is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 26, 26-03-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PILOOT

VI

O God, die angst toen eensklaps op mijn vlucht

boven de zee, tussen de bolle wolken.

de bliksem insloeg en een vleugel brak, en ik aftuimelde uit de donkre lucht,

en mijn machine met een zware smak

neerplonsde in ’t hoog opspattend golvenkolken, en ik mij vast kon klemmen aan het wrak —■

maar zou zijn uitgeput, verkleumd van koude,

was er een stem niet die mij moed toesprak: Als door een wonder bleef ik toen behouden.

Maar God. die angst! nooit zal ik het vergeten

dat ik doorleefde in enkele seconden het achterliggend, afgedaan verleden:

Hoe ik door donkere demon was bezeten;

hoe ik gemarteld werd en werd geschonden;

hoe ik geworsteld heb om licht, om vrede; hoe ik geschreid, gevloekt, heb en gebeden;

hoe ik gevangen lag in doem der zonde;

hoe ik gedwaald, gezocht heb en gezworven;

hoe ik op Golgotha zou zijn gestorven waar reeds mijn hart in bittre wanhoop brak,

en zou zijn uitgeput, verkleumd van koude, was er een stem niet die mij moed toesprak:

Als door een wonder bleef ik toen behouden.

ANDREAS GLOTZBACH.

Door de verkeerde deur

F. Bordewijk. De Wingerdrank. Nijgh en Van Ditmar, R’dam 1937

Een typisch highbrow-boek. Ik vraag excuus: dit is een highbrow-uitdrukking, die ik óf niet gebruiken óf nader verklaren moet. Met „highbrow” duidt men in Amerika de inteliectueel aan die zich op zijn meerdere cultuur wel wat laat voorstaan en geneigd is zijn inteiiectueelschap als een tovercirkel om zich heen te trekken: daarbuiten de wereid met haar grofheid en banaliteit binnen de cirkel de vrindjes waarmee hij praten kan.

Een typisch highbrow-boek. De grote massa van het lezend publiek zal het niet in handen krijgen, en men merkt aan den schrijver dat hij niet anders verwacht, en misschien wel niet anders verlangt. Hij richt zich, bewust, tot de mensen binnen de magische cirkel, degenen die de Vrije Bladen lezen, waarin het eerste van deze verhaien verschenen is, die met of zonder woordenboek de geleerde termen verstaan waar hij zijn werk mee bestrooit, en wier vernuft voldoende is gespitst om zijn ingewikkelde symboliek te doorgronden.

En toch een boek, dat een ruimere aandacht waard is. Niet eens zozeer nog om het onloochenbaar schrijverstalent van den heer Bordewijk, maar omdat wat hem bezighoudt tenslotte zo algemeen-menselijk, en tegelijk zozeer van onze tijd is. Het is —, ik weet het niet beter uit te drukken de situatie van de mens, die de verkeerde deur is binnengegaan in het leven.

Het is vreemd: wanneer men het gevoel heeft een schrijverspersoonlijkheid in haar essentie voor zich te hebben, zoals in de beste van deze verhalen, dan vervluchtigen alle litteraire onderscheidingen. Men heeft Bordewijk een realist willen vinden, om de nuchtere hardheid van zijn taal waarschijnlijk, en om de meedogenloze scherpte van zijn kijk op de werkelijkheid. „Meedogenloos” is een veel misbruikt woord, maar inderdaad, wie Bordewijk volgt in de verschrikkingen van zijn wereld, die op de een of andere manier toch onze wereld is, die wordt getroffen door de volkomen afwezigheid van mededogen. Een hard mens, denkt men; een nuchterling, een realist.

Maar ook bij de romantici heeft men hem in willen delen, want die wereld waarin zijn verhalen zich afspelen, hoe tastbaar werkelijk ook uitgebeeld, neen, wij laten ons tenslotte niet wijs maken dat dit de wérkelijke wereld is. Niet in het gewone, welvertrouwde leven bewegen zich zijn personen, het leven met zijn verdriet en zijn vreugden, met zijn bioedwarmte en menselijkheid, maar ergens daarbuiten, daarnaast. Een fantast is die schrijver, iemand met wrede verbeeldingen, waar hij de macht over heeft verloren.

Men herinnert zich misschien de roman Bint van denzelfden auteur, die nogal beroering veroorzaakt heeft vooral in onderwijskringen: die monsterlijke caricatuur van een H. 8.5., waar de despotische directeur Bint, zo’n vent van gewapend beton, zijn troep verdierlijkte misdadigers van leerlingen met geweld in bedwang houdt. Wat was die schooi: een nachtmerrie van een zwakken leraar, een uiting van fascisterige mensverachting; een boek met een strekking („zó moet zulk tuig geregeerd worden”), of misschien toch een litterair product zonder andere litteraire bedoelingen? De schrik en de verontwaardiging van veie welmenenden, waren zij gerechtvaardigd? Ik geloof dat de auteur zich in verschillende van deze verhalen zuiverder en met minder gevaar voor misverstand uitspreekt.

