is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 28, 09-04-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN MEMORIAM

WILLEM KLOOS

een houding bij het heengaan van een belangrijk mens acht ik zó lafhartig, als te handelen volgens de leuze: van de doden niets dan goeds. Is er grievender hoon denkbaar voor een overledene, dan zijn waarachtige waarde te vervalsen met fraaie woorden? Tegenover de on-menselijke grootheid des doods, waarbij zovele dingen zinloos worden en ijdel, is van alle mènselijke grootheden enkel de waarheid in staat om stand te houden. Slechts zij bezit, niet door subjectieve voorkeur of af keer verzwakt, in haar onaantastbaarheid iets van het eeuwige, dat ook het dood-zijn omgeeft. Daarom zoek ik, aarzelend maar gestaag, naar het beeld van den dichter, zoals het voorgoed verder in de gedachten der levenden zal voortbestaan niet van de levenden, die hem hebben gekend als ademend individu, maar juist van hen aUen, wier liefde en bewondering ontstond uit het enig blijvende: zijn poëzie. Want langzaamaan zal de herinnering aan de lijfelijke mens verdwijnen: reeds werd de kring van die hem langdurig en goed hebben gekend ontroerend klein. Doch niet verdwijnt het werk, en de gestalte die dAdruit oprijst, spreekt tot alle levenden voort, met een eendere sterke stem.

Er is in het nog nauwelijks grootsteedse Amsterdam een jongeman, kleinburgerlijk van afkomst, lelijk, schuchter, moeilijk in de omgang, maar innerlijk geladen met een hartstochtelijk verlangen naar schoonheid en hevigheid. De bezadigde kimst van het duffe Nederland biedt voor zijn droom geen vervulling, voor zijn honger geen voedend brood. Nog zijn, als vurige vlammen aan de avondhemel na zonsondergang, de gloeiende woorden zichtbaar, door het geslacht der gouden eeuw geschreven: maar de tijd is veranderd, hun tijd is voorbij. Directer dan zij, spreekt tot het moderne, jonge gemoed de kunst van buitenlandse tijdgenoten en de voorgangers daarvan: Shelley, Keats en later Verlaine. De oudere generatie is tot haar hoogste kracht gekomen in de onvrede der toornende critici; maar het is nu nodig, om bóven de felle verwijten van Multatuli en Busken Huet uit te stijgen tot een eigen scheppende schoonheid. In nachtelijke gesprekken met vrienden rijpen de plannen; en groeiende rijpt het talent. Tegen het twintigste jaar ontstaan de eerste critieken en de eerste verzen.

Hoe meer men de tijd van ’BO bestudeert, en tracht zich voor ogen te stellen, in welk een sfeer de werkzaamheid van de Nieuwe Gids aan moest vangen, hoe sterker de indruk zich vestigt, dat de legende op velerlei punten in strijd is met de waarheid. Voor het bewustzijn van de jongeren zelf moet de tegenstelling principieel zijn geweest; voor ons, later levenden, zijn de overgangen talloos: de artistieke ideeën en literaire normen, door de Tachtigers gepropageerd, vinden hun oorsprong en somtijds hun defintieve formulering in beschouwingen van ouderen dan zij. In critisch opzicht ligt de betekenis van

’BO hierin, dat de onderstroom tot bovenstroom werd en helaas de bovenstroom tot onderstroom, zodat na korte tijd de oude krachten en opvattingen zich maar al te duidelijk gelden deden. Creatief evenwel is het onderscheid enorm: om de verloren schoonheid voor ons volk te herwirmen, trekt Kloos zijn aandacht af van al het veelvuldig menselijke en erkent uitsluitend de poëzie als levensdoel. Niemand heeft zó volstrekt de dichtkunst als hartstocht ervaren, niemand zo onmiddellijk zijn hartstocht in dichtkunst getransformeerd. Hij heeft het geluk gehad van weerklank te vinden in een kring van begaafde vrienden; hun aanwezigheid heeft hem gestimuleerd, nauwelijks minder dan zijn geestdrift het hun deed. In een niet-teontleden wisselwerking gedurende een tiental jaren hebben de Tachtigers en Nieuwe-Gidsers ons culturele leven grondig gewijzigd, en Nederland deel doen krijgen aan de Europese beschaving. Te midden van hen was Kloos een leidende figuur; een begenadigde in de schoonheid der taal, maar tegelijk een kind in de maatschappelijke vernieuwing van die dagen ‘).

