is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1937, no 10, 04-12-1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

o vuur in mij

C) vuur in mij, dat eenmaal vlamde en dreet mijn wil tot daad van mensenliefde en moed, om een rechtvaardig mens te zijn, hoe bleef mijn hart zo lang verkild zonder uw gloed!

C 3 vlam, aan godd'lijk vuur ontstoken, geef dit hart, dat voor zijn baatzucht heeft geboet, opnieuw uw gloed, opdat het sterk beleev', dat in uw straling wordt het aanzijn goed.

G'eef aan dit hart zó van uw overvloed, dat er om heen straalt, als een vlammend teken, uw licht, waaraan de mens zijn Zelf herkent en goddelijk ontroerd erkennen moet: ik heb de nacht van eigenbaat ontweken en gans mij zelfverloochning toegewend.

LEO RIKMENSPOEL.

Het niet-positieve in de positief-Christelijke grondslagen van het huidige Kabinet

In het eerste deel van deze verhandeling wees ik bp de vele overeenkomsten, welke tussen alle partijen zowel die ter rechterals die ter linkerzijde bestaan en nog steeds groeiende zijn, ook wat de algemeen Christelijke beginselen en deugden betreft. Wij hadden daarbij in het bijzonder de alom te constateren religieuse opleving op het oog, welke ook ter linkerzijde valt waar te nemen. Maar... wij dachten toch ook dit ter voorkoming van misverstand aan de velen (het kunnen zelfs atheïsten zijn), die godsdienstig zijn zonder het te weten of althans onder de invloed der Christelijke beginselen zijn geraakt zonder dit te kunnen of willen erkennen (zie hiervoor ook mijn studie ~Het Nationale Kabinet”). De vorige maal wees ik verder op het niet consequent vol te houden verschil tussen de bijzondere schriftuurlijke openbaring de enig mogelijke grondslag der zogenaamde positieve Christelijke beginselen en de alom erkende algemene openbaring, die eveneens basis der Christelijke beginselen moet zijn. Wij zullen thans nog nader zien hoe de kleine verschillen met de vrijzinnigen, welke ten opzichte van de Christelijke beginselen en deugden bij de zogenaamde positieve Christenen zijn te constateren, van geen essentiële betekenis kunnen zijn tegenover de overmachtige grote beginselen, die uit de ware Christelijke synthese voort moeten vloeien.

Ongetwijfeld vertonen de rechtsgezinden door hun meer afgeronde en scherper geformuleerde overtuiging minder weifeling bij het toepassen en doortrekken van genoemde Christelijke waarheden dan de vrijzinnigen, omdat de grenzen van genoemde waarheden en deugden voor laatstgenoemde groep (m.i. terecht) minder vanzelfsprekend zijn. Niettemin zinkt het meer gunstige resultaat dezer scherpere omlijning in het niet bij het totaal der werkingen van de algemene Christelijke deugden en beginselen, zoals die bij links èn rechts voorkomen.

De zinsnede in de Troonrede, welke zegt, dat ~in wetgeving en bestuur vóór alles Gods wet tot opperste richtsnoer worde genomen”, wijst eer op de gemeenzame verbindende, algemene openbaring dan op de bijzondere. Anderzijds zou het niet heel moeilijk zijn om al die Christelijke deugden en waarheden, ook ter linkerzijde, worden gewaardeerd eh gehandhaafd, ook schriftuurlijk door bijbelteksten te staven, (b.v. naastenliefde, waarheidszin, standvastigheid, zelfverloochening, humaniteit, verdraagzaamheid enz.), zodat zij ook in de bijzondere openbaring zijn begrepen. Practisch staan trouwens alleen de algemene Christelijke waarheden en deugden vast; daarnaast staan enige algemene traditionele verspreide opvattingen omtrent huwelijk, familie, kleedij, kerk enz., die door de rechter partijen in verschillende zin doch wel met enige zwakke onderlinge overeenkomsten worden gehandhaafd. Deze opvattingen blijken echter niet essentieel uit de algemeen positief-Christelijke grondslag te kunnen voortvloeien, omdat zij onderling groot verschil van opvatting aan wij zen eh bovendien in één groep veranderlijk en in het algemeen, over langere of kortere historische perioden bezien, sterk verschuivend blijken te zijn, soms zelfs binnen enkele decennia tijds! Men zie om zich henen, enkele jaren en eeuwen achterwaarts.

