is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1937, no 12, 18-12-1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kerstnacht

Geruis van vleugels door de duistre lucht... En zie, opeens verschijnt een rei van englen die nederdalen, zwevend op hun vlucht, zingend een zuivre zang en zich omstrenglen.

En waar lang hing het rouwfloers van de nacht, waarin gedompeld was een arm volk onder, wordt het nu licht en stijgt, o heerlijk wonder, een zonnester, fonklend in zilvren pracht.

O schone droom, in nacht na nacht aanschouwd: Een Mank gelaat omstraald door zonneglansen schoon als een roos die vol zich heeft ontvouwd, waarmee de bruid het golvend haar ging kransen.

Nu klinkt muziek... nog stralender onthult der englen zang de hoop, de droom der jaren wanklend doorstaan, gevoed in zoet geduld, tot Gods geheim zich ons wou openbaren:

Dat er een staat is, schamel als een stal, waarin het hart na zware tocht mag rusten; dezelfde staat waarin een moeder kuste met kuise mond haar kind tot ’t slapen zal.

Waarvoor de wilde gil der drift wordt stil en in die stilte stemmen zijn te horen: zuivre muziek uit harmonie geboren van liefde die ontving en schenken wil:

Nu het besloten ik, niet meer alleen, zich aan wat hem omringt innig_ wil binden en rust hierin, verzadiging zal vinden: te zijn voor goed met God-en-mensen één.

ANDREAS GLOTZBACH.

Spanningen in het Religieus-Socialisme

Vrijzinnig Protestantisme of Religieus-Humanisme

Dat het bij het Rooms-Katholicisme en bij het Orthodox Protestantisme zeker in zijn historische vorm niet blijven kan, hebben wij uitgesproken. De geestelijke en godsdienstige inhoud daarvan bleek al te betrekkelijk, de onderstellingen te onhoudbaar. Een nieuwe wereldblik en een nieuwe bijbelbeschouwing bleken niet in overeenstemming met de overgeleverde opvattingen; het beroep op kerkelijke autoriteit en kerkelijke geloofsleer kan niet worden aanvaard hun geschiedenis is al te menselijk en met dwaling gemengd.

Ook kon men een verwijzing naar Bijbelse uitspraken niet als beslissend erkennen, naarmate men de historische begrenzing daarvan erkende; de oud-Joodse en oud-Christelijke literatuur is vol verheven en onvergankelijk waarheidsgehalte, maar zij is tegelijk vol menselijke betrekkelijkheid. Evangelisten en apostelen zijn kinderen van hun tijd en zij tonen dat ook in wereldvoorstellingen en geloofsverwachtingen, die wij niet meer kunnen delen; wie, die over de gegevens beschikt van een nieuwere wereldkennis, neemt aan dat deze wereld voor een zesduizend jaren geschapen werd, of dat wij in het gerucht van deze tijd de voortekenen moeten lezen van het aanstaande einde der aarde. Toch heeft de oude christenheid dat gemeend: Paulus staat er gelooft dat hij nog bij zijn leven op de bazuin zal horen blazen en Christus

zien wederkeren en dat hij en andere gelovigen „tezamen opgenomen zullen worden in de wolken, den Heer tegemoet, in de lucht” (1 Cor. XV; I Thessalon. IV); of Jezus zelf laat men verklaren dat zijn tijdgenoten de ondergang der wereld zullen bijwonen en dat zijn uitgezonden discipelen, hun „reis door de steden Israëls niet geëindigd (zullen) hebben, of de Zoon des Mensen zal gekomen zijn”. (Ev. Matth. XXIV; Matth. X, 23.)

Aan de erkenning dat hier een tijdelijke wereldvoorstelling aan het woord is zal men wel niet kunnen ontkomen, maar wie begrijpt niet dat daarmede onverbiddelijk ook de vraag gegeven is in hoeverre dan de Godsvoorstellingen en de Christusopvattingen van de oudheid wèl geldigheid hebben? Ook zijn wij van zulke vragen niet af met aarzelende erkenningen en halve aanpassingen; hier worden wij, als het menens is, onverbiddelijk voor een onafhankelijk en principieel waarheidsonderzoek geplaatst.

