is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1937, no 12, 18-12-1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stedelijke invloed op het platteland

Er wordt tegenwoordig veel over de nood van het platteland gesproken. Dan bedoelt men niet alleen de materiële, maar ook de culturele, geestelijke nood. En als men die nood probeert te omschrijven, komen al spoedig uitspraken als deze naar voren; Het plattelandsleven is ontwricht door het opdringen van de stedelijke cultuur.

Hoe staat het dus met de invloed van de stad op het platteland? Vast staat wel, dat het toenemend verkeer het platteland uit zijn isolement verlost heeft. Het platteland is voor iedereen open komen te liggen. De stedelijke toerist, die het landelijk natuurschoon nodig heeft voor zijn zenuwen en om te zien, dat niet alles tot leefmachine vervormd werd, komt spoedig op het land, maar ook de stedelijke producent.

Het land is het afzetgebied voor de stoffelijke en geestelijke producten van de stad en dit werd te eerder zo, doordat onze Nederlandse cultuur stedelijk is. De stad vond en vindt het vanzelfsprekend, dat zü de toon aangeeft. En terwijl vroeger het dorp iets eigens had, waartoe het steeds weer terugkeerde, terwijl er toen vele middelen bestonden, die de gevaarlijke invloeden van buiten konden keren, is dat nu niet meer mogelijk. Het minderwaardigheidsgevoel van den plattelander is niet zwakker geworden, integendeel. Hij heeft altijd graag aangenomen dat hij achterlijk was, maar nu is het zo geworden, dat hij op weg van de stad naar huis zelfs geen tijd meer heeft om enigszins tot bezinning te komen. Hij neemt de stad mee In zijn woning en de radio, die hem verwelkomt, zegt, dat dit natuurlijk goed is.

Het zou kunnen schijnen, dat ik deze gang van zaken alleen maar betreurde. Daarom haast ik mij op te merken, dat deze openheid van het platteland haar goede kant heeft. In zeker opzicht is het onderwijs door de invloed van de stad verbeterd, de kranten en de radio meer nog dan de vele sprekers uit de stad (de tijd van het „Nut” is voorbij!) brengen het platteland met de wereld in aanraking. De mogelijkheid van ontwikkeling is dus groter dan vroeger en de geestelijke inteelt minder sterk. Dit is aan de stad te danken. Maar zo is er meer: De hygiënische toestanden zijn op het platteland door het voorbeeld van de stad verbeterd. Gas, electriciteit, waterleiding, telefoon en telegraaf betekenen natuurlijk ook op het platteland vooruitgang.

Laat men zich echter niet verkijken. Omdat alle wonderen der techniek in de dorpen hun intrede hebben gedaan en die haast alle aan de stad zijn te danken, menen velen, dat de toenemende verstedelijking slechts voordelen biedt. Zij zullen misschien denken, dat het tijdperk van de beschaving nu ook voor „den dommen boer” aangebroken is. Maar zij vergissen zich. Technische ontwikkeling zegt niets wat betreft de geestelijke beschaving.

Neen, er zijn ook schaduwzijden. Men leert deze kennen, wanneer men, na eerst een beschrijving van het dorpsleven van voor honderd jaar te hebben gelezen, op het platteland komt. Toen had het dorp een eigen stijl, nu is het leven daar vaak stijlloos;- toen was er rust, echte eenvoud, natuurlijkheid, nu... wanneer men op een dorp komt, hoort en ziet men al spoedig, hoe het dorp veranderd is. De liedjes, de populaire „schlagers”, die in de steden gemaakt werden en die een christelijke radiocensuur klaarblijkelijk geschikt achtte voor de instandhouding van het christelijk volksbesef, worden „gezongen”. Het dorp begrijpt de inhoud niet, maar het zal wel mooi zijn en dus doet het mee. Terwijl het eigen lied vergeten wordt.

