is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1937, no 5, 30-10-1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AMERIKAANS?

Het werk van Phillips

Eigenaardig lijkt toch de verhouding van den lezer tot den schrijver! Geeft hij er zich niet altijd rekenschap van, onwillekeurig neemt de lezer in de regel aan, dat een schrijver, die iets meedeelt of betoogt, het onderwerp van zijn verhandeling beheerst. Gaat hij daar onder het lezen aan twijfelen, dan houdt hij toch vast aan het denkbeeld, dat die auteur ten minste zal menen zijn stof te beheersen. Welnu, al was het maar voor de verandering: laat mij ronduit bekennen, dat ik ga schrijven over iets, waarvan ik stellig niet voldoende op de hoogte ben.

Natuurlijk, Ik heb een excuus. Ontbrak mij dit, ik had mijn tekort aan de nodige kennis wellicht niet zo eerlijk beleden. Niemand pleegt graag geestelijk harakiri! Ik heb het echter heus niet aan mezelf te wijten, dat ik maar zo weinig weet van hetgeen waarover ik nu ga spreken: de Amerikaanse schilderkunst van vandaag. Wie net als ik nooit verder westwaarts zijn gevaren dan naar Engeland, weten er trouwens zeker niet meer, misschien wel minder van. Want de Amerikaanse jonge schilders denken er blijkbaar slechts zelden aan, hun werk naar Europa te zenden, of hebben wat waarschijnlijker is daar geen gelegenheid voor.

Enkele ouderen kennen wij wel. John Sargent en James Mc Neil Whistler, nietwaar, de namen althans zijn vermaard. Doch nu even daargelaten, dat men deze noch gene nog tot de schilders van nu kan rekenen, is het de vraag of die twee wel Amerikaanse kunstenaars mogen worden genoemd.

John Sargent sluit met zijn werk geheel en al bij de tradities der Engelsen aan; niemand zal iets Amerikaans, om het even wat men daaronder verstaat, in zijn portretten ontdekken.

Whistler was van Schotse afkomst, maar eerder dan daar om, aarzelt men hem als

schilder Amerikaan te noemen, omdat men zijn kunst als een Engelse „tak” van het Franse impressionisme kan zien. En ziedaar wat wij dan toch van enigen van de belangrijkste jongeren weten; dat ook zij een sterke Europese invloed hebben ondergaan. Men neemt die waar bij schilders als de Mexicanen Rivera en Orozco, de eerste o.m. een geestig hekelaar van het Amerikaans! „billionnisme”, de andel een fel expressionist vaß aieestal uit legenden voort-Mfekomen fantasieën.

Jeroen Bosch: „Christus voor den Hogepriester”

Men vindt hem ook bij Thomas H. Benton, dien men wellicht in het bijzonder kunstenaar van deae tijd zal heten, omdat htJ in wandschilderingen vooi The New School for SociaJ Research te New York op ' monumentale wijze de arbeid en den arbeider heeft uitgebeeld.

j Intussen moet ik doel 1 opmerken, dat ik de wer* iken van deze drie niet anders ken dal |door afbeeldingen, wat uiteraard tot voor. Izichtigheid maant. Doch van drie anderen !zeker niet minder belangrijken, n.l. Morgan Russen, S. Macdonald—Wright el Holmead Phillips, zijn verscheidene werkel zelf mij bekend. j

'Russen en Wright heb ik indertijd eeßll te Parijs ontmoet; het was kort voor dB opening van een Saion des aan welke zij zouden deelnemen. Zij den toen het „synchronisme” uitgevonden en in een bijeenkomst van enige Frans* schilders en anderen, zette Russell de beginselen van dit „isme” uiteen. Geestdrif» ' tig sprak hij ... en lang; maar men luisterde geduldig. Toen hij klaar was, keel men elkander eens aan. „Tiens”, zei eejj van_de

heid, welke zo vinnig kan zijn, „merkwaardig. Een jaar of tien geleden hebben wij iets der gelijks gekend. Maar toen heette het anders ...”

Ook in het werk van Blolmead Phillips, Amerikaan van Cumberland, ten zuiden van Pennsylvanië, die onlangs in Den Haag een aantal van zijn schilderijen heeft laten zien, kon men menen Franse invloed te herkennen, in het bijzonder die van Greorges Rouault. Men zag er evenwel tevens andere invloeden in, als van Emil Nolde, eigenlijk geen Duitser van geboorte, maar die lang in Duitsland heeft gewerkt, tot hij er kort geleden als geschenk op zijn zeventigste verjaardag, welke hij juist vierde moest vernemen, dat zijn kunst schrikwekkend ontaard zou zijn. Voorts van den Oostenrijker Kokoschka en, wat wel het merkwaardigst is, ook van een tweetal oude meesters: den Boeren- Brueghel en Jeroen Bosch.

Al lijkt het mij waarschijnlijk, natuurlijk weet ik niet met zekerheid, dat Phillips Rouault en die andere tijdgenoten kent. Doch dat hij op zijn reizen door Europa (hij was hier ook al eerder, in 1912 en ’24) in musea Bosch en Brueghel heeft leren kennen, dit mag men toch wel geloven.

Moeten wij dan van navolging spreken? En is er niets in Phillips’ werken aan te wijzen, dat persoonlijk, dus ~Amerikaans” kan zijn? |

stellig neem ik het eerste niet aan. Want wat er dan al in zijn werk, in het bijzonder aan Bosch herinnert, er is een opmerkenswaardig verschil. Bosch’ schampere spot, zijn schrijnende weerzin, die hem mensen vaak tot monsters deden maken, tiebben in zijn „Christus voor den Hogepriester” wel de krijgslieden en Cajaphas getrqffen. Pilatus heeft hij evenwel zijn hoon bespaard en den Christus beeldde hij uit in Zijn weerloosheid, die Zijn kracht was, met een eerbied, waarin men een vroomheid herkent... die bij Phillipl blijkt te ontbreken.

: Ook Phillips heeft in „De overspelige 1 vrouw” de schijnheiligen en wraakzuch– tigen fei tot caricaturen gemaakt. Dat zijn

Holmead Phillips: „De overspelige vrouw"