is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 29, 16-04-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

" BUITENLANDSE KRONIEK 1 V

Jeugd-criminaliteit in het Derde Rijk

De statistiek komt steeds na de gebeurtenissen, maar zij kan dikwijls de richting van hun ontwikkeling van tevoren aangeven. Dit geldt zeker voor het statistisch onderzoek van de jeugdrechtbanken betreffende de criminaliteit onder de jongeren in 1934 en 1935. Men bewerkt sedert een groot aantal jaren het materiaal omtrent de jeugd van 14 tot 18 jaar in ongeveer 75 Duitse steden. In 1935 is de criminaliteit onder de Duitse jeugd aanzienlijk toegenomen. Ziehier het aantal jeugdige misdadigers:

Het is niet toevallig, dat in de stad van Stretcher de criminaliteit onder de jeugd met 100 pet. is toegenomen. Wij zuUen trouwens nog wel iets hebben te zeggen over deze stad. Alleen in Dantzig, waar het Hitler-régime in 1935 nog niet volledig gevestigd was, is het aantal jeugdige misdadigers gedaald van 178 tot 138.

In 37 steden van 50.000 tot 200.000 inwoners is hun aantal gestegen van 872 tot 1.515. In het bijzonder moet de aandacht gevestigd worden op de verhouding van het aantai meisjes onder de jeugdige misdadigers. Dit aantal daalde in verhouding sedert jaren wei steeds langzamer, maar toch constant. Maar sinds 1932 is het snel toegenomen in de volgende verhouding:

Deze toename moet voor een deel toegeschreven worden aan de houding van het nationaal-socialisme ten opzichte van de jonge meisjes, die men terugdringt uit de hogere beroepen naar de huiseiijke diensten, en anderdeels aan de vermilitarisering. De jeugd-bureau’s, die in 1934 in hun rapporten een gunstige ontwikkeling voorzagen ten gevolge van de vermindering der werkioosheid zijn in 1935 in grote verlegenheid. Zo schrijft het bureau van Solingen:

„Ongelukkigerwijs moeten wij een stijging van meer dan 100 pet. misdaden noteren in vergelijking met het vorige jaar. Het is moeilijk, de oorzaak van dit verschijnsel te vinden.”

Uit Mainz schrijft men in dezelfde geest:

„Wij vermoeden, dat het gaat om een ware toeneming van de criminaliteit onder de jeugd, maar wij kunnen er de oorzaak nog niet van vinden.”

Elders klaagt men over het verschijnen van benden van jongelui en men zoekt naar maatregelen, om dit gevaar te bestrijden. Natuurlijk mag niemand de oorzaken ervan vinden, want die liggen in het systeem en de wijze waarop men de jeugd behandelt. Ongetwijfeld is een groot deel der jeugd Hitler aanvankelijk met enthousiasme gevolgd; de desillusie heeft velen gebracht tot een onsociaal leven. De zuiver economische factoren spelen niet meer dezelfde rol als in 1932; het percentage werklozen onder de -misdadigers is heel -wat minder hoog dan in 1932, maar in Berlijn bijv..

1934 1935 in de grote steden .... 219 353 in de gemiddelde en kleine steden 43 144

waar het gedaald is tot 21,66 pet., is het nog boven dat van 1930 (18,1 pet.).

Het is bijzonder belangwekkend, de aard van de misdaden, begaan door jongeren beneden 18 jaar, te onderzoeken. De diefstallen, die meer dan de helft van deze misdaden vormen, zijn in de grote steden gestegen van 2,701 tot 3,262 (in Neurenberg van 53 tot 107), maar hun percentage is afgenomen. Daarentegen zijn de aanslagen, die in deze 23 grote steden van 294 tot 476 komen, ook percentsgewijze gestegen.

In 23 grote steden: 1934 1935 totaal aantal 5.482 7.582 speciaal in Berlijn 948 1.271 „ „ Hamburg .566 859 „ „ Leipzig 146 319 ' „ Neurenberg 127 254

Men heeft een speciaal onderzoek gedaan naar de nieuwe overheersende vormen van misdaden, door jongeren begaan.

Het zijn deze:

Lastering tegen de Staat; voorbereiding tot hoogverraad;

landverraad; het zonder officiële toestemming aantrekken van de partij-uniformen; bevoegdheidsoverschrijding; het onwettig dragen van insignes;

1932 1935 Berlijn 23 49 7 21 8 28 6 10 Breslau 5 17 Neurenberg lO 15

achterhouding van opbrengsten van collecte’s;

diefstal in de arbeidskampen; homosexualiteit.

Men ziet dus twee wijzen van reageren. Sommigen richten zich tegen het systeem van barbarisme, anderen worden er het slachtoffer van en wijken voor de verleidingen ervan.

Slechts hij, die de jeugd niet kent, kan geloven, dat het nationaal-socialisme haar op de duur zou kunnen beheersen zonder dat nieuwe krachten van tegenstand onder haar opstaan, ondanks de uitsluitende invloed van het régime. Het bureau voor de jeugd meldt, dat er in 1933 zes politieke gevangenen beneden 18 jaar in preventieve hechtenis waren, maar in 1934 waren er 42. Leipzig antwoordt op de enquête:

„Overigens zijn de gevallen niet zeldzaam, dat de jongeren zich verenigen, cm verboden politieke organisaties in stand te houden.”

