is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 22, 26-02-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

Ontwapening en bewapening

ver Europa hangt nu reeds lange tijd als een zware donderbui het oorlogsgevaar. Als de lucht uren lang dreigend en donker blijft, went men eraan en is men geneigd te denken: Er komt zeker niets van! Zo heeft men geruststellend gezegd: De toestand is wel zeer gespannen, maar de volken en regeringen kunnen blijkbaar veel meer spanning verdragen dan vroeger; dat geeft hoop, dat de oorlog toch zal uitblijven.

Maar de bui zet nog meer op en wordt nog donkerder en men hoort nu ook een rommelen in de verte; er schijnt toch onweer te komen! Zo is de vrees voor oorlog de laatste maanden weer toegenomen. In het „conflict” met China trapt Japan telkens weer grote mogendheden lomp op de tenen. Duitsland heeft zijn vuist op Oostenrijk gelegd. De zeeroverij in de Middellandse Zee is als zet op het schaakbord der internationale politiek herhaald. De buitenlandse politiek van Duitsland wordt thans geleid door nieuwe heren, die hun kracht meer in brutaliteit dan in voorzichtigheid zoeken. Ook officiële vriendelijkheid kan de tegenstelling en naijver tussen Engeland en Italië niet verbergen. De handelsoorlog, de persoorlog en de radio-oorlog gaan voort. Hoe graag men ook anderen en zichzelf wil geruststellen, de waarheid dwingt te erkennen, dat we in een zeer gevaarlijke tijd leven en dat na korter of langer tijd de oorlog moet uitbreken, tenzij er onvoorzien grote dingen gebeuren, die de wereld in de richting van samenwerking en vrede sturen.

Onder de indruk van dit alles hebben we met meer dan gewone belangstelling de debatten in de Eerste Kamer gevolgd over de noodzaak der weermacht en haar versterking. Het deed ons goed, dat het aanvaarden van het beginsel der bewapening voor den woordvoerder der sociaal-democratie, Wiardi Beekman, blijkbaar een uiterste en bittere noodzakelijkheid was. Hij verklaarde na zware, innerlijke strijd de noodzakelijkheid der bewapening aanvaard ie hebben. Hij sprak zelfs van een heilige tegenzin van het hart. Hij heeft met vele anderen dus de nationale ontwapening als gewetenseis gevoeld; het zijn vooral zij, voor wie gewetenseisen onder alle omstandigheden onvoorwaardelijk gelden, die trouw zijn gebleven aan ontwapening, welke de gevolgen daarvan ook mogen zijn.

Prof. van Embden sprak voor bewapening in samenwerking met alle goedwillende volken. Alleen door samenwerking met deze landen kan onze weermacht de strekking hebben, de oorlog te voorkomen. Collectieve beveiliging van de vrede is echter voorlopig niets meer dan een schone wenselijkheid, waarop geen staat kan bouwen, zo min als de Volkenbond Abessinië tegen Italië en China tegen Japan heeft geholpen. Terwijl Prof. van Embden sprak voor bewapening, hield hij eigenlijk een rede voor ontwapening. Hij noemde de volgende oorlog de vernietiging van onze cultuur. Bij bewapening zonder samenwerking der goedwillende staten, zeide hij, stapelen we ons huis vol brandstof, die bij brand ook de bewoners van het huis zal vernietigen. Hij herinnerde aan de uitspraak van Albarda, dat nationale verdediging nationale zelfmoord betekent. De geschiedenis leert, dat de gewapende strijd tegen despotisme een volk ten gronde kan richten en het despotisme kan oproepen; de democratie gaat door de oorlog verloren.

~Kan men verwachten, dat na een oorlog ons volk de schat der volksvrijheden en der democratie ongeschonden zal hebben bewaard, zal de morele ontreddering niet groot wezen?” Volstrekter veroordeling van de oorlog is niet mogelijk dan in deze bepaling, die Prof. van Embden ervan gaf: amorele meting van brute krachten.

Er is ook voor de voorstanders van bewapening geen reden, om trots te zijn op onze weermacht, al is ze nog zo modern bewapend en keurig gekleed, om ermee te geuren als met een nationaal weeldegoed. Terecht protesteerde Wiardi Beekman tegen de uitlating van Dr. Deckers, dat hij met genoegen de unifor-

men weer in het stadsbeeld begroette. Meerderen vergeten, dat de soldaterij een noodzakelijk kwaad en de oorlog iets verschrikkelijks is, merkte Beekman op.

