is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 25, 19-03-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na ons congres

Een tweede antwoord

op de vragen van A. R. de Jong

Om het onze lezers gemakkelijk te maken, geven wij opnieuw de vragen:

1. Is het niet van belang, dat mensen die de religie primair stellen, bij hun strijd voor een menselijker samenleving, elkander zouden vinden op een wijder gebied, dan begrensd wordt door gelijke politieke opvattingen?

2. Is het voor de bloei van het religieuze leven niet van belang, dat centrale religieuze bijeenkomsten worden georganiseerd, waar ook zij zich kunnen thuisvoelen, die minder op parlementaire methodes, dan wel op de zelforganisatie „van onder-op” hun vertrouwen hebben gesteld?

"3. Zouden zulke algeméne religieuze samenkomsten-niet kunnen bijdragen tot de zo noodzakelijke onderlinge, herkenning en waardering, die alleen de vrije samenwerking der toekomst van verschillend georiënteerden mogelijk maakt?

4. Is het wel gewenst, om religie nadrukkelijk te verbinden met „christeiijke” godsdienst? En is het niet wenselijk in dit verband de quaestie ~kerkelijk als minder belangrijk te beschouwen?

5. Is, daar geen practische organisatie geheel zonder grenzen kan arbeiden, het integrale anti-militarisme, erfenis van het zuiverst religieuze denken en streven aller eeuwen

en aller volken, niet de meest geëigende en meest noodzakelijke beperking voor een beweging van religieus-opstandigen in deze tijd?

Vijf vragen, neen!

Ds. A. R. de Jong stelt vijf vragen aan het Religieus-Socialisme. Vragen, geboren uit eerlijk verlangen naar contact, uit verplichting jegens een on-religieuze wereld.. Vragen dus, waarnaar wij moeten luisteren.

Echter, met vragen moet men oppassen. Elke vraag houdt reeds een beperkte keuze van antwoorden in. Vóór wij aan het antwoord toe zijn, moeten wij onderzoeken, of wij de vragen zelf als vraag werkelijk kunnen aanvaarden.

Ik meen, dat wij geen van de vragen kunnen beantwoorden, omdat zij problemen opgeiost veronderstellen, die in feite onder ons nog niet opgelost zijn, of die wij op andere wijze oplossen. Laat mij dit trachten aan te tonen.

Vraag 1. Wij stellen inderdaad de religie primair bij onze strijd voor een menseiijker samenleving. Wij nemen die strijd echter niet in abstracte zin, maar sluiten ons bewust aan bij bestaande bewegingen, die koersen naar zulk een menselijker samenleving i.c. de socialistische arbeidersbeweging. Wij komen niet samen met gelijke politieke opvattingen, maar met gelijke oriëntering naar een concrete beweging, met al haar grenzen en bezwaren. De zaken zo staande, aanvaarden wij de eerste vraag niet en zeggen wij dus: neen.

Vraag 2. Voor de bloei van het religieuze leven, beleggen wij geen bijeenkomsten, waar men zich thuis behoort te voelen. Wij komen samen om, tegen de achtergrond van ons gemeenschappelijk belijden (dat weliswaar heel vaag is, maar toch duidelijk zich steeds meer oriënteert naar het „positieve” christendom) te onderzoeken, wat onze taak is in het maatschappelijk geheel, en wat ons woord van getuigenis is tot hen, die geen gesprek wensen tussen socialisme en godsdienst. Daarbij zal zeker ook de aandacht geschonken moeten worden aan die groep, die haar vertrouwen

stelt in de organisatie „van onder op”, echter niet opdat zij er zich thuis zou voelen, wei omdat zij tot de zij het niet belangrijke maatschappelijke verschijnselen behoort. Ons op die groep in het bijzonder te richten en ons van de andere groepen te vervreemden, zuilen wij niet doen. Hier klinkt dus: neen.

Vraag 3. Algemeen religieuse samenkomsten kunnen bijdragen tot noodzakelijke herkenning en waardering. Maar wie deze wil, omdat die herkenning en waardering nodig zijn voor de vrije samenwerking der toekomst, beperkt het doel van het samenspreken, door van tevoren een richting aan te geven. Bovendien: samenspreken is even nodig als gevaarlijk. Woorden snijden als messen. Zij wekken bewustheid, die doet vervreemden. Door samenwerking kan gemeenschap ontstaan, door samensprefcen ontstaat veelal diepe scheiding. Tot deze vraag zeggen wij dus: neen.

