is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 16, 15-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christus-geloof kleinburgerlijk?

Een merkwaardig geval, niet zonder pijnlijke en verdrietige kanten: Verleden jaar puUiceerde de bekende Bussumse predikant A R de Jong (politiek tot het z.g. anarcho-communisme behorende), een boekje: „Christus nochtans”. Over dat boekje schrijft thans B de Ligt’— sinds 30 jaren strijdmakker en persoonlijk vriend van De Jong in „Bevrijding” een artikel. Wat daarin persoonlijks staat laten wij uiteraard rusten. Maar als De Ligt de stelling niet uitspreekt, maar wel suggereert, dat Christusgeloof een terugval naar het kleinburgerlijk geestesniveau betekent, dan raakt dat ook ons. Wij veroorloven ons dus, de aandacht te vragen voor de zakelijke kant van het geval. De lezer vorme zelf zijn oordeel.

Terug tot Christus?

Onder de titel „Christus nochtans” publiceerde Année R. de Jong vorig jaar bij Bijleveld te Utrecht „een kleine apologie door een die zijn geloof niet heeft kunnen verliezen”. Inderdaad wenste De Jong zichzelf geluk met wat In geestelijk opzicht toch veeleer een terugval betekent. Zijn bekoorlijk uitziend boekje is een keurig opgemaakt bewijs van zwakte, en niet van kracht. Hij erkent dit zelf. „Vermoeid en teleurgesteld” keert hij „in verlegenheid en radeloosheid” tot „het oude christendom” terug. Of eigenlijk tot „Christus”. En tot welke want er zijn er zeer vele ■—? Tot een soort Christus van Bertel Thorwaldsen, of liever, als zal blijken, van Année R. de Jong zelf.

Zijn wij hiermee een onzer trouwste medestrijders kwijt? Dan slechts in enkele opzichten op het gebied der wereldbeschouwing. Van A. R. de Jong als vrij-socialist zijn wij zeker: die kameraad gaat ons nimmer verloren. Men kan er zelfs van op aan, dat zijn „terugkeer tot Christus” hem als revolutionair nieuwe kracht schenken zal. Want hij hervond hier zijn werkelijk niveau.

De Jong’s behoefte aan „getuigen” kan zich nu weder bot vieren. Want A. R. de Jong is altijd een zeer groot getuiger geweest. Wij hebben hem bijna dertig jaar meegemaakt. Oorspronkelijk uit de Jeruel-beweging, waren hem later, in de Bond van Christen-Soclalisten, vooral twee thema’s dierbaar, die men in evangelisatietermen „Kom, o kom!” en „Hallelujah!” zou kunnen samenvatten. Vanwege het tweede liet het bondsbestuur hem bij grotere openbare vergaderingen gaarne als laatste spreker optreden. Hij sleepte dan de mensen in zijn geestdrift mee.

Welke mensen? Kleinburgers vooral. A. R. de Jong is in de gunstige zin van het woord een middenstandsman, zelfs een Hollands middenstandsman, tot in het geestelijke toe. Hij is een waarachtig kleinburger, die met zijn religieuze overtuiging vooral op ethisch gebied steeds hartstochtelijk ernst heeft gemaakt en vanouds aan allerlei min of meer philantropisch getinte „opwekkingsbewegingen” heeft deelgenomen. Hij had bovendien nimmer zozeer behoefte aan intellectuele, dan wel aan morele vernieuwing. In dit laatste lag altijd zijn kracht, en waarschijnlijk thans meer dan ooit. Dit kan ons al dadelijk ten goede komen in de strijd tegen het fascisme. Want voor een of andere Mussert die wel heel andere kleinburger kapituleert een man als De Jong nooit. „Christus nochtans” zal hij ook tot deze spreken. Doch als denker is De Jong zwak. Het blijkt uit zijn opstel in „Het Kouter” van Maart 1937, waarin hij, opnieuw „een getuigenis” afleggend, zich voor meer intellectuele milieus tracht te verantwoorden.

In beide betogen maakt hij het zich gemakkelijk. De overbekende gebreken en ondeugden van onze tijd voor de zoveelste maal vaststellend, verklaart hij hiertegenover, dat slechts het christendom redding geven kan het christendom, dat z.i. nog de stuwende kracht van ons werelddeel is.

Met een verbijsterende vaart trapt hij èn hier én ginds de wijdst openstaande deur dezer dagen in: „Christus hoort bij Europa” en „Europa is zonder Christus ondenkbaar” zo heet het. Geen sterveling, die het ontkent! Welke Christus echter, en welk christendom? Het „Journal de Genève” prijst het in Mussolini, dat deze in onderscheiding van Hitler zijn fascisme „op het christendom gebaseerd” heeft, en volgens „Réconciliation” heeft de paus kortgeleden Mussolini een Uovio di Dio, oftewel een Man Gods genoemd. Dan is er nog het christendom van Colijn, en dat van minister Patijn.