Ongetwijfeld zit in dr. Colijn’s formulering en zijn bedoeling om ook de z.g. Christenen uit „traditie” in de kabinetsformatie te betrekken, een kentering ten opzichte van de coalitiegedachten en in deze kentering zit ook de mogelijkheid van een verschuiving der opvattingen omtrent de traditionele positlef-Christelijke houdingen, welke wij, als een traditioneel ongetwijfeld nog niet te verwaarlozen, aanhangsel der eigenlijke Christelijke grondwaarheden, hebben leren kennen. De tijd is bijna rijp voor een poging tot synthese.') Zou het niet zó kunnen zijn, dat de bijzondere schriftuurlijke openbaring, de enige.

welke voor de anti-revolutionnairen en hun geestverwanten, gezag heeft in deze, toch reeds doorwerkt in de religieuze opleving aan de linkerzijde? Indien immers gemeenschapszin op een religieuze achtergrond berust, dan is het niet moeilijk om in te zien, dat zij door moet breken door middel van een openbaring, welke in de zin der anti-revolutionnairen een bijzondere schriftuurlijke is. Gemeenschapszin is uit zijn aard nimmer gebouwd op de individuele eigen wil of reden; hij moet voortkomen uit de hogere samenhang der individuen, welke wij God noemen: in de reactie, uit de crisis geboren, moest individueel egoïsme, willekeur en zonde gebonden worden door de straffende hand der achterliggende gemeenschap, een schijnbaar uiterlijke —■ openbaring van de religieuze grond.

Volgens de bijbel echter is Gemeenschapszin (naastenliefde) voor de wereld het hoogste gebod, welke gelijk gesteld wordt met het hoogste gebod in het Koninkrijk der hemelen: heb God lief; ook de bijbel verwijst dus voor de gemeenschapsliefde naar de Goddelijke achtergrond. (Matth. XXII, 37—46, XXV, 40 en Marcus XII, 30—34.) Het hoogste gebod, naar de woorden van het evangelie zelf, kan dus als de essentie, het meest bijzondere van de bijzondere schriftuurlijke openbaring, worden aanvaard. Deze gemeenschapszin ziet men gelijkelijk overal bij Rooms-Katholieken in hun sociale drang, bij Christelijk-historischen in hun zucht tot ordening en sociaal werk, in de liefde voor de kleine luiden en in alle opbloei en de democratie, ook bij de linker groepen. Moet men het niet zó zien, dat de gemeenschapszin of naastenliefde, nimmer uit eigen aandrift of wU kunnende zijn geboren, ook nimmer als eigen verdienste wordt beoefend, doch als een genadegave Godes wordt ontvangen en gehoorzaamd, door welke genadegave door Christus geschonken onze zonden worden vergeven?

Men zal moeten toegeven, dat wij de werking der openbaring, die toch ook een mysterie is, geenszins volledig kennen; het staat echter vast, dat zij behalve „revelatie”, ook „apparitie” en ~manifestatie” van goddelijke liefde is. Allicht zal bovenstaande opvatting der bijzondere openbaring gesignaleerd worden als een volkomen wanbegrip, misschien ook als een illusie doch dan moet ik toch wijzen op een politieke realiteit als het Voorlopig Verslag, waar blijkbaar niet-linksgezinden ~sociale rechtvaardigheid en sociale liefde” als zuiver politieke functie van de positief-Christelijke grondslagen willen zien. Niet zonder reden ook wordt naastenliefde in het Nieuwe Testament het hoogste gebod genoemd en niet zonder voldoende grond kan men een nauw verband vermoeden tussen die naastenliefde en de waarachtige geestdrift voor de echte democratie.

Mr. Dr. L. W. R. VAN DEVENTER.

') Dr. Colljn zegt in de M. v. A.: „Hij (Colijn) heeft blijkbaar een vrucht willen plukken, die nog niet rijp was”.

Op Sint Nicolaasavond verschijnt NEDERLAN DS NAMENBOEK samengesteld door de Gebrs. T. IJD en T. AAK AKSIE Nog niet allen, die tot medewerking zijn uitgenodigd, zonden hun STkOKEN met namen en adressen in / Laat deze kans niet voorbijgaan! Van dit standaardwerk, dat in een dringende behoefte voorziet, verschijnt maar één exemplaar / Stroken zenden aan N.V. DE ARBEIDERSPERS HEKELVELD 15 – AMSTERDAM-C.