Het eenvoudigst in het verhaal „Keizerrijk”. Een jongetje met een neiging tot dromerij en sensatie wordt door een kiein dienstmeisje ingewijd in de Amsterdamse steegjeswereld, waar beide kinderen om het hardste lopen te griezelen. Een van de steegjes heet het Keizerrijk. En tot een ~keizerrijk” van vale misère, nee erger, van ondefinieerbare verschrikking wordt het kind die steegjeswereld, hoewel hij er nuchter beschouwd niets „ergs” beleeft. Argeloos jongetje, „zorgvuldig driehoekig afgehekt tegen uiterlijk geweld” door de genegenheid van zijn familie, het toeval en de gril van een onnozel dienstmeisje voeren hem die duistere wereld binnen, en zijn leven zal er de stempel van dragen. Het toeval, of lag ergens in zijn eigen geest het duistere keizerrijk altijd al op hem te wachten? „Ijzeren Agaven” is een variatie op hetzelfde thema. Een man, niet jong meer, staat op de rand van een faillissement, dat feitelijk aan

een ongelukkig toeval te wijten is. Geslagen van schrik, niet meer in staat om te vechten, verliest hij zijn greep op het leven en zinkt weerloos weg in versuffing en pauperisme. Hij is nog juist helder genoeg om het gruwelijke van zijn verval te beseffen, maar mist de macht om iets te doen, als een insect dat levend wordt ingesponnen.

het gaafste misschien en het meest indringend geschreven, levert ons voor de derde maal hetzelfde geval. Hier is het een beschaafd man, die na een periode van hevige slapeloosheid zijn geheugen verliest en, alweer door een toeval, juist in de luguberste wijk van de stad terechtkomt, waar hij onder de hoede van een onguur type, die hem eerst heeft uitgeschud, blijft voortvegeteren. Niet voor niets heet de stinkende gracht, die dit gore wereldje omgeeft, „Eiland”: wie er eenmaal binnen is geraakt, komt er niet weer uit; niet voor niets weigert de verroeste draaibrug, eenmaal geopend, zijn dienst.

Drie gevailen (het verhaal „Passage” levert er nog een vierde), dat mensen door een ongelukkig toeval in een wereld van verschrikking te land komen. Gewone normale mensen, die in behoorlijke omstandigheden leefden; maar op een ogenblik zijn ze a.h.w. een verkeerde deur door gegaan, meteen valt die dein achter hen in het slot en van hun gewone vertrouwde wereld zijn zij afgesneden. De wereld waarin ze zich terugvinden vertoont een griezelige gelijkenis met de werkelijkheid, het is alles té echt en te tastbaar om als een kwade droom te worden afgedaan, maar toch waarschuwt iets ons, dat dit het werkelijke leven niet meer is. Het is niet dat er achter die noodlottige deur zulke gruwelen voorvallen; er zouden èn uit de sociale werkelijkheid èn uit de wereld der instincten heel wat erger dingen te vertellen vallen dan Bordewijk hier beschrijft. Armoede en vervuiling heersen in de eerste drie verhalen, in „Passage” blijft alles in het burgerlijk-nette; maar men voelt, het gaat niet om de armoede, maar om de eigenaardige verstarring, die zich hier van alie leven heeft meester gemaakt en zelfs de agaven tot „ijzeren agaven” heeft versteend. Een verstarring, die tenslotte niet buiten de mens kan zijn, maar dreigend achter God-weet-welke deur aanwezig is in zijn eigen geest.

Geladen met ondergangsgedachten is het werk van Bordewijk; tijdverschijnsel als zodanig; men ziet er werelden langzaam verpulveren, en bloeiend leven in één oogwenk in levende dood verkeerd. En de tegenkrachten zo weinige... Bordewijk ziet scherp, maar door de bril van zijn pessimisme. Belangrijker nog misschien dan zijn tijdsbeeld is het algemeen menselijk besef, door hem gewekt, dat werelden van verschrikking vlak naast onze vertrouwde werkelijkheid liggen. Een dunne wand, een enkele deur, God behoede ons ervoor.

En hoe komt de mens ooit weer uit het labyrint? Toch niet zo maar doordat hij wakker wordt uit zijn benauwde droom, en ook niet alleen per begrafenis, zoals Bordewijk ons wil doen geloven! Dan dunkt mij het oude verhaal van Ariadne’s draad de reddende liefde nog altijd rijker aan zin.

M. H. VAN DER ZEYDE.

De jonge leeuwerik

Hoog naar de gouden zonnebogen

Als een ijlfijne klank naar de lichte lucht, is een jonge leeuwerik getogen

in wirrelwarrßlende, wilde vlucht.

Ik droomde wat onder der korenaren

goudglanzende deining, aan het stille land en ben met hem omhoog gevaren,

bevrijdend naar de hoge hemelkant.

Toen als vervulling van oneindig [verlangen.

vloeide in een wondere klank

de kristallen schoonheid zijner zangen,

de levenwekkende, vrijheidsdrank.

CAREL KNEULMAN.