb’s boek en het spijt mij tot heden toe geen gelegenheid te hebben gehad dat werk ook te lezen. Laat ons even stil staan bij het zde citaat: de ondersteuningskassen zijn een groote aaneenhechtende macht gewéest, dus het directe eigenbelang staat hier op de voorgrond, en dat vind ik niet goed. De vakvereeniging zelf moet als zoodanig, zonder meer, die aaneenhechtende macht kunnen zijn. En laat ons heusch niet bang zijn dat de tegenwoordige patroons het ondersteuning wezen onwettig en gevaarlijk zullen noemen, ik geloof eer het tegendeel. Citaat j. Daarin wil men het surplus (overmaat, als ik het wel heb), verminderen door ondersteuning. Hoe dat gaan moet begrijp ik niet, want dan zou men steeds moeten blijven ondersteunen, daar met het tegenwoordig productiesysteem dat surplus steeds grooter wordt, of men zou een leerling-regeling in moeten voeren, zooals de A. N. D. B. heeft gehad, en die is m.i. aan gegronde bedenking onderhevig. En ten slotje, Wansink vraagt hoe wij onze positie kunnen verbeteren als 1/3 of de helft onzer vakgenooten op straat zou staan. Als het zoover is gekomen, dan zal de andere J/3 of */ï ook niet meer in staat zijn hun makkeis te steunen door kassen, maar zullen er, daar ben ik vast van overtuigd, andere middelen moeten worden gebruikt. D. H. We sluiten hiermede de discussie’s. Alleen W. v. W. kan nog van antwoord dienen, omdat hij nog al wat critiek kreeg. Verder zullen we op het congres wel verder praten. Laten allen de artikelen, die er over geschreven zijn, naast elkaar leggen en daarmede gewapend naar het congres gaan en eens vernemen wat de commissie van onderzoek ons te vertellen heeft. Redactie. Geen Hoofdbesturen meer noodig. Op de Jaarvergadering van den Opperliedenbond zal dat besproken worden, evenals op ons Congres. In «Recht voor Allen« van Zaterdag 11 Maart lazen wij een artikeltje over bovengenoemd onderwerp. Wanneer wij zoo iets lezen, dan rijst bij ons ons onwillekeurig de vraag, is het al zoover met de vakorganisatie gekomen ? Gelukkig verschijnsel! Maar bij eenig nadenken komt men tot de treurige ervaring dat dit niet zoo is. Wanneer wij onze blikken eens rondom ons laten gaan en slaan de massa gade, die nog ver buiten ons staat, zelfs in plaatsen waar wij meenen als socialisten vasten voet te hebben, dan zal men mij moeten toegeven dat het nog treurig gesteld is. Ook in Deventer is dat het geval, alhoewel ik toegeef, dat wanneer er in Deventer iets gebeuren moge men het misschien wel af zou kunnen buiten een H.B. Maar er is nog meer, als men eens nagaat inden Achterhoek. wat valt daar niet te doen, spreek daar over organisatie, dan moet men het deze menschen van A tot Z voorzeggen en dan nog steeds in voortdurende correspondentie met hen blijven, wil men iets behouden, wat dan nóg dikwijls mislukt. Zoo is het niet alleen met den Achterhoek, maar ook met verschillende andere deelen des lands. Doch helaas niet alleen inde zoogenaamde duistere hoeken maar ook in de (verlichte) bijvoorbeeld zooals Deventer. Neem daar eens weg een Kolthek en anderen (en die anderen zijn er zooveel niet) wat blijft er dan over voor zelfbewusten die de kracht en energie bezitten om als agitator op te treden? Niet veel dat zal men toch zeker met mij eens zijn. Welnu, wanneer wij deze omstandigheden nagaan, wanneer er nog zoo weinig gevonden worden die op eigen beenen kunnen staan, afgezien van de massadie in het geheel nog geen begrip van organisatie hebben is het volgens mijn inziens nog ondoenlijk om een dergelijk standpunt voor te staan. De ondervinding althans heeft mij geleerd dat het nog tot de onmogelijkheden behoort de H.B. af te schaffen. Het is ondoenlijk om hier de bewijzen aan te voeren die wij daarvoor kunnen aanvoeren, mij dunkt het beste is nu wij per toeval toch een notulenboek vol hebben dit aan de afd die er belang in stellen op te sturen, opdat zij een goed overzicht kunnen krijgen van hetgeen door het H.B. gedaan is en gedaan wordt. Het doel van de vakorganisatie moet naast al hel andere toch ook zijn, de onbewuste massa te organiseeren en praat hun dan voor uw beginsel? Men verstaat er niets van. Maar wanneer men begint om van A af b.v. loonsverhooging, verkorting van arbeidstijd enz., dan is het aan ons dat de vakorganisatie een leerschool zij. Wanneer wij dus dit nagaan dan acht ik het voor onmogelijk een H.B. af te schaffen. Wij zijn nu met ons zessen, en

FEUILLETON.

