is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1937, no 6, 06-11-1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geest, dan is de onderlinge verhouding tussen socialisten en niet-socialisten niet zo’n zwaar probleem; dan vind je samen steeds wel de goede oplossing.

Nu staat daar naast: in de verhoudingen tussen de volwassenen, b.v. in de kerk, en dan b.v. op een dorp loopt het niet altijd even vlot. De caféhouder is (verondersteld hij is kerke-Ujk) liberaal; de notaris dito; het hoofd van de openbare school heeft rode neigingen, maar is wat voorzichtig; de grote boeren zijn weer liberaal, en de arbeiders rood, reken maar... en men zit samen in dezelfde kerk, luistert naar hetzelfde Woord, en zingt dezelfde psalmen en gezangen: den hogen God alleen zij eer... Ik zeg niet dat het zijn waarde niet heeft maar als iemand mij vraagt: worden deze mensen innerlijk verbonden door een geloofsgemeenschap, nu dan ben ik bereid om te zeggen: zij willen samen de Kerk in stand houden, of zij willen de handen ineenslaan om hun richting aan de macht te brengen, maar geloofsgemeenschap in die zin dat men zich verantwoordelijk weet voor elkanders leven, is toch wat anders. En dat is waarlijk niet alleen zo in onze kerken van de dorpen en steden. Ik zie zo nu en dan wel eens professoren in de theologie in het openbaar optreden... het vraagstuk van de geloofsgemeenschap tussen socialisten en liberalen is daar niet aan de orde, zoals je misschien weet... Stel je voor: rooie professoren in de theologie ... maar als het vraagstuk aan de orde was, zou het niet eenvoudig zijn... zelfs niet (o dwaze veronderstelling!) met kampbroekjes en jeugdliederen...

En toch mogen wij ons in deze zo uiterst belangrijke dingen niet laten leiden door minder pleizierige ervaringen. Ik waag de stelling vergeef mij dat zij ietwat groot en zwaar klinkt, maar zij is, meen ik, uitdrukking van de ernst van dit uur onzer Europese geschiedenis: de redding en het behoud van de cultuur zijn afhankelijk van de vraag of wij weer tot een geloofsgemeenschap, tot religieuze verbondenheid kunnen worden samengebracht. Ik zeg niet: tot kerkgemeenschap, al zal de kerk een plaats wel behouden. Ik zeg niet: Christelijke gemeenschap, al zie ik geen religie die boven het Christendom uitgaat maar ik

weet te zeer van de brede scharen, die aan het Christendom vervreemd, toch naar religieuze verbondenheid hunkeren. Nietwaar: het heeft in ons gesprek geen zin om uitvoerig te praten over andere dingen die óók nodig zijn, b.v. een oplossing van het arbeids- en werkloosheidsvraagstuk, een Plan van de Arbeid, een rechtsorde, die oorlogsgeweld aan banden legt wij zijn er socialisten voor om deze d-'ngen vanzelfsprekend te achten. Maar hoe grote waarde wij ook aan deze coincrete sociale en politieke maatregelen mogen toekennen, fundamenteel blijft voor ons het herwinnen van een religieus besef dat weet: alle mensenleven heeft een geestelijke heilige achtergrond; in alle levensverhoudingen hebben wij te doen met de heilige God; over alle levensterreinen moet Zijn wil van gerechtigheid en liefde worden gediend. Eerst vanuit het diep besef van verbondenheid aan een heilige Wereldwil groeit een verbondenheid tussen mensen in wederzijdse verantwoordelijkheid. Daarbij komen de politieke vraagstukken op het tweede plan.

