is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 28, 09-04-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vaderlandse Geschiedenissen

11.

De heer Hans is, als ik mij niet zeer vergis, liberaal. Is of was dus lid van een partij met geknakte grootheid, welks programma tegenwoordig ook voor de Christelijk-Historischen en zelfs bijna voor de S.D.A.P. bruikbaar is. Zijn partij, vermalen tussen de kerkelijke en de socialistische partijen, heeft het koningschap getemd en... ligt er nu voor op de knieën, uit mededinging met de kerkelijken en uit angst voor de ~socialen”. We hebben gezien, hoe deze liberaal over de aristocratische regenten oordeelde; hun rol, ten bate van Oranje, zoveel mogelijk in ’t vage en ’t duistere liet.

Maar dit is nog niets, bij de manier, waarop hij de democratie behandelt. Deze maakt als volgt haar opwachting of beter, wordt als volgt door lakei Hans bij de vleugeldeur afgeroepen: „De Nederlanden werden ondermijnd door de denkbeelden van democratie, verlichting, wetenschap en ongeloof, welke uit Frankrijk (plm. 1750) hierheen kwamen” (152), Men wrijft zich de ogen uit bij ’t lezen van deze zin. Hoe, een liberaal, een nakomeling dus van de grote figuren der Franse verlichting, noemt als een bedelmonnik „wetenschap” en „ongeloof” in één adem? Hoe, een liberaal, die op aristocraten afgeeft, geeft nu ook af op democraten?

Enkele bladzijden vroeger had Hans ’t kan ook moeilijk anders! uit een heel ander vaatje getapt. Hij erkent, dat Willem IV slap was, en het belang van het land mét het belang van zijn huis zó slecht in zag, dat hij de burgerij geen invloed gunde, maar de aristocraten, dus zijn „vijanden”, de hand boven ’t hoofd hield (144-’6). Eveneens noemt hij Willem V slap, maar dat deze zelf de „Patriotten” bij elkaar brengt, d.w.z. in Oranje teleurgestelde Democraten en om Oranje lachende aristocraten, dè,t moet de lezer maar tussen de regels zien uit te vissen (150-’1).

Niet dus „democratie, verlichting, wetenschap en ongeloof” ondermijnden Nederland, maar deze onwaardige Oranjes, niet als hun voorvaders één met de ware volkskracht, doch zich vastklampend aan een rol als koninkje, die zij in werkelijkheid niet konden ophouden.

Mijnerzijds geef ik toe, dat de Patriotten een zeer gevaarlijk spel speelden, door de Fransen hier binnen te halen. Maar als Hans hen deswege verwijt, dat zij „de kracht des volks verslapten” (163), vergeet hij, dat die kracht allang aan ’t verslappen was, vóór nog bij ons van Patriottisme sprake was. En hij moet ons dan ook maar eens vertellen, op welke wijze wij van de hopeloos vermolmde oude republiek waren afgekomen, wanneer niet de Franse storm die ondersteboven geblazen had!

Dan komt koning Willem I, de enige Oranje, die feitelijk echt, d.w.z. zelfstandig geregeerd heeft. Men zou denken, dat die dus het maximum aan lof van Hans halen zal. Maar neen! Hem wordt maar even „geen oog voor nieuwe noodzakelijkheden” toegeschreven (186)

nota bene in een man, die gelijk Hans van te voren opsomde (179) economisch en technisch zijn slome, bangelijke onderdanen ver voor was!

Vanwaar nu weer deze zijsprong?

Wel, het „echte” liberalisme, dat van Thorbecke, of tenminste van Hans, is ondertussen verschenen, „de liberale, vooruitstrevende, democratische beweging” (189). Vóór 1800 is Hans tégen na 1800 vóór!

En wat vertelt hij nu over de rol van de „regerende” Oranje’s? In 1847: „De koning (Willem II) bleef zich tegen de nieuwe ideeën fanatiek verzetten” (197). Na 1848 over Willem III: „Hij stond tegenover het parlementaire regeringstype even afkerig als zijn vader, en nam dan ook een even vijandige houding tegenover Thorbecke aan”. (207) „De koning was Thorbecke zó moe, dat hem, volgens Duchastel, het woord ontviel zich liever voor de kop te willen schieten, dan nogmaals Thorbecke tot minister te benoemen.” (214)

De democratie zegeviert ondertussen, eerst met Thorbecke, later over Thorbecke heen.