Bevoorrecht. (vervolg.) «Ja Peter als overtuigd sociaal-democraat wilde ik gaarne dien dag vieren, maar, had hij gezegd, dat ik werken zoude ik had er dan niet verder op aangedrongen.« Met een «wij zullen zien hoe ’t afloopt« namen zij bij Peters woning afscheid. Met het gemoed vol steeg de laatste de trap zijner woning op, zette zich oudergewoonte wanneer er iets bijzonders gebeurd was voor het venster en verviel in diep gepeins. Wat was het toch wat hem den laatsten tijd zoo geheel anders deed denken als voorheen, was het dan waar, helde hij over naar het rooie tuig, zooals Niebels zeide, of was het Jean die hem onwillekeurig andere gedachten in zijn brein deed postvatten? Het was waar, Jean was georganiseerd, doch hoe geheel anders was hij als de anderen op de werkplaats, nimmer drong hij hem zijne gedachten op en toch kon hij zoo in vuur geraken als hij over arbeiderstoestanden sprak, doch de belangelooze vriendschap waarmede Jean hem bejegende, had hem ongemerkt medegevoerd en bracht hem er toe toch over de woorden na te denken welke met zooveel oprechtheid tot hem gericht werden. Het einde van zijn overpeinzing was echter als altijd, de zelfzucht en trots vierde den boventoon, zijn lot behoefde toch niet verbeterd te worden, hij had het toch niet aan zijn medearbeiders te danken dat hij de grootste voorrechten genoot, en immer hield deze gedachte de overwinning en begaf zich dan over dit punt voldaan ter ruste. Den volgenden dag was hij al buitengewoon stil en teruggetrokken, geen blik sloeg hij van zijn werk pp, terwijl de anderen vol spanning wachtten op de dingen die komen zou-

bet gebeurt dikwijls dat wij allen er op uit zijn, dit komt nu niet omdat de afdeelingen niet actief genoeg zijn, maar alleen de onbekendheid inde beweging, vooral op plaatsen waar wij geen afd. hebben. Nu moet men mij maar eens verklaren hoe dit werk anders gedaan moet worden. Men zal mij toevoegen, diegenen uit de omliggende plaatsen. Ook de ondervinding heeft mij geleerd, dat zóó er menschen te‘vinden zijn zij het altijd te druk hebben om iets anders te doen. Nu schrijft Kolthek als antwoord onder dit stukje ondermeer dat hij het er mede eens is nog het volgende over onzne bond: «Nog de vorige week verdedigden wij eenzelfde standpunt «van de Metaalbewerkersvereeniging van Deventer ten op«zichte van den Metaalbewerkersbond. Die bond is zoo on«beduidend, dat het onderhouden vaneen Hoofdbestuur en «een gesalarieerd beambte, alle finantien van de afd. noodig «voor het voeren van propaganda, opslorpt. Werd de Me«taalbewerkersbond vanuit Duitschland niet gevoerd met «geld, dan zou het H.B. zoo goed als geen propaganda kun«nen maken. «En zoo staat het met vele bonden. «Welnu in al die gevallen moet eerst getracht worden om «een bres te schieten inde dommelende massa inde ver«schillende plaatsen, voor men er toe mag overgaan om «dure H.B. te gaan instellen. «Doch in beginsel zijn wij voorstander van Hoofdbesturen «met een beperkte volmacht en mandaat.« Tot zoover Kolthek. Die bond is zoo onbeduidend, zegt Kolthek. Zeker, deze bond zal nóg onbeduidender worden wanneer er meer zoo optreden als Kolthek. Maar het ware eerlijk van Kolthek als hij de metaalbewerkers ook aanraadde om zich van de Deventer B. B. af te scheiden, want ben ik goed ingelicht, vordert geen B. B. zulke groote financieele bijdragen als juist de Deventersche. De afd. zou dan ook deze financiën ten eigen bate kunnen besteden, die nu door den B. B. worden opgeslorpt. Nu zal men mij toevoegen, dat is voor de plaaatselijke propaganda, maar dan antwoord ik; het is dus noodig dat men de plaatselijke propaganda bevordert al is het niet in uw eigen