Men moest nooit zonder huivering een militaire uniform zien en zeker het leger niet gebruiken ter opluistering van nationale feesten zoals de geboortedag van de kleine prinses. Toch waren er ouders, die op die dag hun jongens in een soldatenpakje staken en militaire vertoningen behoren altijd tot de feestelijkheden, alsof het leger op pretjes en vrolijkheid en niet op de meest gruwelijke ernst gericht is. In de ~N.R.Crt.” zegt een inzender, dat onze nationale feestdagen sobere versiering en verlichting, dansen en hossen en propvolle café’s te zien geven. De straten zijn vol mensen, die dringen, om wat te zien. Maar er valt zo weinig te zien. Daarom moet de overheid zorgen voor parades of anderszins. Het publiek ziet gaarne wat militairen. Men kan zo tevens goede propaganda voor het leger maken. De krijgers van wilde volksstammen takelen zich zo afschrikwekkend mogelijk toe, om den vijand vrees in te boezemen: de krijgers der beschaafde volkeren worden mooi gemaakt met strepen en sterren en veren en kleuren, om op de hunnen een feestelijke indruk te maken en hen door schittering en glans te bekoren. Het eerste is meer in overeenstemming met de oorlogswerkelijkheid dan het laatste.

Geen mensvergoding

M et leiderbeginsel leidt tot vergoding en wij ons, dat men in Italië roept: De duce heeft altijd gelijk! en dat men in Duitse huizen het portret van Hitler als een heiligenbeeld tussen wijkaarsen kan zien. Er is echter ook in de Oranje-liefde, die zich ook bij de geboorte der prinses algemeen geuit heeft, iets sentimenteels en ziekelijks; alle leden der koninklijke familie schijnen volmaakt te zijn; zelfs de kleine gedroeg zich volmaakt en gaf geen kik bij de aangifte der geboorte.

Na de verloving van Juliana en Bernhard hoorden wij een gereformeerden predikant waarschuwen tegen Oranjevergoding; er was veel in de preek, waarmee wij het niet, maar daarmee waren wij het van harte eens.

~De Standaard” wijst nu voorzichtig op het buitensporige in de berichtgeving omtrent het Kon. Huis. Aan de uitbundigheid daarin behoort allengs een einde te komen. De nuchtere zin van ons volk zal daartoe wel leiden. Zo oordeelt het ant.-rev. orgaan.

Er is ook een verregaande, ergerlijke onbescheidenheid ten opzichte van het persoonlijke leven van vorstelijke personen, wier hele leven, al hun doen tot een kijkspul voor het publiek wordt gemaakt. De krant meldt: Prinses Beatrix geniet het voorrecht der natuurlijke voeding. In 1909 meldde de pers: Van de aanvang af is de Koningin ernstig voornemens geweest Haar kind zelf te voeden. Dit voornemen is uitstekend verwezenlijkt kunnen worden.

Moet het als een merkwaardigheid door de pers publiek gemaakt worden, dat in een paleis een jonge moeder graag haar natuurlijke plicht jegens haar kind vervult, blij is, ook hierdoor het jonge, haar dierbare leven te kunnen dienen en beschermen? Is dat dan zo bijzonder bij een prinses of koningin? Hebben hoge vrouwen dan over het algemeen zo weinig liefde voor hun kinderen, vrezen ze voor de last en de gebondenheid, als ze hun kind zelf voeden of voor de wanstaltigheid, die naar bedorven en voorname smaak het vrouwenlichaam krijgt, als het kind borstvoeding ontvangt? Vinden zij het misschien vies, dat hun lichaam deze prachtige, natuurlijke functie verricht ten bate van het kind, dat in dat lichaam gegroeid is? Dat alles schijnt inderdaad wel eens in de wereld der hoogsten voor te komen. Maar dat is geen reden, om een hooggeplaatste vrouw te prijzen, als zij de taak van haar moederschap met evenveel vreugde vervult als een arbeidersvrouw. En het bewijst zeker geen fijn gevoel tegenover een vorstelijke persoon, dat de pers zelfs in de kraamkamer gluurt en het doen van een jonge moeder als nieuwtje de wereld inzendt.

Goddelijke en redelijke wetten

In het Kameroverzicht van „Het Volk” van 'enige dagen geleden lazen we, dat vele sociaaldemocraten in eerbied leven voor de goddelijke wetten, maar er zijn ook sociaal-democraten, die niet in deze goddelijke wetten geloven, maar in eerbied leven voor de wetten der rede, voor de onschendbare zedewet. De laatsten staan geen millimeter lager dan de eerstgenoemden.