De tegenwoordige koningin gedraagt zich

strikt constitutioneel. Niemand zal zich tegen ’s schrijvers lof in deze verzetten. Maar waarom moet hij nu weer zo dóórslaan? Tot twee keer toe haalt Hans met instemming de woorden aan van prof. Brugmans: „Stellig ontleende Nederland zijne betrekkelijke onkwetsbaarheid gedurende den oorlog aan het zeer gegronde prestige, dat onze souvereine in het buitenland geniet.” (247, 252). Het klinkt, maar is het waar? Ik weet niet, wat de koningin zelve van zulke zinnen denkt. (Wat wbet de Nederlander van de niet-officiële gedachten en gevoelens der vorstelijkheden? Niets.)

Maar ik weet wel, dat Engeland geen respect heeft gehad voor Krüger en Oostenrijk niet voor Masaryk. Dergelijk „idealisme” is dus vals en alleen maar verbloemde angst, die in oorlogsgeval schokkend teleurgesteld wordt.

Ik hoorde den bekenden psychiater Künkel eens zeggen: „Pathetiker, also feige” („Hij legt het er dik op: dus laf”).

Hans krijgt, als hij in wereldangst zit het ook te kwaad. Zo noemt hij het zich vier eeuwen handhaven van ’t Oranjehuis ~op zichzelf een mysterie. Want tal van zware stormen zijn over den Oranje-boom heengegaan;... meer dan eens zelfs scheen hij ontbladerd, ontworteld, ter aard te zullen storten. Doch als de nood op het hoogst was, dan legden de orkanen zich, als door een machtige hand gedwongen en dan richtte de Oude Boom zich weer op in den milden en bevruchtigenden zonneglans van nieuwe tijden”. (17) Inderdaad, een oude boom die zichzelf opricht, is iets waar géén tuinman weet van heeft! Maar waarom het zich handhaven van een vorstenhuis over vier eeuwen al een mysterie is? De Hohenzollerns deden het vijf, de Habsburgs zelfs bijna zeven.

Een waarder woord, en zuiverder beeld (dat Hans wel, smakeloos, trachtte te overtreffen) schreef FTruin over de dood van Willem den Zwijger: „Uit den vernielden tronk is een groene tak ontsproten, die de verwachtingen niet beschaamd heeft, maar mettertijd een boom is geworden ” (60)

Juist, dit is waarheid; mooie waarheid.

En helemaal geen „wonder” en „mysterie”— bewaar die heilige woorden voor heUige zaken. Het is een wetenschappelijk te onderzoeken en te verklaren werking van karakters in hun onderlinge hulp en strijd.

Lakeien begrijpen van vorsten niet de vorstelijke kant.

In nog belachelijker beeldspraak dan Hans begaf zich dominee J. Th. de Visser, eerste van een rij ministers van Onderwijs, van wie wij vergeefs leiding verwachtten. Deze frazeur gaf ten beste, waarmee Hans dankbaar zijn werk een rij ministers van Onderwijs, van wien wij heidshoed hoog wordt gedragen, is en blijft de onverkorte koningsscepter in de vaste hand van Juliana van Stolbergs nageslacht.”

Een speer is plm. 2 M., een scepter plm. 0.50 c.m. lang. Het doorluchtig nageslacht moet dus steeds zitten met een hoed op de lange speer (als tenminste de punt niet door de bol gaat) of met die hoed vlak voor ’t gelaat, wat het wereldoorlog-verhinderend prestige benadeelt. En welk een adder is nog dat woordje ~onverkort”! Dan moeten wij terug tot vóór 1848, liefst tot 1813, toen er nog geen grondwet was!

Gelukkig, wie geen te verhitte bewonderaars telt!

Het huis Oranje-Nassau is een der weinige vorstenhuizen, ja famUies gewoon weg, die zich veroorloven *kan de pure waarheid van zich te laten spreken en schrijven, zonder fraze’s.

Buiten alle byzantinisme staat de zakelijke waarheid in de geschiedenis der menselijke erfelijkheid, dat vrijwel nooit vier geslachten kunnen worden aangewezen, waarin, zoals bij de Oranje’s, een zeer groot talent op politiek gebied (W. de Zw.) twee zoons heeft van groot militair talent (Maurits en Fred. Hendrik), een kleinzoon die vermoedelijk veel talent had, doch jong stierf (Willem II) en een achterkleinzoon, die een groot talent op militair en zeer groot talent op politiek gebied is. (Willem III). Terwijl de Friese tak minder begaafd is.

maar toch in koning Willem I een zakelijk scherp- en vooruitziende figuur telt. (Invloed zijner Hohenzollern’se moeder, zoals Louise de

Coligny wel tot Fred. Hendrik’s vernuft heeft bijgedragen.)