vak, dan is het zeer zeker noodig dat men ook de propaganda helpt dragen over het geheele land in eigen vak om redenen welke hierboven uiteengezet zijn. Een gesalarieerde? •) Zou Kolthek mij kunnen uitleggen hoe het werk gedaan te krijgen als men een H.B. vormt uit leden die allen werkzaam zijn op fabrieken. Ik raad Kolthek, evenals hierboven, het notulenboek op te vragen, dan kan hij een overzicht nemen van wat er te doen is. Een klein bewijs, behalve dat onze gesalarieerde er geregeld op uit is, moeten wij en andere leden onze vrije Zondagen en avonden er voor opofferen om hier en daar naar toe te gaan waar onze hulp gevraagd wordt. En dit gaat geheel belangeloos. En dan nog, hoe verklaart Kolthek zijn positie inde arbeidersbeweging, als hij uitspreken gaat, moet hij toch ook betaald worden. Een blad uitgeveh moet toch ook betaald worden, kortom uwe geheele positie is precies als een gesalarieerde. 2) En dan acht ik het toch wenschelijker dat wij iemand hebben die met de toestanden van het vak speciaal op de hoogte is. Werd onze bond niet gevoerd met geld uit Duitschland hij zou zoo goed als geen propaganda kunnen voeren. s) Neen Kolthek, het is niet waar, onze bond is niet gesteund uit Duitschland, maar van den Internationalen Bond van Metaalbewerkers zijn wij gesteund sop een manier die elke kritiek kan doorstaan, (dit zou ook goed zijn als Kolthek dit eens onderzocht) wat in vele gevallen niet het geval is, dat weet Kolthek ook. 4). Maar trots dezen steun zouden wij tot dusverre dezelfde propaganda kunnen 'maken met onze eigen middelen. Er moet eerst bres geschoten worden inde dommelende vakgenooten inde verschillende plaatsen voor men er toe over mag gaan om dure H.B. te gaan instellen, zegt K. Dat is het juist waarom een H.B, duur wordt, 5) omdat in verschillende plaatsen de massa nog slaapt en er geen practischer werk gevonden kan worden deze wakker te maken. Daarvoor is noodig een vast correspondentie-adres, waar men zich . kan aanmelden om hulp, zoo noodig een gesalarieerde en propagandist om er op uitte trekken, en ook is deze zijn werk om daar waar hij niet geroepen wordt zich zien in te dringen om hen wakker te maken. Dit nu kan niet gebeuren door menschen die hun eigen werk op fabrieken hebben, zij zouden al heel spoedig slachtoffer worden en daarom alweer iemand die vrij 6) staat daaromtrent. Nog kort geleden kwamen wij in correspondentie met iemand uit het donkere zuiden, deze vroeg ons een stukje te plaatsen in ons blad over de fabriek waar hij werkte, daar heerscht een ware Russische toestand, het gevolg is, de man ontslagen; dit nu maar is een klein geval en zoo zijn er meerdere. Ook om dergelijke gevallen en om de dommelende massa te helpen ontwaken hebben wij een gesalarieerde noodig. Nu is het dus niet alleen de plicht om enkel de plaatselijke propaganda te voeren, maar ook de landelijke, wijl deze in nauw verband staan met elkander. Daartoe bij te dragen is ieders plicht en daarom u allen aangesloten bij

den, en richtten dan eens hun blikken naar Peter en dan weer naar de kantoordeur of Niebels nog niet verscheen. Deze liet dan ook niet lang op zich wachten, zonder groet trad hij de werkplaats in, het gelaat nog trotscher dan anders en beval Peter mede in ’t kantoor te gaan. Toen de deur achter hen gesloten was, begon Niebels met een gelegenheidsgezicht: «Graen,« anders zeide hij altijd Peter, «het is de eerste maal zoolang gij in mijn dienst zijt, dat gij op zoo een wijze tegen mij optradt, wat is de rede daar toch wel van, wilt gij u dan ook al rangschikken onder hen welke zich bij het minste of geringste tegen hun patroon verzetten ?