De inspecteur van de gevangenis voor minderjarigen in Kottbus schrijft in het „Zeitschrift für die ges. Strafrechtswissenschaft”, vol. 55, No. 4/5, dat er in 1932 18 politieke gevangenen waren, of 10,3 pet. Maar in 1935 bedroeg dit aantal 73 of 24,7 pet. (Het totale aantal gevangenen kwam van een gemiddelde van 174 op 296 gedurende deze periode). Het spreekt vanzelf, dat trots en ijdelheid, aangekweekt door de nazi’s, hun prooi vinden onder de jeugd. De bevoegdheidsoverschrijding, de manie van uniformen en insignes zijn een nabootsing van de houding van hen, die men voortdurend aan de jeugd tot voorbeeld stelt.

1932 1933 1934 1935 3n de gemidd. steden 12,6% 13,7% 24,9% 23,1% in de grote steden 12% 13,2% 14,7% 16,7%

De toename van vergrijpen tegen de eigendom hangt niet alleen af van de verleiding, die voortkomt uit collecte’s en de toestand in de arbeidskampen, maar ook van het overbrengen van jongeren uit de stad naar het platteland.

Het bureau voor de jeugd in Dortmund schrijft:

„In de loop van het vorige jaar zijn de rijwieldiefstallen bijzonder toegenomen. De helpers van de boeren roven, als zij vertrekken om naar huis te gaan, meestal één of meer rijwielen. Daaraan moeten nog toegevoegd worden de gelegenheidsdiefstallen en de zwerversbedelarij.”

Uit Düsseldorf: „De misdaden onder de helpers van de boeren zijn de meest-voorkomende. Daar gaat het meestal om kleine diefstallen, begaan met het doel, om er van'door te gaan of minstens in verband met dat doel.”

Andere rapporten spreken in dezelfde geest. Men moet zich de situatie van deze jongeren indenken!

Geplaatst in een mUieu, dat hen vreemd is, gedwongen werk te verrichten, waaraan ze niet gewoon zijn, zonder voldoende loon en niet in staat zich te verdedigen tegen slechte behandeling, worden ze inderdaad gedreven naar „de uitkomst”, die in deze rapporten wordt aangeduid. * * *

Maar wat de zwaarste beschuldiging jegens het nationaal-socialisme inhoudt, is het feit, dat de zedenmisdrijven onder de jongeren een ongekende uitgebreidheid hebben bereikt tot op heden. In het rapport van de gevangenis voor minderjarigen in Kottbus, dat reeds werd geciteerd, wordt vermeld, dat er in 1932 twee gevangenen waren wegens deze misdrijven (1.1 %), tegen 22 in 1935 (7.4 %). De statistiek geeft de volgende cijfers voor zedenmisdrijven van personen van 14 tot 18 jaar:

De verhouding van dit soort misdrijven onder de criminaliteit onder de jeugd was 2.3 % in 1930, 2.9 % in 1931, 4.6 % in 1934, 5.3 % in 1935. Voor de grote steden is de toename van de zedenmisdrijven de volgende:

Neurenberg, dat slechts 10 % van de bevolking van Berlijn heeft, had reeds in 1932 een betrekkelijk belangrijk aantal van deze misdrijven. , ,

Men kan niet ontkomen aan de gedachte, dat er verband bestaat met de pornografische propaganda van de „Stürmer”. Deze gedachte wordt versterkt door het lezen van het rapport van het bureau voor de jeugd over 1934— 1935, waar men verneemt, dat in Neurenberg het aantal zedenmisdrijven met kinderen op schrikbarende wijze is toegenomen. Letterlijk zegt het rapport:

„Er waren 56 rechtszittingen voor gevallen van zedenmisdrijven met kinderen. Terwijl tot nu toe de meisjes van 10 tot 12 jaar of van 12 tot 14 jaar het meest aan het gevaar bloot stonden, waren er ongelukkigerwijs dit jaar een groot aantal gevallen van jongere kindederen: 21 van meisjes van 6 tot 8 jaar, 29 van die van 8 tot 10 jaar en 25 van die van 12 tot 14 jaar. Ook onder de jongens is het aantal van die van 8 tot 10 jaar niet minder dan dat van 12 tot 14 jaar.”

Berlijn meldt eveneens een aanzienlijke toename van deze misdrijven.

Om de betekenis van dit verschrikkelijke verschijnsel voldoende te doen uitkomen, hebben wij ons onthouden van alle commentaar, maar één ding moet gezegd worden. De toename van het aantal jeugdige zedenmisdadigers is een duidelijk gevolg van de fascistische opvoeding. De opvoeding tot geweld, de verachting van het geestelijke leiden op sexueel gebied voert tot vergaande abnormaliteiten. Het feit, dat men de vrouw terugdringt uit de culturele arbeid, dat men de mannelijke jeugd verzamelt in de Hitlerjeugd, in de arbeidskampen en de militaire sport enz., isoleert de jonge mannen en heeft uitbreiding van de homo-sexualiteit tot gevolg.

ANTON ZÜGLER, in „Education et culture”. Maart 1938.