En juist omdat ik zo diep doordrongen ben van de volstrekte noodzaak om weer iets van geestelijke religieuze gemeenschap te veroveren in onze wereld, juist daarom is mij elk plekje waardevol, waar getracht wordt om de verschillen op het tweede plan (de politieke) te aanvaarden in een verbondenheid op het eerste plan (het religieuze). Daarom waardeer ik jullie V.C.J.8., heeft de Woodbrookerskring mijn liefde, en wil ik de Kerk niet missen (ook nog wel om andere motieven, maar die doen hier nu niet ter zake). Maar dan moeten er toch wel twee dingen absoluut vaststaan:

ten eerste, dat deze religie insluit een (ook sociale) verantwoordelijkheid voor het mensenleven op aarde. Met een religie, die zich alleen bemoeit met het eigen zieleheil, die opgaat in een cultus van het d'erbare Ik met zulk een religie kan ik geen gemeenschap vinden en mag ik het niet om der wille van de religieuze waarheid zelve;

ten tweede, dat wij wederzijds erkennen elkaar nodig te hebben. Met een nationaal-

socialistische religie, die de onze naar het leven staat, is geen gemeenschap mogelijk. Evenmin met die liberalen, die al wat religieus-socialist is verachtelijk en gevaarlijk vinden.

Men zal in mij steeds iemand v.'nden, bereid tot geestelijke samenwerking met personen zowel van andere politieke als godsdienstige richting. Ik weet ook, welk een diepe zegen er kan liggen in het samen stil zijn en ons leven stellen voor God dan valt er heel wat weg, dat zo gemakkelijk verdeelt en tegen elkaar op jaagt. Maar daarbij geldt onvoorwaardelijk deze eis: dat wij elkaar juist op deze plaats als gelijkwaardigen erkennen. Anders gezegd: de eis van wederzijdse eerbied voor het karakter, de z ei. Waar deze wederzijdse eerbied niet aanwezig is, is alle eenheidsstreven karakterschending.

Ziezo, dat werd wat een warm betoog, meer dan een kalm gesprek. Maar ja, er zijn nog zo enkele dingen, waarbij je warmlopen mag... Gelukkig. W. B.

CHARLOTTE KÖHLER

Marathon-dans” is de laatste voordracht van Charlotte Kohier. Het is één relaas van verdwazing.

Wie kan het langst aan één stuk door dansen? Mensen zonder werk en zonder toekomst proberen dit record op hun naam te zetten, ze worden intussen goed gevoed. Het ontbreekt niet aan publiek, dat komt zien hoe deze mensen zich uitputten. Dat publiek krijgt waar voor zijn geld: er wordt niet alleen onophoudelijk gedanst, er komt ook nog een wedstrijd bij, een Derby-race met menselijke paarden. Al dansende moet men zien na vele ronden het eerst het eindpunt te bereiken. Elke avond valt het laatst aankomende paar uit, heeft dus geen kans meer op record en prijs.

Bij deze race vallen elke avond dansers neer, worden bewusteloos weggedragen. En het publiek komt

Er is in dit boek een meisje, een van de menselijke paarden, dat maar één ding verlangt: wég te zijn, dood. „Was ik maar dood”, is het refrein van alles wat ze zegt en denkt. Haar partner van de dansvloer schiet haar ten slotte neer, —■ uit mededogen. Hij zag eens hoe zijn grootvader een paard, dat ondragelijke pijn leed, neerschoot. Zijn grootvader hield van dat paard, hij bewees het de enige dienst, die mogelijk was. Zo schiet nu de jongen ook het meisje van wie hij houdt dood. De enige dienst die hij haar bewijzen kan.

„Kreupele paarden worden immers afgemaakt...?”

Er is overeenkomst tussen deze voordracht en twee vroegere voordrachten van Charlotte Kohier: „Stervend Europa” en „Carrière”. Ze geven ons alle drie een beeld van een lege, verworden wereld, van mensen zonder steun en doel.

In „Stervend Europa” is Europa aangetast door een bacU, de Eurocok, een bacil, die alles leeg eet en slechts de omtrekken overlaat. Europa is innerlijk leeg, heeft als schim nog slechts een schijnbestaan.

