is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 28, 09-04-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZATERDAG 9 APRIL 1938 – No. 28 36STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

Aan God behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24:1

Tijd EN Taak

DCI IC ICTICrW WFFk'RI AH ONDER REDACTIE VAN DR. W. BANNING RcLIGIcUS-OQCIALIb I IjLH WCCIxPLAU adres der redactie: BENTVELDSWEG 5 – BENTVELD

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 36STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR F 3.40, PER HALFJAAR F 1.75, PER KWARTAAL F 0.90 PLUS 1 5 CENTS INCASSO – LOSSE NUMMERS 8 CTS POSTGIRO 21876 – GEMEENTEGIRO V 4500 – ADMINISTRATIE GEBOUW N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKELVELD 15. AMSTERDAM-CENTRUM

HEILIGHEID

Het heiligheids-voelen is geen gemoedelijke ervaring. Het is geen huiskameremotie. Ons leven schijnt klein en nuchter, ons leven der dagelijkschheid. Het is bevuild in de beslommeringen; het zakt telkens weg in de drassigheden onzer erbarmelijke realiteiten. Wat kon daar heiligs aan zijn?

Het heiligheids-besef zou ons slechts verpletteren indien het onverflauwd een dagelijksche ervaring werd. Maar dit dagelijksch leven zou tenslotte niet langer leefbaar zijn, het zou een lange walging worden, indien de herinnering aan ’t heilige ons verliet, indien zij niet als een macht in ons voortleefde, indien het donker verlangen der ziel ons niet stuwde, ons leven niet „heiligde”.

Toen ik een kind was, vertelde men mij, dat God overal was en in alles. Ik kon het niet gelooven. Nu ik een man geworden ben, weet ik maar al te zeker, dat God geen dagelijksche makker is. Maar toch, indien het schip van mijn leven niet meer zoo stuurloos rondzwalkt op een te matelooze zee van chaotische aandoeningen, indien verdriet mij niet meer zoo ontreddert, indien vreugde mij niet zoo vergeetachtig en overmoedig meer maakt, indien de groote onveiligheid van ’t leven mij niet meer zoo erg verschrikt, indien mijn afvalligheid mij niet meer zoo verlamt en verslaat, ik dank het aan ’t weten, dat ook mijn kleine en versluierde en bezoedelde leven naar zijn waar bedoelen heilig is. Want het is dit altijd wakend weten, dat mij in staat stelt mijn nietigheid te verdragen, mijn overmoed te haten, mijn grootheid niet te loochenen.

„De grootheid van den mensch bestaat daarin, dat hij zichzelf ellendig weet,” zegt ’t religieuse genie Pascal, die nimmer zich illusies maakte over ’s menschen voortreffelijkheden, die de grenzen van ’s menschen kunnen en weten niet verdoezelde, die toch ’s menschen adel en majesteit bleef erkennen. Wie eenmaal, diep in zich zelf, zich den grond van heiligheid bewust werd in ons nietig leven, zal zich wel wachten dat leven niet in ernst te nemen. En zoo blijft datgene, wat geen vulgariseering hoegenaamd toelaat, toch de verborgen en

overmachtige zon, die de grauwheid van het leven verlicht.

Hoe te spreken van het heilige?

Ik weet van ’t heilige niets, want indien ik er iets van wist, was het ’t heilige niet meer. „Oneindig is het goddelijke en onbegrijpelijk; het eenige, wat ervan te begrijpen valt, is zijn oneindigheid en onbegrijpelijkheid,” zeide, in de 8e eeuw, Johannes van Damascus. Niets weet ik van ’t heilige: ik zie slechts wat het in ’t leven beteekent. Het is dit heiligheids-gevoel, dat mij in de natuur een macht deed zien, die ik in een tot verrukking gestegen schroom onderging en waarin ik wegzonk, mij verloor en mij hervond. Waarom kan het stille gewield van een boom, waarom een grijze, woelige zeevlakte, ons vervullen van zulk een godsdienstig ontzag? 'Vanwaar onze hunkering naar de hooge bergen en hun levende eenzaamheid? En waarom is ons soms de gewone menschen-wereld een zoo ondragelijke trivialiteit?