Vraag 4. Is het niet gewenst de kwestie „kerkelijk-buitenkerkelijk” als minder belangrijk te beschouwen? vraagt Ds. De Jong. Deze vraag doet niets terzake. De vraag naar de Kerk stellen wij niet, zij wordt ons eenvoudig gesteld. Er worden vaak zoveel vragen gesteld, ,die wij niet gewenst achten, maar die ons opgedrongen worden. En dan kunnen wij van het Kerkprobleem zeggen, dat dit probleem het politiek en godsdienstig leven van dit ogenblik beheerst. Persoonlijk acht ik dit een zegen, al ontgaan de gevaren mij niet. Ds. De Jong zal hier in de meest letterlijke zin gehoorzaam, d.i. bereid om te horen, moeten wezen. Niet hij kan de problemen dwingen. De problemen dwingen ons. Vraag vier: neen.

Vraag 5. Is het integraal anti-militarisme, erfenis van het zuiverst religieus denken en streven van alle eeuwen en volken, niet de meest geschikte beperking voor een beweging van religieus-opstandigen? Mis. In de eerste plaats zijn wij geen religieus-opstandigen. Wie van de opstand een geloofsbeiijdenis maakt, vergeet, dat . opstandigheid geen levenshouding, maar een bepaald gebod in een bepaalde situatie is. Zoals het denkbaar is, dat wij ook op een gegeven ogenblik vechten moeten voor watr wij behouden willen, dus religieus-conservatief zouden kunnen zijn. In de tweede plaats is in religie nooit enig menselijk standpunt integraai. De eredienst van alle eeuwen begint immers met schuldbelijdenis! In de derde piaats is de strijd tegen het militarisme een typisch 20ste eeuWse strijd, omdat het militarisme, dat wij nu bestrijden, vroeger niet bestond. In de vierde plaats zoeken wij geen beperking om tot organisatie te komen. Wij vinden onze grenzen voorhanden in de bewegingen en de problemen, die wij op onze weg ontmoeten. Deze laatste vraag achten wij derhalve op alle onderdelen fout gesteld, dus zeggen wij wederom: Neen.

Zijn wij echter nu met dit vijfmaal neen van deze vragen af? Wel, inzoverre wij ze fout achten. Niet, wanneer wij zien naar de achtergrond, vanwaaruit ze gesteld worden. Het is de achtergrond van het religieuse libertaire socialisme. Wij erkennen in die vorm van religie en van socialisme een critiek op de huidige tendens van dogmatisering in het godsdienstig en van verzakelijking in het politieke leven, een critiek, die wij ter harte dienen te nemen. Die critiek levend te doen houden, doeltreffend te doen zijn, is het werk van ds. De Jong. Daarvoor zal hij echter moeten beginnen de gegeven toestand van het religieus-socialisme als uitgangspunt te erkennen. Wij wUlen daarbij zo open mogelijk zijn. Wij willen luisteren. Maar dan niet op diverse voorwaarden, wel op grondslag van wederzijds vertrouwen, waarbij niets geforceerd, maar ook niets verdoezeld wordt.

Geestverwantschap tussen ds. De Jong en ons zal dan niet geforceerd, de grote scheiding niet verdoezeld worden. Wij zijn immers op zeer belangrijke punten gescheiden. Ons staan in de wereld is verschillend, onze methode is verschillend, ons doel is verschillend, onze waardeschattingen zijn verschillend. Als wij desondanks toch samen spreken willen, dan komt dat, omdat wij weliswaar duidelijke grenzen, maar toch ook wijde horizonnen begeren. Niets mag ons meer vreemd zijn, dan sectarische betweterij. L. H. RUITENBERG.

Groeiend verzet in Duitsland

Telkens ontmoet men mensen, die zich afvragen, waarom er in Duitsland eindelijk geen openlijk verzet uitbreekt. Daar worden immers voortdurend maatregelen getroffen, die ieder mens, die een beetje gevoel van eigenwaarde heeft, uittarten en in heilige verontwaardiging moeten brengen.

