is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 24, 12-03-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK I

De Sowjet-goden hebben dorst...

De vervolgden

De Belgische schrijver Charles Plisnier heeft vorig jaar in zijn roman Faix Passeports (Valse passen) een uiterst belangwekkende kijk op die kant van de Moscouse monsterprocessen gegeven, die voor ons eigenlijk het gruwelijkste raadsel vormt: de houding der beklaagden. Plisnier, die lange jaren in intiem contact heeft gestaan met die duistere wereld van de Komintern, heeft alle vernuftige en melodramatische onderstellingen ter verklaring van de beruchte „zelfbekentenissen” afgewezen en de oplossing voor het raadsel menen te vinden in de communistische moraal.

Wat de hoofdpersoon in één van zijn verhalen, Jegor, ertoe brengt in het proces van Zinowjew—Kamenew, in Augustus 1936, alles te bekennen, wat de rechtbank van hem vergt, Is zijn onwrikbaar geloof in de alleenzaligmakende macht van de „Partij”. Die „Partij” is een mystiek lichaam, een gemeenschap van vlees en bloed, waartoe men behoort met lichaam en ziel, waaruit men leeft en waarvoor men alles offert. Zoals Jegor eenmaal een ten onrechte van verraad beschuldigden bataljonsleider in de revolutietijd welbewust ter dood liet brengen, zo eist hij ook voor zichzelf het doodvonnis. „Stepan”, zeide Jegor tot den soldaat, die wel sterven wilde, maar niet in onverdiende schande, „men kan meer schenken aan de Partij dan alleen het leven!” En Stepan zweeg en zeide eindelijk: „Goed dan!” Jegor’s eigen laatste verzoek was, dat men hem zou geloven, wanneer hij verklaarde, al die gemeenheden tegen de Partij te hebben begaan.

Deze „bezetenen” offeren voor hun kerkzonder-Christus, strijdgemeenschap voor het hiernamaals der klasseloze maatschappij, niet alleen hun en anderer leven, maar ook het besef hunner menselijke waardigheid, de eer van hun ziel.

Geeft Plisnier ons op deze wijze de sleutel ook tot het mysterie van het proces der Eénen-twintig? Wij zouden niet graag willen beweren, dat van het „Blok van rechtse Trotzkiïsten”, een vreemdsoortig mengsel van allerlei stromingen in de Sowjet-Unie, alle elementen door dezelfde partij-hartstocht werden bezield. Ook valt niet te onderstellen, dat op deze nieuwe slachtoffers van den Moloch van het Kremlin geen brutale of geraffineerde dwangmiddelen zouden zijn toegepast. Boecharin en Rykow, die reeds bij de vorige grote processen waren betrokken, verkeerden reeds in Maart 1937, toen zij in een zitting van het centrale comité van de communistische partij werden verhoord, in een toestand van „lichamelijke en geestelijke aftakeling”. Bij Boecharin constateerde de buitenlandse pers in November 1937 duidelijk een verlamming, die zijn gelaat had misvormd!

Maar zijn alle geestelijke en lichamelijke martelingen in staat te verklaren, waarom een Rakowski dan toch met energie en overtuiging zijn „bekentenissen” aangaande spionnage enz. voordraagt en waarom Boecharin wel genoeg ,bij” is, om op de aard en omvang van zijn beschuldigingen af te dingen en den rechter betweterig te corrigeren, maar niet om luidkeels te protesteren tegen de mishandelingen, waaraan hij heeft blootgestaan? Dat deze, waarlijk niet naïeve persoonlijkheden, na de ervaring met de vorige processen opgedaan, nog illusies zouden hebben omtrent hun lot, is natuurlijk niet uitgesloten, maar toch wel onwaarschijnlijk.

Krestinski protesteerde, maar hoe lang? De berichten omtrent zijn lichamelijke instorting, die bij de herroeping zou zijn gebleken, schijnen niet juist te zijn. Eerder kan men denken aan pressie door bemiddeling van zijn

vrouw, die Krestinski tot „rede” zou hebben moeten brengen.

Maar naast en boven deze uitwendige dwang blijft er een onverklaarbaar innerlijk element. En dan zegt het ons misschien iets, dat Boecharin ook een „bezetene” was, die enkele jaren geleden nog aan hen, die hem vroegen, waarom hij zich tot de politieke lijn van Stalin had bekeerd, had geantwoord: „Men moet niet gelijk willen hebben tegen de partij in ” En van Rakowski getuigt Vandervelde in de Brusselse „Peuple”, hem, toen hij gezant was te Parijs, te hebben horen zeggen: „Wij, bolsjewieken, wij vormen een congregatie (geestelijke orde), wij gehoorzamen perinde ac cadaver”!

„Perinde ac cadaver” „als een lijk”: het is de gehoorzaamheidsbelofte van de Jezuïeten die men hier uit de mond van een Twintigste Eeuwsen bolsjewiek hoort. Van die orde, die van haar dienaren vergde „zwart te noemen, wat zij wit zagen, wanneer de Kerk zei, dat het zwart was”.

Mensen als Boecharin, Rakowski en Krestinski het geval van Jagoda, de ex-beul, staat op zichzelf zijn geen sentimentele dwepers. Hun partijhartstocht is meer van verstandelijke, dogmatische aard, terwijl misschien altijd een stuk zelfbehoud, moreel en materieel, bewust of onbewust, heeft meegesproken. Dat zij uit een soort berouw over vroegere onzuiverheden tot hun zelfbeschuldigingen zouden komen, is al even onwaarschijnlijk als de onderstelling, dat zij uit berekening de bekentenissen tot in het groteske zouden overdrijven: wat voor nut heeft het, of de buitenwereld daardoor de belachelijkheid der aanklacht des te beter zou inzien!