Naar onze mening kan de zedewet niet alleen uit de rede verklaard worden; wij vinden in haar elementen, die uit menselijke overwegingen en belangen niet te herleiden zijn, iets heiligs. De leer, die door Marxistische voormannen wel verkondigd is, dat de geboden van zelfopoffering, eerlijkheid, trouw tegenover den vijand der klasse niet gelden, doet ons denken aan de nat.-socialistische rechtsopvatting. Recht is alleen, hetgeen de Staat dient. Troelstra heeft er echter indertijd op gewezen, dat we bij Marx een andere en hogere. opvatting van zedelijkheid vinden; van hem toch is de zin uit de statuten der Eerste Internationale: Dat de internationale arbeidersassociatie en alle tot haar behorende verenigingen en individuen waarheid, recht en zedelijkheid erkennen als de grondslag van hun optreden onder elkaar en jegens hun medemensen, zonder onderscheid van kleur, belijdenis of nationaliteit.

Hier hebben we dus ook een onschendbare zedewet, maar Marx heeft haar zeker geen goddelijke wet willen noemen. Toch achten wij haar niet te verklaren zonder de werking enere hogere orde en macht, een gebiedende levensmacht, die niet van buiten uit de mensenwereld zich geldend maakt.

Wie er hoger staan, de aanhangers en dienaren der goddelijke wetten of der onschendbare zedewet? Wij beschikken niet over een ellestok, om personen zedelijk te meten. Ook is het wijzer zich meer om eigen zedelijk peil te bekommeren en te bedroeven dan om dat van anderen. Wij moeten ons dan ook hoeden voor de mening, dat wij de betere mensen zouden zijn; een mening, die men zelden of nooit onder ons kan horen. Maar wel mag men oordelen over het beginsel en zijn oorsprong en dan bevredigt onze opvatting van goddelijke wetten ons meer dan die van de onschendbare zedewet, die in de rede haar oorsprong vindt. J. A. BRXJINS.

5e Religieus Socialistisch Congres te Amsterdam op 26 en 27 Februari 1938

REISGELEGENHEID. Het zal u uit de krant van de vorige week bekend zijn dat vervoer per spoor tegen extra goedkoop tarief mislukt is, omdat een groot aantal congresgangers per gezelschapsauto komen en wij daardoor het risico niet durfden nemen een waarborgsom te storten van ƒ 500, een eis, waar de Ned. Spoorwegen niet van af wi'den stappen. Laat men nu trachten zoveel mogelijk te reizen per gezelschapsbiljet. Misschien kunnen verspreide congresbezoekers aansluiting vinden bij de naastgelegen R.S.G.

LOGIES. Alle congresgangers zijn ondergebracht. We hebben op ’t ogenblik zelfs meer bedden dan slapers. Dat is dus voor elkaar. Speciaal bericht aan hen die gratis logies hebben aangevraagd, wordt niet gegeven. Deze mededeling is wel voldoende, nietwaar? Dus nog eens: Voor onderdak is gezorgd.

Wie vroeg in de middag in Amsterdam aankomt en z’n tas kwijt wii, kan terecht in de Vrije Gemeente, Weteringschans. Tot zes uur zal er iemand van ons aanwezig zijn om inlichtingen te geven. Dan gaan de deuren dicht tot half acht.

VRIENDELIJK VERZOEK AAN ALLEN DIE ZATERDAGAVOND IN DE VRIJE GEMEENTE AANWEZIG ZIJiV: Als ons gemeenschappelijk lied gezongen is, loop dan niet weg. Ga nog even ruslig zitten. Misschien kunt ge ’n boodschap meenemen voor uw buurman, die ook ’n uur verder woont en op ’n gast zit te wachten die niet is komen opdagen.

TRAMLIJNEN van Centraal Station naar Vrije Gemeente: lijn I en 2. Van Weesperpoortstation lijn 6, 7 en 10. Wie zich nog niet heeft aangemeld en toch nog komen wil, hij kome. Achter in de zaal kan een schot worden weggenomen, waardoor nog heel wat ruimte is te maken. Ook voor eters en slapers die zich niet hebben opgegeven, is nog wel ’n plaatsje te vinden.

Tot Zaterdagavond dus in Amsterdam!