„Carrière” is de geschiedenis van een meisje, dat optreedt in een café-chantant, waar ze tegelijk animeer-madel is. Een meisje voor wie kunst en liefde vuiligheid zijn, als ze eens met „nette” mensen in aanraking komt wacht ze zich wel deze woorden te gebruiken

Het is de verdienste van Charlotte Kohier, dat zij met haar zeldzaam talent deze ellende voor ons doet leven en deze ellende groot maakt. We gaan niet treurig en verslagen de schouwburg uit, nee, we voelen ons gelukkig omdat het leven zo groot en zo rijk is. Zij laat ons door haar voordracht heen de andere kant van dit gebeuren zien, het blijft daardoor niet klein, maar wordt groot van tragiek. Een mens zo dwaas, zo leeg, zo verworden

Ja, zo ~verworden”. Want hoe zou hij kunnen zijn!

Er wordt in deze voordrachten maar heel sporadisch met woorden geduid op dat wat zou kunnen zijn, maar het klinkt overal door in de toon. Het wrange, het snijdende, soms ook het meedogende: zie, dit is de Mens, dit ongelukkige, stumperige wezen. Dat tóch geschapen is naar Gods evenbeeld. Nee, er wordt nergens gezegd, hoe die mens wel zou moeten zijn, het is geen preek, en het is ook niet te zeggen. We voelen de grootheid van het leven kloppen achter de beschrijving van deze armzalige wereld, een grootheid, die ons verre is, maar die nochtans bestaat en ons beroeren kan.

Als wij in het werkelijke leven tegenkomen wat ons hier in deze voordrachten gegeven wordt zijn we zo zelden in staat iets anders te voelen dan afschuw of hoogstens medelijden. Het stemt ons somber, het ontmoedigt ons. We voelen lang niet altijd de tegenstelling, de tragiek. We zien alleen het lelijke, het lijkt ons soms of de wereld daarin onder zal gaan. We hebben soms wel heel erg de kunst nodig om ons weer wakker te maken.

Hoe zouden we kunnen weten van klein en lelijk —■ als er in ons niet een vermoeden was van groot en schoon? In de kunst trilt dat grote en schone achter het kleine en lelijke, achter de leegte hangt de volheid, die in wil gaan.

Het is de zonde-val, die Charlotte Kohier ons in haar voordracht geeft. De val uit het paradijs. Maar het paradijs blijft en is. Zij doet ons weer des te meer in het paradijs geloven. Ook geloven in de mens van wie we ons zo makkelijk in afschuw afwenden, die we zo graag links laten liggen. Zij laat ons de meest verworden mens werkelijk als „verworden” zien. We doorleven de tegenstelling. We gaan met nieuwe hoop en moed de mensheid tegen. In ons zelf leeft weer iets van het .paradijs en we willen er van uitdelen.

Daarvoor zijn we haar dankbaar

BEP OTTEN.

Nieuw heidenclom.

Men heeft wel eens gezegd, dat elke Fries een sterke hang naar het absolute heeft. Ik geloof, dat dit waar is, zoals ook die andere typering terecht gebruikt werd: „het zit er wel in, maar het wil er niet uit”. De Fries is vaak zwaar op de hand en taai, hij wroet graag in zichzelf en in de problemen van het leven, en kent daarbij een eeuwige onrust, die hem tot een geboren theologant en beginselautomaat maakt. Daarbij is hij dood-eerlijk, op het belachelijke af. Hij loopt rond met een gezicht, alsof hij het heel moeilijk heeft, wat dan ook inderdaad vaak het geval is. Vraag een Friesen boer, hoe het gaat met de boerderij en tien tegen een antwoordt hij: it koe better I

Het Friese ideaal is een „ynbannich” leven, een beheerst en evenwichtig leven, maar voorlopig geldt voor den Fries: „Niet dat ik het reeds gevonden heb, doch ik jaag er naar!”

Waarom dit zelfportret voorop staat?