Er is stellig ook bij deze mensen een instinctieve wil tot leven te overwinnen geweest, maar de alle individuele persoonlijkheid verstikkende moraal van het bolsjewisme heeft ook hen tenslotte tot het offerschap aan den onverzadiglijken Russischen Moloch voorbereid. In de zelfvernietiging van haar dienaren ziet de onmenseiijke dictatuur de hoogste eredienst.

De vervolgers

In de pseudo-religie van de moderne ideologische dictatuur wordt aan den dictator allicht de luister van een soort „heiland” toebedeeld. In elk geval stelt een juiste hantering van dit machtige morele en psychologische instrument tot een mateloze machtsaanmatiging in staat.

De enige blijvende zin in de hele processenreeks, die men in de Sowjet-Unie de laatste jaren heeft meegemaakt, schijnt dan ook te liggen in de doorzetting van Stalin’s onaantastbare grootheid. Daartoe worden allen, die nog deel hadden aan de collectieve luister van de bolsjewistische pioniers uit de weg geruimd. En tegelijkertijd wordt door de onberekenbaarheid en schijnbare zinloosheid van deze juridische razernij den ~staatsburgers” elke lust tot objectieve en persoonlijke beoordeling ontnomen.

Het is moeilijk bepaalde politieke bedoelingen in het huidige, zowel als de vorige processen te zien. Wel geeft de inhoud van de aanklacht enige aanwijzing aangaande de oriëntering der bolsjewistische politiek. Niet voor niets worden thans, gelijktijdig met de conservatieve politieke koers in Engeland, allerlei verdachte betrekkingen met Britse spionnagediensten „onthuld”. Terwijl tijdens de verhoren zelf op naïeve wijze het Frans-Russische accoord nog eens extra als vredesfactor wordt geproclameerd. (Men had overigens met de bekendmaking van het proces zorgvuldig gewacht op de afloop der buitenlands-politieke debatten in het Franse parlement!) Ook de anti-fascistische propaganda spreekt duidelijk genoeg.

Voor de internationale politiek vormt dit proces echter een verdere liquidatie van de betrekkingen en verbindingen, die Rusland in het verleden met de buitenwereld heeft aangegaan. De betrouwbaarheid van de Russische diplomatie wordt daardoor, evenmin als door de vroegere processen, verhoogd. Voor de huidige heersers wordt daardoor de vrijheid tegenover het verleden vergroot. Dat wil zeggen: men kan meer kanten uit. Het liquidatieproces behoeft tenslotte nergens voor stil te staan, ook niet voor Litwinow’s polit'ek van toenadering tot het westen. In Stalin’s buitenlands-poiitieke brief aan Iwanow meende men de aankondiging van een kentering te bespeuren. Maar in welke richting, staat geenszins vast.

Voor wat de binnenlandse politiek betreft, zijn thans wel zo langzamerhand alle tactische richtingen aan de beurt geweest. Alleen al in den persoon van Boecharin heeft men het meest rechtse koelakkenrenegatendom als het links-revolutionnarisme van 1918 willen treffen, dat zelfs Lenin uit de weg zou hebben willen ruimen. In dit opzicht vormt de huidige vervolging de logische voortzetting van het proces van zelfvernietiging der communistische partij, dat nu reeds drie jaar lang aanhoudt en in het jaar 1937, „het jaar van den beul”, zoals Victor Serge het heeft genoemd, zijn hoogtepunt scheen te bereiken. Toen vond een ~zuivering” plaats onder schier alle bevolkingsgroepen: van Augustus tot November werden officieel 1203 executies gemeld! En gelijk op met deze golf van executies in het binnenland, ging een reeks ontvoeringen en mysterieuze verdwijningen in het buitenland, waardoor niet alleen Russische functionnarissen, maar ook ongewenste connecties of tegenstanders, met name in het republikeinse Spanje, werden getroffen. In Rusland zelf verdwenen oude Komintern-leiders ais Bela Kun en vele anderen, die in het „vaderland aller proletariërs” een toevlucht hadden gezocht.

Na deze zuiveringsactie en na de „verkiezingen” van December scheen in het begin van dit jaar een „reactie” in te treden tegen de „zuiveraars” zelf, die merkwaardigerwijs al spoedig met dezelfde heftigheid werden gebrandmerkt als zij het voorheen hun slachtoffers hadden gedaan.

Stalin troont thans hoe langer hoe eenzamer hoog boven op de Sowjet-Olympus. Nieuwe, tweede-rangs-figuren, merendeels uit een generatie, die door geen traditie wordt gebonden, en ook „geheiligd”, omringen hem. De schijnbaar zinloze razernij tegen vervolgden en vervolgers, tegen oude rotgenoten en jonge ijveraars heeft een absolute vernietiging van elke individuele wil, ieder persoonlijk oordeel en elk zelfstandig politiek initiatief tot resultaat. In het twintigste Sowjet-jaar, het jaar van de ~democratische constitutie”, neemt de Leviathan van de Russische dictatuur afzichtelijke vormen aan en wordt Stalin’s wU even onaantastbaar en onbegrijpelijk als het noodlot zelf. B. W. SCHAPER.

STALIN’S NACHTMERRIE.