De ziel hunkert terug naar haar heilig thuis. Dit heiligheidsgevoel roepen de gothische kathedralen op, of de doodstille Buddha-beelden, daar zij er hun ontstaan aan danken. Het is uit dit besef, dat de groote droomen zijn gedroomd van liefde en gerechtigheid, droomen die nooit verwezenlijkt worden en die toch de diepe stuwkracht blijven in ons leven.

Het is dit, wat diep ons leven beheerscht, ook dan als wij ’t ons niet bewust worden. Eerst in de stilte beginnen wij te vermoeden, wat in de stilte onzer ziel geschiedt. Onuitsprekelijk, onbevattelijk is het heilige, maar reëel en onontbeerlijk als brood. Want er is een leegte in ’t menschelijk hart, zóó groot, dat slechts ’t oneindige haar vullen kan.

De heilige, de wijze en de held verpersoonlijkten de drie ideëele en geniale vormen, waarin de geest zich vermenschelijkt. Wijzen en helden, deze meest aardsche verpersoonlijkingen van den geest in zijn zedelijke strekking, zullen altijd geëerd zijn. Maar oneindig meer dan alle wijsheid en heldhaftigheid is de heiligheid; zóó oneindig meer, dat wij weigeren dit onvatbaar begrip op menschen toe te passen. De hoogste drang in alle stervelingen

is de drang naar heiligheid. Deze drang, die ’t leven richting, éénheid en doel geeft, boven alle verschillen van den individueelen aanleg uit, die onze zedelijke intuïties voedt en tegelijk ons boven de sfeer der zedelijkheid verheft, is ’t ééne goddelijke beginsel, dat mensch en wereld omvat. Zoomin als wij, die aan de faze der naïveteit ontgroeien, menschen heilig verklaren, evenmin zullen wij, die van een primitieve beschaving zooveel verder nog afstaan, dieren, boomen of de zon aanbidden; maar wie het beginsel der heiligheid in zijn eigen ziel hervond, heeft daarmede het beginsel van alle Zijn ontdekt en zal zich aan deze primitieve gezindheid nader verwant voelen, dan aan den afgodischen mensch onzer dagen, die louter menschelijke zaken heilig verklaart, die, onmachtig zijn heiligheidsdrang tot God te wenden, dezen drang veruiterlijkt en spreekt van heilige instellingen, heilige tradities, de heilige orde der maatschappij, zooals de politicus Dostoiewsky het oude Rusland met zijn czaren, zijn priesters en zijn knoet heilig verklaarde. Onze heiligheids-drang welt op uit het Godsverlangen der ziel, uit de onrusten van ’t hart en van ’t geweten, en heeft niets gemeen met onze „heiligste overtuigingen”, die maar al te dikwijls heillooze atavismes blijken. De mensch moet vereeren, om te groeien naar den geest en levend te blijven. De mensch moet knielen, zal hij stijgen. Maar waarlijk vereeren kan hij slechts, wat boven het menschelijke uitgaat. De mensch moet zich zelf te boven komen. Onze liefde richt zich tot het menschelijke en vergankelijke, maar zij leeft uit ’t eeuwige en onzienlijke. Daarom is een groote, aardsche liefde altijd een groot geloof. En elk geloof doorbreekt de grenzen der ervaring en der 'redelijkheid. Wij gelooven in den mensch, terwijl wij weten dat hij zwak is, onbetrouwbaar en dwaas. Wij gelooven in een ideaal, terwijl wij weten, dat onze wereld een slecht tehuis voor idealen is. Wij blijven gelooven, tegen „beter weten” in, omdat wij instinctief overtuigd zijn van ’s levens heilige bedoelingen, omdat wij overtuigd zijn van God.

JUST HAVELAARt

Uit „De Religie der ziel”.