« «Och,« sprak Peter, «ik voor mij wensch dien eersten Mei niet te vieren, doch wat ik gisteren tot u zeide was niet meer dan een staaltje van mijn vriendenplicht. c «Wat, vriendenplicht!« riep Niebels toornend uit, «hoe kan het een vriendenplicht zijn zichzelve dooreen onzinnige drijfveer broodeloos te maken. Begrijpt ge dan niet, dat het die zoogenaamde agitatoren der nieuwe richting te doen is om wanorde en verdeeldheid in mijn werkplaats te stichten? Sta ik dan niet in mijn recht de aanleggers daarvan niet in mijn huis te dulden ?« «Maar heer Niebels, men dwingt u toch niet dien dag vrijaf te geven, het was toch slechts een vraag.« «Och wat I heden een vraag, morgen een eisch, overmorgen dwang.« Peter zweeg, hij was er niet in geoefend met zijn meester op dat terrein van gedachten te wisselen. Nu, hoe is ’t, blijf je bij je voornemen, als ik Frost den dienst opzeg ook te vertrekken ?« «Ik kan niet anders,« was het korte antwoord. Woedend draaide Niebels zich op zijn zetel, een strijd voerende tusschen haat tegen den onwillige, en egoisme, want ging Peter dan verloor hij zijn rechterhand. Een wijle heerschte er stilte, welke Peter eindeloos toescheen, niet ge-

uwen vakbond, opdat wij onze propaganda zoo ruim mogelijk kunnen voeren en dat men niet meer kan zeggen dat onze bond zoo onbeduidend is, wat wel op losse grond gezegd is. Op voor de vakorganisatie. zoowel landelijk als plaatselijk l . Haarlem. M. Roelofs, voorz. H.B. •) Ik heb van m;jn kant tot op heden het zwijgen bewaard, ofschoon ik sinds lang gevoeld heb het wroeten van Kolthek. Het zwijgen heeft er toe bijgedragen dat Kolthek steeds verder en verder ging om toch vooral ons op de vlakte te krijgen. Wij hebben altijd gevoeld, dat door het gezag van Kolthek in Deventer inden B. B. de metaalbewerkers zich afscheidden, al waren dan ook de financiën de hoofdmotieven. Hoe verklaart Kolthek dan de poging van de Deventersche metaalbewerkers om aan te sluiten bij het N. A. S. ? Dat N. A. S. heeft twee schrik niet Kolhek— gesalarieerden. Datzelfde N. A. S. is ook wel gevoerd met centen uit ’t buitenland, van lichamen die niet onti-kassengezind zijn, precies als hier, sommige solidaire kasmannen de centen van de humbug en kapitaal berustende diamantbewerkers aanvaarden. Kolthek moet eens nagaan of het N. A, S. wel beduidend genoeg is voor twee betaalde bestuurders. Het N. A. S. heeft immers uwe hooge goedkeuring ? 'l') Ik kan hier nog wel even bijvoegen, dat de opbrengst der colportage van sommige colporteurs (misschien van allen) vloeit inde kas van R. v. A., wat precies hezelfde is, als den zak van Kolthek. Ook wel eens een extra bijdrage van kameraden. *) Kolthek schijnt al bizonder goed te weten, wat wij doen voor de propaganda. Laat ik Kolthek de geruststelling geven dat er veel is gedaan. Maar onze bond moet verdacht gemaakt worden, hij is niet anarchistisch. Maar K. vergeet, dat hij hiermede zijn beide partijgenooten in ’t H. B. een trap geeft, om van de anderen maar niet te spreken. Het is een gemeene beschuldiging, waartegen ik protesteer. 4) Ja K., als ’t H. B. en in ’t bizonder de gesalarieerde er niet geweest waren, was dat geld er niet gekomen. s) K. spreekt van «dure hoofdbesturen«, dat is meervoud. Ik durf Kolthek onzen staat van onkomsten laten zien. Hij zou vreemd opzien, en het is voor mij een open vraag of K., zelf op reis zijnde, het met minder doet. Maar onder dat meervoud komt K. zoo eventjes ons er bij halen, want als ’t maar even kan, dan moet onze bond uiteengerukt worden. Met de boedelscheiding wil K. zich zeker wel belasten. Voor de moeite valt allicht een brokje in uw hand. Maar K. kan er van verzekerd zijn, dat dan onze bond blijft bestaan en ik zal vanaf heden, meer dan voorheen, opkomen tegen uwe scheeve voorstellingen. 