Deze gedachtegang is te begrijpen. Maar toch is hier te veel de buitenstaander aan het woord. Men heeft meestal geen goede voorstelling van de macht van het nieuwe régime en vergeet, dat zelfs de geringste poging tot organisatie naast de bestaande partijverbanden direct onderdrukt wordt. Verzet kan practisch alleen spontaan ontstaan naar aanleiding van een bepaalde, schokkende gebeurtenis. Maar dat wU zeggen, dat er eerst na het ontstaan de mogelijkheid (dus niet de zekerheid) van organisatie en machtsontwikkeling is. Het risico is dus wel heel groot en alleen zij, die een geweldige offerbereidheid hebben, en werkelijke doodsverachting kennen, zullen het misschien durven wagen. leder, die hierover ernstig nadenkt, zal weten, dat hij zijn verwachting dus niet te hoog mag opschroeven.

Toch leeft er verzet, ja zelfs in vrijwel alle kampen. Om maar iets te noemen: Niet alleen bij de katholieke en, in mindere mate, bij de protestante jongeren moet men niets van de Hitler-beweging hebben. Vooral ook de mensen van de vroegere vrije jeugdbeweging zijn voortdurend roerig. Onder deze z.g. ~bündische” jeugd waren er velen voor 1933 principieel nationaal. Zij hadden dus eerst grote verwachtingen van de N.S.D.A.P. Maar- zij waren ook het ergst teleurgesteld, toen bleek, dat het nationale niet ernstig gemeend was en de partij een van haar hoofddoeleinden zag in het bevoordelen van de eigen vriendjes. Uit- deze kringen komt dus ook telkens- de vraag: ~Waar waren dr. Goebbels, Vlktor Lutze, dr. Ley en al die anderen, toen wij in 1923 aan de Roer vochten, toen wij ons verzetten tegen de vreemde overheersing?” Dit verzet is zo sterk en ook al zo doorgedrongen in partij kringen, dat b.v. grote delen van de Hitler-jeugd, waar deze ervaren vrije jeugd leiding geeft, onbetrouwbaar zijn. Natuurlijk kan men niet dadelijk openlijk verzet verwachten, maar hoop mag men blijven koesteren.

Behalve het verzet tegen de kliekgeest, die alleen maar in naam nationaal en socialistisch is, leven er ook andere bezwaren. Het morele peil van verschillende officiële groeperingen is schrikkelijk laag. Zo wordt b.v. van betrouwbare zijde meegedeeld, dat het aantal z.g. onwettige geboorten bij de meisjes van veertien tot zestien jaar, die aan het ~landjaar” of de „arbeidsdienst” deelnemen, groot is. Een moeder, die haar dochtertje daarover onderhield, kreeg dit antwoord: „Ik ben er trots op, het Duitse volk een kind te schenken en als je daartegen nog meer inbrengt, geef ik je aan en breng je in het concentratiekamp”. Natuurlijk dulden steeds meer ouders een dergelijke, aangeleerde mentaliteit slechts, omdat ze geen middelen van verweer kennen. Ook hierdoor groeit intussen het verzet bij de jongeren, die dit niet willen, en bij de ouderen. In dit verband moeten ook de bezwaren genoemd worden, die uit hygiënische en religieuze overwegingen ingebracht worden. Zelfs de Rijkssportleider moest onlangs protesteren tegen het eeuwige marcheren in de Hitlerjeugd. Een aantal voetspecialisten heeft- verklaard. dat daardoor de voetziekten de laatste tijd reusachtig waren toegenomen. Zo verzet men zich echter ook tegen het feit, dat het „landjaar” dusdanig is ingericht, dat de jongeren practisch niet kunnen deelnemen aan de godsdienstige vorming. Roomse jongeren worden b.v. naar het overwegend protestantse Oost-Pruisen gebracht en omgekeerd protestantse jongeren naar Beieren.

Het hoeft dus ook niet te verwonderen, dat van alle kanten telkens weer geprotesteerd wordt en dat een Engels jeugdleider, die vrij