Als de breuk komt in de kleine Gideonsbende, is alles voorbij. De scheldsonnetten zijn een dieptepunt in onze literatuur, niet enkel moreel, ook zuiver poëtisch. Het langzame herstel na deze tragische inzinking brengt een milder pracht, beheerster, koeler, en tussen de uitbloesemende verrukking van jongeren als Houtens en Henriëtte Roland Holst, niet meer uniek. Het tijdschrift draagt nog de oude naam, maar mist het oorspronkelijke karakter, het wordt een periodiek als zovele andere, en ook de regelmatig verschijnende sonnetten van Kloos zijn sonnetten als zovele andere. Glans van het vroegere vuur straalt nog uit sommige woorden en wendingen; een donkere drift stuwt plotseling een regel omhoog, en maakt hem onvergetelijk. Het genie is verbrokkeld, en grotendeels gedoofd. Wel is de gerichtheid gelijk gebleven: nog zoekt het hart uitsluitend de schoonheid, en tot het einde toe is hierin geen wijziging gekomen. Maar de wereld wijzigt zich wél; o, zij heeft óngelijk om blind aan de schoonheid voorbij te gaan, doch zij doet nu eenmaal zo verblind. In zijn woning zit de ouderwordende kunstenaar; hij leest, hij schrijft beoordelingen en gedichten, hij verzorgt zijn maandblad

niet anders dan een zeer kleine kring bespeurt het nog, en kleiner wordt die kring van jaar tot jaar. De gedachten van den dichter keren steeds vaker terug naar de jeugd, naar de oude glorieuze strijd. Zijn overpeinzingen dijen uit tot breedsprakige beschouwingen; zijn verworven levensinzichten vinden een strikt persoonlijke vorm in de trage taal van de honderden Binnengedachten veel gehoond, zelden gelezen. De bewondering, die de mens zo weldadig moet zijn geweest, komt behalve van enkele oude vrinden, enkel nog van wat aankomende jongeren zonder begaafdheid. De dood, mUd genaderd, neemt hem weg, zonder dat hij in de hedendaagse letterkunde een open plaats nalaat. Wat wij op een zonnige Aprildag begroeven, was een legende.

Willem Kloos is gestorven: uit de arbeidzame handen is een grote reeks verzen en een niet minder grote reeks critieken tot de mensen gegaan. Ze liggen in boeken en afleveringen verspreid; een enkeling zal ze herlezen, en langzaamaan schift de tijd het blijvende van het vergankelijke, voorgoed. Het mééste zal verschemeren in vergetelheid, het beste zal schitteren met een onverdoofbare gloed als van sterren. Elk nieuw geslacht zal de hartstocht en de weemoed ondergaan van het vroegste werk; elk nieuw geslacht zal ingewijd worden in de schoonheid door zijn oudste critieken; elk nieuw geslacht zal eigen verlangens en eigen verzet projecteren in de legendarische werkelijkheid van de eerste Nieuwe Gids-periode.

De bijna tachtigjarige is begraven: de Tachtiger leeft voort.

G. STUIVELING.

‘) Voor uitvoerige documentatie hierover moge ik verwijzen naar mijn boekje „De Nieuwe Gids als geestelijk brandpunt”.

VERZEN

D e boomen dorren in het laat seizoen.

En wachten roerloos den nabijen winter.

Wat is dat alles stil, doodstil ik vind er Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên

Ach, ’k had zoo graag heel, héél veel willen doen, Wat Verzen en wat Liefde, ■— want wie mint er Te sterven onder dees? Maar wie ook mint er

Ter wereld iets door klagen of door woên?

Ik ga dan stil, tevreden en gedwee.

En neem geen ding uit al dat Leven meê Dan dees gedachte, gonzende in me om;

Men moet niet van het lieve Dood-zijn ijzen:

De doode bloemen keeren niet weêrom. Maar Ik zal heerlijk in mijn Vers herrijzen.

Uit: Verzen I. WILLEM KLOOS,

enschen, ik weet, gij vóélt geen liefde ere haat, Als Ik, die lééfde in eenen heldren brand

Van daaglijksch mooi-doen, om een’s andren baat Mij-zelf betemmend in onberstbren band.

Menschen, ik weet, dat gij mij nooit verstaat.

Al zeg ’k mij-zelf op duizenderlei trant, Ach, Ik, die eenzaam drijf naar ’t wijde strand Des Doods, gestooten door der Liefde Haat.

O, gij, die mij wel hoort, maar niet gelooft.

Die mij wel ziet, maar van mijn ziel niets kent Dan enkle vlokken van wat luchtig schuim,

Menschen, ik sterf, maar ’k berg mijn wankel hoofd

In donkre wolken van mijn toorn, en zend

statig de bliksems van mijn trots door ’t ruim.

Uit: Verzen I.

WILLEM KLOOS.