6) lemand die vrij (?) staat. Ja, vrij van patroons. Maar aan de vrijheid die ik ondervonden heb van K. en enkele anderen meer, ze ruikt naar moderne ketterij. Doe je niet zoo K. het meent, dan wordt ge inden Kolthekiaansche ban gedaan, want K. die is er maar direct bij om je verdacht te maken. Toen ik indertijd schreef over mijn standpunt, over het anti-militairisme, deelde Kolthek mij in bij generaal Van Heutz. Onzen ijverigen bondgenoot Wansink te Deventer heeft hij gewoon beschuldigd zonder een enkel bewijs, dat ging in combinatie met leden der metaalbewerkersvereeniging. Met de kwestie Ammerlaan, toen wist (?) K. den naam van den schrijver niet meer (Sic) maar van onze inwendige organisatie is K. precies op de hoogte. Hij bedeelt ons in R. v. A. lang niet overeenkomende met «recht voor allen«. Zoo is er wel meer nog te zeggen. Nu zullen we wel in R. v. A. op dit schrijven heel «kameraadschappelijk worden terechtgewezen en we wijzen er al bij voorbaat op, hat het wel heeten zal dat feitelijk zoo’n betaald bestuurder doet wat hij wil. We willen er nu al reeds op wijzen, dat we ons genoodzaakt zagen dit te schrijven, want deden we dat niet, «dan durf je niet om je broodje«, of je hebt geen beginsel. Koltheks positie is veel gemakkelijker, verantwoording is hij aan niemand verschuldigd. Hij is «vrij« te doen wat hij wil. Maar een betaald functionaris, wel neen, die mag dat niet, «dat is baas spelen«. «Gezag uitoefenen*, dat kweekt naloopers, enz. Lezers, het is nooit goed. We hebben nu eens gesproken en kunnen wel weer eens wachten tot later. We zullen ons van Kolthek weer laten beschoolmeesteren, iets waar hij zelf geen trek in heeft. ‘ Elferink.

£en rate ïnefc MET EEN ERNSTIG WOORD VAN EEN NEEPJES-MDTS MENSCH. Toen ik Zaterdagmiddag ons vakblad had ontvangen en ik bezig was het stuk te lezen van W. v. W., begon ik opeens woon in zulk spanning tegenover zijn heer te staan. Het egoisme hield echter bij Niebels de overhand. «Och voor mijn part ook, wie morgen wil vieren, werkt dan maar niet, ga!” zich daarbij bedenkende hoe hij zich zoude wreken voor den aangedanen hoon. «Ik dank,« zei Peter. «’k Blief geen dank daarvoor!« brulde hij Peter na. Inde werkplaats teruggekeerd bracht Peter de reeds wachtenden den wil van den patroon over en liet zich verder met het conjlict niet meer in. Enkelen onderhielden zich over deze gebeurtenis, doch Niebels veerscheen weer plotseling in de werkplaats, uitroepende : «Moeten er ook nog kletspraatjes gehouden worden ?« en liep den geheelen voor- en namiddag inde werkplaats rond, bevreesd dat door zijn afwezigheid zich de besmettelijke ziekte nog meer zou verspreiden. Des avonds stapte Peter en Jean tezamen huiswaarts, hoofdschuddend door de anderen nagezien, zoo’n rare snuiter als die Peter toch was, hadden zij nog niet bijgewoond, zij hadden dat toch achter dien «slillen« niet gezocht. Na eenige minuten schudde Jean zijn vriend uit zijn mijmering wakker en vroeg: «Dus jij werkt morgen Peter ?« doch tot zijn verbazing luidde het: «Neen, ik werk morgen niet.« «En wat wil je morgen doen?« «Hm, wandelen.« «Nu dan ga ik mee, maar om twee uur ga ik ter vergadering, er komt een goede spreker.« En bij deze woorden zag hij Peter tersluiks aan welke uitwerking zij hadden. Peter fronste het voorhoofd. «Dan zal ik intusschen eten,« gaf hij ten antwoord. «Dus je hebt geen hut om eens mede te gaan?« «’k Geloof niet mij daar zoo bijster te amuseeren.« «Daarvoor moet je er ook niet heengaan, je moet er heengaan om te vernemen wat je medearbeiders willen.« Slot volgt.

26

Sluiten