De boer zit tegenwoordig op zijn met pluche beklede stoel. De boerin heeft wat meer tijd dan vroeger en dus kan zij een wakend oog over haar man laten gaan. Anders zou hij misschien met mest aan zijn kleren op zijn

stoel zitten. Hij heeft voor tien, twintig jaar nog geprotesteerd tegen de dwaasheid in meubilering en kleding, nu heeft hij zich aangepast. Hij ziet niet meer, dat de huisinrichting niet bij zijn innerlijk en zeker niet bij zijn uiterlijk leven past. Toen men hem vroeger vertelde, dat er een Groningse boer geweest was, wiens dochter piano moest leren spelen en die toen maar twee piano’s tegelijkertijd had gekocht, want alle goeie dingen bestonden uit tweeën en symmetrie moest er zijn, toen heeft hij gelachen. Maar nu, terwijl het een tijd lang gewoonte is geweest de symmetrie te verwaarlozen, vindt hij het niet gek meer als zijn vrouw en dochters alle tafels scheef zetten.

Natuurlijk, deze dingen kunnen worden overdreven. Daar is op de dorpen nog wel iets, dat aan het goede van vroeger herinnert. Daar zijn er nog velen, die het ~costelijk” van het „mal” weten te scheiden, die hun oude degelijkheid bewaard hebben en hun critische zin ook gebruiken om het onzuivere uit de steeds meer naderbij komende stad te keren. Prof. Waterink zegt in „Volk van Nederland”, dat in de Saksische gebieden nog wel het beste ons oude volkskarakter bewaard is. Welnu, de Saks zegt: „joa, joa” en hij denkt: allemaal „narigheid”, „wat hè-k doaran?” En deze houding komt goddank op het platteland, ook in de niet-saksische streken, nog wel meer voor.

Maar, dat neemt niet weg, dat de ergste kwaal van het platteland geestelijk van aard is. De plattelander leeft niet meer, zoals bij het platteland past, hij heeft de deugden, die hem eigen waren en die vroeger ook in ziin uiterlijk leven hun invloed lieten gelden, schijnbaar verloochend, terwijl hij er innerlijk naar bleef hunkeren. Daardoor is er iets halfslachtigs in zijn leven gekomen en heeft hij verschillende van zijn af weer mogelijkheden opgegeven. Hij heeft te veel toegegeven aan de stad, die ongetwijfeld iets te bieden heeft, maar die toch evenzeer ontvangen moet van het platteland.

Men zou het wat grof en schematisch zo kunnen zeggen: De stad moet haar kennis van het leven, haar openheid en haar vlotheid aan het land geven, het land zijn degelijkheid, zijn soberheid en zijn rust aan de stad. Beide moeten van elkaar leren. Dan mag de stedeling zich evenmin brutaal opdringen, noch mag het platteland zich minderwaardig voelen. De oude vormen, die het platteland eens kende, konden natuurlijk niet bewaard blijven. Maar de vormeloosheid, het leven van de geestelijke afdankertjes en van de afvalproducten van de stad, is nog geen nieuwe stijl en kan het ook nooit worden.

Het komt er voor het platteland op aan het nieuwe met het oordeel des onderscheids te gebruiken voor het eigene en zo te komen tot rijke bescheidenheid. Tegelijk is het in het belang van de stad niet neer te zien op het land en evenmin het uit te buiten ten haren believe, maar met behulp van het land tot die bescheiden rijkdom te komen, die niet aan zijn eigen onbegrensdheid ondergaat.

Terecht merkte Prof. Mennicke begin November op de Plattelandscursus te Barchem op, dat de stad haar verval beter kan verbergen dan het land. Zij kan fas?aden (voorgevels) oprichten, zodat de schone schijn beter bewaard blijft. Dat is voor het dorp niet mogelijk en daardoor lijkt het verval van het plattelandsleven ook groter dan dat van de stad. Natuurlijk biedt het platteland wel weerstand, de goede voorlichting van het landbouwhuishoudonderwijs en van de verschillende Boerinnebonden enz. helpt de laatste jaren mee om te redden wat nog te redden valt. Ook hoeft men zich niet op de stad te verkijken. Maar dat er voorlopig „iets rots in de staat is”, valt niet te ontkennen. J. KALMA.

Een nieuwe „Cysbreght'^

Joost van den Vondel „Gyshreght van Aemstel”; Uitgeversmaatschappij „Joost van den Vondel”, Amsterdam.