Het is zulk een principieel en onafhankelijk waarheidsonderzoek dat het „Vrijzinnig Protestantisme” onzer „moderne” vaderen bedoelde en dat wij nog altijd hebben te bedoelen met hen. Waar wij ons daarbij niet meer beroepen kunnen op enige ui terlijke autoriteit, zijn wij aangewezen op onze eigen wetenschappelijke, zedelijke, godsdienstige waarheidszin. De verwijzing, tegenwoordig ook in vrijzinnige kringen gangbaar, naar een goddelijke openbaring die zich aan het geloof als een aparte kennisbron zou mededelen, kunnen wij niet als geldig erkennen; op het „ge-

loof” beroepen zich allerlei overtuigingen in de christelijke en niet-christelijke wereld, terwijl men in gebreke blijft voldoende argumenten te geven voor de onderstelling van een boveimatuurlijke, willekeurige Gods-openbaring.

Intussen betekent dat niet dat wij op de grondslag van eigen, innerlijke waarheidszin niet tot de vastheid van een religieuze en christelijke levenshouding en tot de erkenning van een organische waarheidsopenbaring zouden kunnen komen. Dat wij, bij alle activiteit principieel afhankelijk, leven en sterven, lachen en schreien uit de achtergrond van een eeuwig geheim, en dat wij daarbij staan onder het oordeel en in dienst van het hoogste Goed, erkennen wij krachtens ervaring en gedachte; dat wij door heilige geesteswaarheid geleid de bestemming van onze levens hebben te volbrengen en daarin deel hebben aan een eeuwig werk, dat ook door tijdelijke nood en ondergangen heen voltrokken wordt, mogen wij er bij geloven. In de religie richten wij ons op een laatste Centrum, een hoogste Waar en Goed, en wanneer wij „God” zeggen spreken wij —• al of niet met menselijke beeldspraak laatste geheimenis, waarheid, waarde uit. Ook erkennen wij van binnen uit de v/aarheid van de evangelische beginselen; wat is redelijker, vragen wij op onze beurt, dan de „liefde voor God en de naaste”, de overgave aan het volstrekte, heilige Goed en de goede wil die zich naar de anderen wendt, die zich objectief en onbaatzuchtig denkt in hunne plaats? Wat is redelijker, voor wie iets van de waarheid weet, dan de beginselen van gerechtigheid en liefde die in het Evangelie branden en lichten; dan de Boodschap van het Godsrijk dat ons verlossen wil van kleinheid en kwaad: dan het kruis, als vlammend teken van de worstelende wil om het hoogste, alomvattende wereldideaal, van de Liefde die zichzelve geeft, opdat wij leren zouden onszelve te geven.

Wanneer, wat wij hierboven schreven, beginselen van een Vrijzinnig Protestantisme mogen heten, dan zijn het klaarblijkelijk beginselen van een religieus humanisme tegelijk. Wil men deze beide begrippen onderscheiden dan ligt in de eerste naam uitgesproken de historische continuiteit, de binding aan een groot verleden, waarvan wij de waarheidsbeginselen willen bewaren en voortdragen, terwijl de tweede naam aanduidt dat men gezwegen van alle historie deze waarheidsbeginselen wil erkennen en verwerkelijken. Maar beide namen wijzen tenslotte naar dezelfde waarheid heen; religieus humanisme zegt dat men mensheid en menselijkheid wil en tegelijk dat eeuwige en heilige erkent, dat mens en mensdom boven gaat; Vrijzinnig Protestantisme zegt dat men de evangelische en reformatorische beginselen bedoelt, die weten van een „godsdienst in geest en waarheid” waarin de eenheid der mensheid, de liefde, die alle grenzen te boven gaat en „de waarheid die ons in aUe waarheid leiden wil” begrepen zijn (Evang. Joh. IV: 1—25; Luc. X: 25—38; Joh. XVI: 12, 13).

Voorshands zal de hier gemaakte onderscheiding zich ook in religieus-socialistische kringen wel blijven voordoen niet als onderscheiding alleen, maar ook als accentuering en misschien tegenstelling. Wp komen van allerlei kant en spreken allerlei taal en wij bedoelen ook bh het gebruiken van dezelfde namen niet dezelfde inhoud. Aan spanningen ook in de laatstgenoemde groep, waartoe de meesten onzer lezers behoren, zal het dus voorlopig wel niet blijven ontbreken, ook niet moeten ontbreken. Maar wij blijven, ook bij discussie en onderlinge tegenspraak, gebonden door het gemeenschappelijk verlangen naar een hoogste synthese, waarin oude en nieuwe waarheid als een kostbaar goed zijn bewaard, veroverd en tot levende eenheid gebracht; waarin het religieuze en socialistische beginsel tot een levende harmonie van denken en willen, van geloven en arbeiden zijn geworden. Wat ons samenbindt en beweegt is de droom der eeuwen: het visioen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde”, het heilige Rijk, dat in des mensen hart en in der mensen stad en tempel gestalte kreeg.

G. HORREUS DE HAAS>