is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 27, 02-04-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na ons congres ■

Een laatste antwoord op de vragen van A. R. de Jong

Om het onze lezers gemakkelijk te maken, geven wij nog eenmaal de vragen;

1. Is het niet van belang, dat mensen die de religie primair stellen, bij hun strijd voor een menselijker samenleving, elkander zouden vinden op een wijder gebied, dan begrensd wordt door gelijke politieke opvattingen? 2. Is het voor de bloei van het religieuse leven niet van belang, dat centrale religieuse bijeenkomsten worden georganiseerd, waar ook zij zich kunnen thuisvoelen, die minder op parlementaire methodes, dan wel op de zelforganisatie ,jVan onder-op” hun vertrouwen hebben gesteld?

3. Zouden zulke algemene religieuse samenkomsten niet kunnen bijdragen tot de zo noodzakelijke onderlinge herkenning en waardering, die alleen de vrije samenwerking der toekomst van verschillend georiënteerden mogelijk maakt?

4. Is het wel gewenst, om religie nadrukkelijk te verbinden met „christelijke” godsdienst? En is het niet wenselijk in dit verband de questie „kerkelijk-buitenkerkelijk” als minder belangrijk te beschouwen?

5. Is, daar geen practische organisatie geheel zonder grenzen kan arbeiden, het integrale anti-militarisme, erfenis van het zuiverst religieuse denken en streven aller eeuwen en aller volken, niet de meest geëigende en meest noodzakelijke beperking voor een beweging van religieus-opstandigen in deze tijd?

Het is niet mijn bedoeling om nog eens uitvoerig op mijn wijze te zeggen, wat door de drie gepubliceerde antwoorden reeds duidelijk gezegd is. Ik veroorloof mij dus een andere behandeling der vragen van A. R. de Jong en ga uit van de eigen konkrete taak onzer religieussocialistische beweging, vooral naar haar praktische (dus niet theoretische, wijsgerige, theologische) zijde.

Welnu, dan is het er ons praktisch en konkreet om te doen, om de geesten in de sociaiistische arbeidersbeweging te beïnvloeden, om in deze beweging voor zover mogelijk, ónze opvatting van socialisme, die door onze godsdienstige overtuiging wordt bepaald, te doen doordringen. Nader geformuleerd: de tijd van het proletarisch Marxistisch socialisme is voorbij; het Plan-socialisme leeft uit geesteiijk andere achtergronden; deze dieper bewust te maken èn in de groepen die het socialisme thans bereikt én in de groepen die het nog bereiken moet, is mede onze taak. Men leze goed: „mede” onze taak.

Aan het werken aan deze taak kunnen De Jong en de zijnen ons niet helpen. Niet omdat zij minder vurig het kapitalisme willen bestrijden, of omdat zij minder religieus zouden zijn. Maar eenvoudig, omdat zij zich op grond van hun beginsel buiten de arbeidersbeweging stellen, en dus nooit een werkelijke invloed künnen uitoefenen. De „vernieuwing van het Socialisme” dat „Bevrijding” wil, richt zich op een socialisme, waaraan de konkrete arbeidersbeweging geen deel heeft. (Terwijl het ook nog al eens voorkomt, dat men deze konkrete arbeidersbeweging bewust en duideiijk buiten het socialisme stelt.) Wij kunnen, voor zover wij als intellektuelen aan de vraagstukken der arbeidersbeweging werken, allerlei waardevols van mensen als A. R. de Jong en B. de Ligt leren, hébben ook wel van hen geleerd maar met hen samen werken, om de geesten in de arbeidersbeweging te beinvloeden is uitgesloten. Voorwaarde daarvoor niet door reglementen of besluiten gesteld, maar in geestelijke gronden besloten —• is, dat men in alle eenvoudigheid lief en leed der arbeidersbeweging meedraagt. Vooral nu.

Daar komt iets bij. Principieel kiest ons socialisme voor de Staat als een uitermate belangrijke factor in dienst van de vernieuwing der maatschappij. Steliig is voor ons, evenals voor De Jong, de religie primair wat in dit geval wil zeggen, dat Staat en Overheid niet hun gezag ontlenen aan zichzelf noch zichzelf als hoogste norm mogen stellen. Maar in de strijd voor een menselijker samenleving richten wij ons óok tot de Staat en dus kan van

een enigszins vruchtbare samenwerking met principiële anarchisten geen sprake zijn. Het Spaanse gebeuren bewijst enerzijds hoe in een ure des gevaars anarchisten, socialisten, communisten bij elkaar komen anderzijds hoezeer deze tragische gespletenheid oorzaak van ondergang wordt. De aanwezigheid van een gemeenschappelijke vijand is geen voldoende hechte basis voor tijdelijke samenwerking.

