is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 17, 22-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZATERDAG 22 JANUARI 1938 – No. 17 36STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

Aan God behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24:1

Ël^aak.

nci IC RELIGIEUS-SQCIALIS I ibCn WCCIVPLAÜ adres der redactie. BENTVELDSWEG 5 – BENTVELD

VERSC H IJ NT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 3 6STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR F 3.40, PER HALFJAAR F 1.75, PER KWARTAAL F 0.90 PLUS 15 CENTS INCASSO – LOSSE NUMMERS 8 CTS POSTGIRO 21876 GEMEENTEGIRO V 4500 ADMINISTRATIE GEBOUW N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKELVELD 15, AMSTERDAM-CENTRUM

HEEFT DE KERK GESPROKEN?

Nu de rapporten van de Wereldconferenties der Kerken te Oxford en Edinburg, Juli en Augustus 1937 gehouden, in druk voor ons liggen, is er aanleiding het resultaat nauwkeuriger, dan uit krantenverslagen mogelijk was, te.beschouwen.

Om te beginnen stellen wij de vraag: Heeft daar de Kerk nu eindelijk gesproken? Dit is een pijnlijke vraag. Want zij houdt een verwijt in. Het verwijt, dat wij allen kennen, en misschien ook wel zwijgend ondergaan hebben. Dit verwijt n.1.: De Kerk heeft op tipslissende ogenblikken gezwegen. Het dodelijkst heeft de Kerk, om maar direct man en paard te noemen, gezwegen in 1914.

Nu, bij het lezen van deze rapporten, duikt de vraag op: Welke voorstelling hadden wij, als wij de Kerk haar zwijgzaamheid verweten? Hebben wij, door dit als verwijt te uiten, ons niet aan twee vergissingen schuldig gemaakt, te weten: Ie om alleen dat het verlo.ssend woord der Kerk te noemen, dat wij van haar verwachtten en 2e bij Kerk te denken aan iets, dat in feite niet bestond?

Immers, de Kerk spreekt soms wel. Zijn wij dan gelukkig? Als b.v. een nieuwe Roomse encycliek uitgevaardigd wordt, waarbij de verhouding tussen het Christendom en het Socialisme op een manier wordt gesteld, die, naar onze opvatting, beide grootheden onrecht doet; juichen wij dan, omdat de Kerk gesproken heeft? Als de generale synode der Gereformeerde Kerken de aanhangers van N.S.B. en C.D.U. van het H. Avondmaal weert, zijn wij dan blij?

Neen, laten wij voorzichtig zijn, als wij de Kerk willen laten spreken. Wij mochten eens tot de ontdekking komen, dat wij tenslotte toch maar het spreken zilver, het zwijgen goud achten.

Daarenboven, wat bedoelen wij met Kerk? Is er een Kerk, althans, een Kerk, waarvan wij uitspraken mogen verwachten? Neen, voorlopig (en dit voorlopig zal wel zeer lang duren!) zijn er slechts kerken, die kunnen spreken. Vele kerken, ieder met eigen belijdenis, of met helemaal geen belijdenis, ieder met eigen historie, eigen geestelijk klimaat en eigen schuld. Is, in het licht van deze toestand, de verwijtende uitroep, dat de Kerk gezwegen heeft, niet iets minder vernietigend, dan

soms op vergaderingen door succesjagende sprekers werd bedoeld?

Intussen, dat de kerken contact zoeken, dat zij hun isolement verlaten hebben, dat zij, vooral sinds de algemene débacle van 1914, zich gedrongen voelen schuld te belijden en iets te zeggen, dat kans op uitzicht biedt, is zuivere winst.

Wat kan nu van deze rapporten, op die wereldconferentie vastgesteld en de Christenheid der ganse wereld aangeboden, gezegd worden?