Het gaat ook eigenlijk niet om christendom vervolgt De Jong maar om de Christus. Goed dan: welke Christus? Want er zijn er tienduizenden. Indien niet mlllioenen. Inderdaad bedoelt hij een „Chrlstus-lmpuls” zijn Christus-impuls, die gelukkig vrij menselijk is, oneindig menselijker De Jong zegt wellicht „goddelijker” dan die uit de „Openbaring” en de oorspronkelijke evangeliën, zelfs dat van Johannes, dat ondanks nog zoveel mystiek tot de bronnen van de moderne jodenhaat behoort. De Jong heeft er dan ook moeite genoeg mee, zijn universeel gerichte, door en door humane opvattingen geheel uit de bijbel aannemelijk te maken. Als vertegenwoordiger van een typisch-ketters christendom, dat zich van ouds slechts in een beperkt aantal personen en secten belichaamd heeft en min of meer humanitair van strekking is, constateert hij met dat al terecht: „Men heeft Christus vaarwel gezegd, hem geheel uitgeschakeld”.

Christen-revolutionair

Ja, dat Jezus anders geloofde, dat weten wij wel. Diens leven blijkt door ééne liefde gedragen; diens leven was één liefdedaad, een heilig offer: Mijn Vader werkt tot nu toe, en ik werk ook. Ik moet .werken de werken van Hem, die mij gezonden heeft, zoolang het dag is. Mijne spijze is, dat ik den wil mijns Vaders doe, en zijn werk volbreng. Moet ik den bittersten drinkbeker drinken, zoo zal ik dien drinken. En wij loven en prijzen hem vanwege zijn zuiver gevoel, zijn sterre-rein begrip, zijn onverwoestbaar op het eeuwig Koninkrijk gerichten wil. Maar dat was dan ook Jezus zegt men —: eenlg immers! Maar Paulus dan —: I Corlnthen XIII, waar alles slechts waarde heeft, als het wordt gedragen door dat eene: de liefde —, was dit niet zijn godsdienst: liefde, die werd tot een daad, een daad van heldenmoed: wereldstrljd, wereldverovering? En al werd hij gemarteld en gepijnigd en gevangen genomen, al dreigde men hem met den dood, was hij niet, gelijk ook Jezus was, noemde hij zich niet: mede-arbeider van God —? Ja, dat was hij! Zijn werk was Gods werk. Gods werk was zijn werk zoo zeer, dat wij het welhaast niet uit elkander kunnen scheiden.

„Bid en werk”, ziedaar het christelijk leven. Gij weet toch, wat bidden is. Niet: bedelen om voordeel en geluk; niet prevelen, en zeggen dit of dat het gebed van den geloovige zegt Calvijn bestaat soms in een zucht —, maar een heilige gezindheid in ’t hart altijd, gedurig, waarvan men zich bewust wordt, wonderbaar, als men bidt. Bidden is bewust in heilige aandacht beleven wat altijd in het onbewuste van uw heilig leven leeft; uitgaan in ’t diepste zelf tot het hoogste Zelf. Zoo is dan naar den grond heel ’t leven van Paulus, van Jezus één gebed: één offer der Liefde; één uitgaan uit zichzelf, één stijgen tot God; één worstelen zich omhoog. Ja, hun gebed is hun diepste daad, en hun daad is hun opperst gebed. Heel hun leven is een voortdurend toegewijd zijn aan het hoogste, den Hoogste, als een instrument in zijn hand: een viool, een bazuin, een orgel; als een orgaan van zijn leven; een oog, een mond, een stem. Spreekt God niet door Jezus, gelijk Hij spreekt door Paulus, door Abraham, Daniël, Elia? Handelt Hij niet door hen? Zet Hij door hen de wereld niet om als met een tooverslag? Ja! Hij handelt door hen; wentelt door hen ’t wereldleven om; beurt het op; stuwt het omhoog.

Ach!, men zal na den oorlog weer aan zijn eigen verdoemelijk werk voortgaan, zeifs biddende. Men gaat er nü reeds mee voort: het imperialisme begint pas te groeien, die reus; het militairlsme komt pas op kracht; en de kerk is hun laffe lakei, hun schijn-vrome knecht, hun dienstwillige slaaf..

Welnu!, tegen dien dienst Gods-dienst; de heilige strijd voor de heilige Stad; de groote worsteling voor het Koninkrijk. O, er gebeuren reeds wonderen. Menschen komen tot inkeer, berouw, innerlijke omzetting, geestelijke vernieuwing. De Geest revolutioneert de harten; wentelt ’t alles om, öp, tot een ontzaglijk leven;

er wordt een nieuwe gezindheid wakker;

er groeit een stalen wil;

er wordt helder inzicht geboren;

al meerderen worden bewogen door het groot God-menschelijk gevoel. Recht liefde waarheid —, zulke woorden hoort gij uit den grond des harten spreken. En ze klinken als bazuinstooten, hoornslgnalen; ze roepen ridders op tot den grooten strijd: den krijgsdienst van Jezus Christus, wiens teeken is het kruis.

B. DE LIGT in het jaar 1915.

(Uit zijn bundel „Christen-revolutionair”).

Vraag: Was De Ligt, toen hij in 1915 „getuigde” als in dit stuk blijkt géén fragment uit een preek, maar uit een grote rede „Wat is godsdienst?” óók „kleinburgerlijk”?