Tot dezelfde conclusie kom ik, wanneer ik let op een ander stuk van onze konkrete taak: invloed uit te oefenen op de Christelijke groeperingen in ons volk, óok in de kerken. Ik wijs hier op twee feiten, waarvoor vermoedelijk De Jong ook wel oog zal hebben.

Het eerste feit: terwijl de onkerkelijkheid toeneemt en ook de buitenkerkelijke religie vrij groot is, heeft deze laatste volkomen fiasco geslagen in een toch uitermate gewichtig punt n.l. hoe deze buitenkerkelijken geestelijk samen te binden. De Nieuwe Gedachte van Kees Meijer is precies op dezelfde manier mislukt als de Zondagsbijeenkomsten van het Rel.-Soc. Verbond. Wat men daar bood was... interessant, kultureel, aesthetisch en wat men meer wil maar het was niet in de diepte bindend. Een religieuse vernieuwing is niét gekomen uit de buitenkerkelijkheid daarvoor was zij te individuaiistisch en atomistisch, ook als zij zich socialistisch noemde of noemt. Het tweede feit: de invloed van de Kerkstrijd in Duitsland. In een blijkbaar goed geinformeerd blad der socialistische jeugdbeweging ~Kameradschaft” (Dec. ’37) treft mij hoe socialistische jongeren door de gebeurtenissen der laatste jaren de weg tot het Christendom, tot de kerk hebben teruggevonden. Als het woord, dat de kerk spreekt, maar direct ingaat tot de nood van de tijd.

Beide feiten laten m.i. zien, dat de ontwikkeling, die de 19e eeuw te zien gaf op religieus gebied, volstrekt niet definitief behoeft te zijn. Nu liggen natuurlijk Evangelie en Kerk niet op eenzelfde vlak: h.et Evangelie wil beoordeeld worden naar de waarheid die het brengt, de Kerk heeft instrumentele waarde. Een religieus-socialisme, dat zich van Christendom en Kerk isoleert, wordt even armetierig als de tot nog toe bestaande buitenkerkelijke stromingen, die de Kerk willen missen... èn haar nadoen.

Vroeger was vrij algemeen onder ons deze gedachtengang: versterk de buitenkerkelijke religie en iaat de Kerk aan haar lot over. De gedachtengang overschatte de vormkracht der buitenkerkelijkheid, was taktisch ook fout: de Kerk overlaten aan konservatieven verzwakt óns. Vandaar dat het rel.-soc. m.i. terecht het verband met de levende krachten van Christendom en Kerk erkent en wii bewaren, zonder van de religieus-socialisten een ondertekening van een belijdenis te vragen.

Ten slotte: ik hecht er waarde aan, om mij aan te sluiten bij de anderen, die vraag 5 van De Jong hebben afgewezen; ik deel hun motieven. Ik voeg er aan toe, dat het begrip „religieus-opstandigen” volmaakt onbruikbaar is, omdat het niets zegt. Er zijn „religieusopstandigen”, met wie wij ons diep verbonden, anderen van wie wij ons volstrekt gescheiden weten. De vragen, die hier gesteld moeten worden, zijn deze:

opstandig tegen wie en wat? opstandig op grond van welk geestelijk motief?

opstandig goed, maar wat wilt en kunt gij bouwen?

De opstandigheid om haar zelfs wil is een even gevaarlijke demonie als het Staats- of welk ander absolutisme. Voor ons gaat de scheiding der geesten dan ook niet naar het schema: opstandigheid of berusting. Een meer wezenlijke scheiding wordt openbaar, als de vragen zo pas gesteld, beantwoord worden. Het bovenstaande wordt geschreven in een besef, dat klaarheid volstrekte eis is maar ook in een besef van aanwezige tragiek: wij kunnen ons menselijk aan De Jong verbonden weten; wij kunnen ook geioven, dat uit de Eeuwigheid gezien onze scheidingen alle relatief zijn en hebben toch op het terrein van sociale en geestelijke strijd uit te spreken, dat samengaan op grond van diep liggende verschillen in doelstelling niet mogelijk is. Moge het uitspreken van het laatste te sterker de menseiijke verbondenheid doen beseffen. W. B.