In de eerste plaats, dat dit nog niet het woord is, waarop de wereld wacht. N.l. het verlossende woord. ‘) De wereld wacht daarmede immers op iets onmogelijks. Al zouden de conferenties alleen maar diepdoordachte, meer-dan-voortreffelijke ad/viezen hebben gegeven, meer dan adviezen zijn het niet. Anders dan in de Middeleeuwen, toen de staat handlanger der Kerk wilde zijn, is er nu niet een instantie die haar woord gezag van dwingende aard bijzet. De kerken begeren dat ook niet. Maar daardoor wordt het spreken der kerken anders. Daardoor kan zij, bij alle sterkgevoelde verantwoordelijkheid, dingen zeggen, die niet zij, maar de Staat slechts zou kunnen verwerkelijken. En de regeringen liggen niet ademloos-gespannen te luisteren aan het sleutelgat der conferentiezalen. Zelfs bij de jongste begrotingsdebatten van een land, dat toch zeker tot de allerchristelijkste mag gerekend worden, en in welks ministerie persoonlijke invloed van deze conferenties niet onmogelijk mag worden geacht, is weinig naklank van dat Oxford te bespeuren.

In de tweede plaats dragen de rapporten tezeer het uiterlijk van het land, waar ze geboren zijn. Daar kunnen de conferenties niet veel aan doen. De Duitsers, beroemd en berucht om hun zin voor probleemstellingen, mochten van Hitler niet komen. Daarmede werden de conferenties geamputeerd, en liepen zij mank. Niet, dat de zeer principiële verdediging der democratie en de afkeuring van rassenbeginselen onze volle instemming niet zouden kunnen hebben. Integendeel. Maar deze woorden zijn niet vastgesteld na hete strijd met hen, die de rassentheorie en het leiderschap zouden kunnen verdedigen. Nu is de conclusie der rapporten, hoe juist op zichzelf ook, van haar kracht beroofd.

Verder kunnen wij vaststellen, dat in het rapport over de verhouding van Kerk, Volk en Staat tot de economische orde vele principieel socialistische geluiden worden gehoord. Als op blz. 134 staat, dat het voor het christelijk geweten stuitend is, dat er macht bestaat, die uitgeoefend wordt door enkele personen of groepen, die niet verantwoordelijk zijn aan enig orgaan van de maatschappij, dan beaamt de religieussocialist dat ten volle. Vele woorden van socialistische strekking zouden te citeren zijn. Zij doen ons vertrouwen hebben in de openheid van de opstellers. Zij doen ons zien, dat Kerk en conservatisme niet altijd hetzelfde behoeft te zijn.

Maar dan worden wij op een zeer centraal punt toch weer teleurgesteld. Het rapport bespreekt n.l. nergens, hoe de verhouding moet zijn met de politieke werkelijkheid. Hoezeer zijn oog geopend is voor allerlei maatschappelijke noden en tendenties, een bespreking van de politieke partijvorming op christelijke grondslag treft men er niet in. Dat moge voor de Engelse verhoudingen niet actueel zijn, voor de Nederlandse is zij dat bij uitstek.

En nu geven alle heldere uiteenzettingen over de bestaande toestand, over de verschillende mogelijkheden nog niet zo heel veel, als er geen bespreking volgt over de mogelijkheid van machtsvorming, over de bestaande politieke machtsverhoudingen. Het vermoeden zou kunnen rijzen, dat de Nederlandse delegatie tezeer overtuigd was van de voortreffelijkheid der Nederlandse partijverhoudingen, dan dat zij een principieel debat op dat punt begeerde.

Het rapport spreekt over veel. Maar het zwijgt over die beweging, die wel niet uitgaande van christelijke grondslagen, maar toch inderdaad doeleinden najaagt, die ook dit rapport als christelijk erkent. Dit zwijgen over de socialistische beweging is betreurenswaardig.

Zo heeft de Kerk gesproken, wellicht op de enige manier, waarop zij het nu kón doen. Wij kunnen daar dankbaar voor zijn. Maar wij willen toch graag nog meer horen, ja zouden ook nog iets willen zeggen, voor het laatste woord over de verhouding tussen Kerk, Volk en Staat gesproken is. L. H. RUITENBKRQ.

') Dat ligt aan de krachteloosheid der kerken, maar ook aan de onkunde der wereld.