Dat een dergelijke familie zich voor ons volk inspande, is een eer, die onvergetelijk is. En een eer, die in dit geval nu eens helemaal eerlijk vergolden kan worden.

Al die zwetsers en kwispelstaarters zouden ons meer overtuigen van de echtheid hunner bewondering en dankbaarheid, wanneer zij gewoon de feiten lieten spreken aangaande hun object, en niet door scheve voorstelling of valse beelden ernstige twijfel wekten aangaande de zuiverheid en zekerheid hunner bedoelingen.

Gelukkig ongetwijfeld het volk, dat tegen een centrale figuur vermag op te zien. Maar dat volk is dan toch de hoofdzaak. De Zwitsers bewijzen, dat ook een republiek verdraagzaam en vrijheidlievend kan zijn. Oldenbarneveldt en Johan de Wit zijn beiden het slachtoffer geworden van hun overschatting van de macht van een leidende groep. Thorbecke daarentegen heeft die leiding dieper gefundeerd en daarmee niet alleen zijn eigen leven gered, doch ook dat van zijn politiek ideaal. Dat ideaal luidt: „Wees een redelijk wezen. Wees een vrij burger. Wees een eerlijke spreker.”

Dit zij den liberalen journalist D. Hans nadrukkelijk herinnerd.

G. KALFP.

BOEKBESPREKING

B. Traven. Mahoniehout. Dictatuur in de Wildernis. Uit het Duits door P. Voogd. N.V. De Arbeiderspers, Amsterdam. Ingen. ƒ1.90; geb. ƒ2.50.

Dit boek verhaalt op welke wijze en onder welke omstandigheden in Centraal-Amerika het kostbare mahoniehout wordt gekapt. Wij allen kennen dit prachtige hout, dat wij als finering gebruiken; weinigen weten, welk een wereld van ellende de ondernemingen zijn, waar de Indiaanse arbeiders hun moordend werk verrichten. Traven werpt een meedogenloos licht op de toestanden, die er heersen. Hij beschrijft, hoe primitief de tijdelijke samenleving op een nederzetting van zo’n caobaexploitatie-maatschappij, honderden kilometers van de bewoonde wereld verwijderd, is gehuisvest in hutten van boomstammen, slingerplanten en palmbladeren; aan welke demoralisatie deze mensengroep ten prooi is: hoe er gedronken wordt en gespeeld. hoe bruut er met mensenlevens wordt omgegaan en op welk een stuitende wijze de sexuele instincten zich uitleven. En bovenal geeft Traven ons een beeld van de slavernij, waarin de arme Indiaanse arbeiders leven. Door voorschotten, die nooit meer kunnen worden ingelost, zijn ze als gevangenen overgeleverd aan den administrateur en zijn beambten; ontvluchten in deze wildernis is onmogelijk; slechter dan de trekossen worden ze behandeld: er heerst in deze rechteloze, buiten het contact met de geordende maatschappij levende samenleving een ware terreur, een dictatuur van zweep en pistool. Met bijtend sarcasme, met meedogenloze eerlijkheid wordt het onmenselijk lot dier verworpenen beschreven. Werkend in de verstikkende, tropische hitte, wadend door moerassen, prijsgegeven aan de aanvallen der steekvliegen, aan de gevaren van slangenbeten, van hen bespringende tijgers, van moordende koortsen, vindt meer dan de helft van hen hier de dood. Zo beschrijft Traven, hoe een der Indianen door een gifslang wordt gebeten; zijn kameraden branden met gloeiende messen de wond uit, maar het was te laat; ze zagen het been af (medische hulp noch instrumenten zijn hier aanwezig); het helpt niet, hij sterft. Aangrijpend is de lugubere begrafenis beschreven; het is een nachtelijke tocht (want overdag moet er worden gewerkt), met het licht van maar één lantaarn verdwijnen de makkers met het in matten gerolde lijk in de duisternis op weg naar het Campo Santo, de plek, waar wat veiweerde kruisjes, een aantal heuveltjes en vele kuilen van ingezakte graven aangeven, hoeveel hunner al gestorven zijn. Met de sobere, sierloze, maar toch levende, beeldende taal, die we van Traven kennen, is de hele naargeestige ceremonie beschreven als een symbool van het triestige, uitzichtloze lot der caobamannen, de mahoniehouthakkers in de wildernissen van Midden-Amerika. De vertaling is, zover ik kan nagaan, uitstekend. Tweemaal is er in het boek sprake van „leeuwen”; of het een vertaalfout is, weet ik niet; in Amerika komen echter geen leeuwen voor.

JOHAN TOOT.