Het klassieke Amsterdamse drama, telken jare omstreeks Nieuwjaar opgevoerd, is door Vondel geschreven in zijn vijftigste jaar. Derhalve is ieder heel- of half-eeuwse feest van den dichter teplijk het half- of heeleeuwse feest van zijn meest bekende toneelstuk. Thans, nu het spel 300 jaar oud is, werd een uitgave gedrukt, die in toegewijde bewerking en kostbare uitvoering de feestelijkheid ten duidelijkste toont en toch nog voor bescheiden beurzen toegankelijk blijft. Prof. dr. N. A. Donkersloot verzorgde de tekst, die getrouw werd weergegeven naar de eerste druk. Anton van Duinkerken schreef een uitvoerige inleiding, waarvan op den duur wellicht zal blijken, dat de verhouding van bewondering en critiek geen blijvend evenwicht vond; immers: de Gysbreght is stellig niet VondeTs meest geslaagde drama, en de zwakheden kan men, al naar het eigen standpunt is, wel meer of minder belangrijk achten, maar nimmer tot deugden omvormen.

Het onderscheid tussen deze editie en de vele andere ligt echter in het niet-letterkundige deel: de platen. Anton Pieck, dezelfde die destijds de jubileumdruk van „Pallieter” verzorgde, en zovele andere boeken méér van illustraties voorzag, tekende voor deze feestelijke Gysbreght een achttal grote gekleurde platen en vele zwarte van verschillend formaat.

Het is ermee, als bij de op muziek gezette Vondelteksten: de muziek is mooi, maar Vondel is verdwenen. De platen zijn stellig uiterst verzorgd, maar ze zijn romantisch, niet barok; ze zijn modern, niet klassiek; zij zijn aesthetisch, niet „vroom”. Met andere woorden: op de platen speelt zich de legende af, zoals Pieck deze blijkbaar ziet, maar niet zoals Vondel die reeds eenmaal zèg en uitbeeldde. Zó ver is voor mijn gevoel de afstand tussen tekst en platen, dat ik nauwelijks geloof aan de mogelijkheid, dat Pieck uit VöndeTs tekst de indrukken zó ontvangt, als hij ze hier weergeeft. En indien dit wel zo is, moeten wij constateren, dat er dan een wezenlijk verschil bestaat tussen de wijze waarop Pieck Vondel leest, en die van ons.

Bij voorbaat toegevend, dat bij ieder groot dichter meerdere interpretaties mogelijk zijn, meen ik toch, dat de hier gebodene de grenzen der moderne Vondelbeschouwing overschrijdt; het lijkt mij te veel op de voorbije invloed van Rooyaards. De zwarte platen doen over het algemeen veel kloeker aan, en voegen zich dientengevolge trouwens ook door hun geringer pretentie beter in het kader van dit werk, waarvan tenslotte de verzen zelf het belangrijkste gedeelte blijven.

G. STUIVELING.

BOEKBESPREKING

„Een Vrouw” door E. Peisson. Uitg. N.V. De Arbeiderspers. A’dam 1937. 200 blz. Prijs ing. ƒ1.90; geb. ƒ2.50.

Wel mag A. M. de Jong in zijn voorwoord schrijven dat „de tragische geschiedenis van deze beklagenswaardige vrouw voor Nederlandse lezers welhaast ongelofelijk” is. Zij geeft ons een kijk op de Franse huwelijkswetgeving, zó ontstellend, dat men zich afvraagt, hoe ter wereld zo iets mogelijk is in een beschaafd land in de twintigste eeuw. Alles wat het boek behelst is echter, volgens het getuigenis van Peisson, van de eerste tot de laatste letter nauwkeurig juist. Dat dit vlammende getuigenis er toe moge bijdragen, dat de positie van de vrouw in Frankrijk... en elders!... verbeterd worde! Daartoe wens ik het in vele handen! L. W.—S.

Lion Peuchtwanger. De Valse Nero. A’dam. Querido 1937. 376 p. ƒ3.25 —ƒ 3.90.

Nero is dood. Maar zijn dubbelganger, de pottenbakker Terentius, die zelfs eens in de Senaat als keizer is opgetreden en toegejuicht, leeft. Met vele van Nero’s aanhangers is hij uitgeweken naar het Oosten. Aangespoord door den Senator Varro, die daar ook zijn heli heeft gezocht en begunstigd door de omstandigheden, gaat Terentius voor Nero spelen. „Nero was niet dood, hij was slechts gevlucht, maar zal nu zijn werk voortzetten!” Varro, vol fantastische plannen en wraakgevoelens tegenover de nieuwe heersers te Rome, houdt zich op de achtergrond, maar heeft de touwtjes vast. Totdat de ledepop zich onafhankelijk maakt