Vaderlandse Geschiedenissen

D. Hans. De Oranje-dynastie. Regeerende Vorsten uit het Huis van Oranje-Nassau. (Een deel of zes deeltjes.) Leiden, Sythoff, 1938.

Dit werk is blijkbaar bedoeld als populaire tegenhanger van dat van Dr. Japikse, hetwelk twee keer zo dik, drie keer zo duur en vier èi vijf keer zo wetenschappelijk is. In ’t algemeen valt het te prijzen: de schrijver heeft Japikse, maar ook Blok, Gosses, De Beaufort e.a. met vrucht geraadpleegd en schrijft bevattelijk. De illustratie valt eveneens te roemen.

Dat overigens reeds vrij lang geleden gebeurtenissen nog slecht vaststaan, blijkt uit het verschillend opgeven van de doodsoorzaak van kroonprins Willem in 1879 te Parijs. Volgen Hans (pag. 223) kwam hij om in een duel; volgens Japikse (II pag. 270) stierf hij aan longontsteking!

Wij zouden het hierbij kunnen laten wanneer niet het werk van den heer Hans bij nadere beschouwing ernstige bezwaren deed opkomen.

Daar hebben we al dadelijk de ondertitel „Regerende vorsten”. Boudweg wordt het hier dus voorgesteld, alsof van Willem de Zwijger tot Wilhelmina elf Oranje’s over ons hebben „geregeerd”. Nu weet ik wel, dat men kan tegenwerpen: Ja, dat is maar bij wijze van spreken! maar dat is dan toch een zeer onjuiste en zeer misleidende wijze van spreken; te erger, omdat de schrijver zelf beter weet (als hij niet beter wist, zou hij ook een stumper zijn) en dus óf zijn lezers bedriegt óf zichzelf. Het laatste nemen wij, als vleiender, aan. Doch dat is dan meteen een symptoom, dat nodig aan de kaak moet worden gesteld. Want het zijn duizenden slappe zielen in Nederland tegenwoordig, die Hans zodoende in ’t gevlei komt.

De gewone lezers (voor dezulken is immers dit boek geschreven) zullen gaan lezen met de ondertoon van dat „regeren” in het onderbewustzijn. Zijn zij niet al te slim of niet al te oplettend, dan zullen zij niets van de tegenspraak in ’s heren Hansen artikels bemerken. Zijn zij wel slim en wel oplettend, dan zullen zij dit wel doen. Er zullen veel slachtoffers zijn. Over Willem den Zwijger horen we, dat hij door onzen wettigen landsheer, den koning van Spanje, stadhouder (dus: plaatsvervanger van dien koning) in het gewest Holland wordt gemaakt. Tegen dien koning staat men eerst op (in naam slechts tegen zijn ambtenaren) en later zweert men hem af. Logisch zou dus zijn, dat zijn stadhouders toen mede verdwenen. Aangezien prins Willem echter, met opoffering van alle eigenbelang, aan de zijde van de opstandelingen was gaan staan, ging die logica hier niet op. Maar af gezien van zijn persooniijkheid, hing zijn positie dus min of meer in de lucht. Baas in het land zijn de Staten, een zeer beperkte bloemlezing uit de geestelijke kracht van het volk. De heer Hans verzuimt echter dit duidelijk uit te spreken vanwege het „regeren”!

Op een goed moment moet het hoge woord eruit. Het komt bij Maurits, over wien gezegd wordt: „Van erfopvolging was, in dien tijd, geen sprake. De functie moest door de Staten van ieder Gewest worden opgedragen. Zij waren volkomen vrij.” (63.) De Staten regeerden dus, en niet Maurits.

Waar deze regenten ineens vandaan komen, hoort men niet. Verderop wordt van hen gezegd: „Zelfbewust treden zij op; zij weten een eigen macht te vertegenwoordigen naast die van den Stadhouder.” (71) „Een eigen macht” neen, de macht vertegenwoordigen zij, in zoverre zij de vertegenwoordigers zijn van de Nederlandse Calvinistische burgerij, die zich vrij vecht van Spanje en Rome. Dat een Duitse prins, zonder een droppel Nederlands bloed in de aderen, zich bij hen heeft aangesloten, was een nobele daad van dezen, des te nobeler omdat nauwelijkse voordeel, en alleen maar nadeel behalve dan van het geweten! er voor hem uit kon voortvloeien. En ook was hij de geniale leider onder krachtige en knappe, maar niet geniale geleiden. Wil men zeggen, dat hij krachtens zijn genie meteen tot koning over dit volk had behoren te zijn uitgeroepen ik kan mij er best mee verenigen. Maar dit