is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 29, 16-04-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nationaal-socialistische religie

I n het hier dit jaar verschenen boek van den • Zweedsen professor dr. Herbert Tingsten De Nationale Dictaturen komt een hoofdstuk voor over de nationaal-socialistische ideologie (p. 53—136), dat tal van gegevens verstrekt voor een beeld van het (pseudo-) godsdienstig karakter dezer begrippenleer. Het is niet moeilijk, deze gegevens bijeen te brengen en te ordenen en aldus dit beeld onze lezers voor ogen te stellen. In het nationaal-socialistisch partijprogram van 1920 wordt gezegd, dat de beweging als zodanig op godsdienstig standpunt staat, zonder zich aan een bepaalde geloofsbelijdenis te binden.

Hitler is in 1933 verder gegaan, door te verklaren, dat zijn beweging zeer positief stond tegenover de leidende christelijke confessies: „Het n.-s. ziet in de beide christelijke kerken de belangrijkste steun voor het behoud van ons volk ” Toch blijkt, zowel uit de strijd der kerken in Duitsland als uit de bovenbedoelde ideologie, dat het christelijk karakter van het n.-s. zeer betwistbaar is, en dat zijn gang naar een on-christelijke „geloofsbelijdenis” zich vrij duidelijk af tekent. Ook hieruit is dit op te maken, dat de religie slechts een ondergeschikte rol speelt in de n.-s.-beweging en wel als middel ter bevordering van het nationalisme en als bondgenoot tegen „materialisme”, d.i. socialisme of „Marxisme”.

Om nu de gang te schetsen der bedoelde ideologie, vangen we aan bij haar kern: „doelbewust stelt het n.-s. het volk in het middelpunt van al zijn denken” (Hitler). Maar dit „volk” moet worden gezien als het eeuwige volk, het tijdloze Ik, dat was en wezen zal, en welks belang node de politiek van de tijd bepaalt; het is een metafysisch, een bovennatuurlijk begrip, dat een „behoren” inhoudt en waaraan maatstaven worden ontleend voor de politiek-van-nu. De Nederlander zal deze redenering vrij gemakkelijk herkennen, als hij „God” leest in de plaats van het vergoddelijkte volk.

Is dit volk zelf goddelijk, de Staat moet zijn goddelijkheid dienen: hij is een volksorgaan „ter bescherming van een door de Voorzienigheid van te voren bepaald doel van het bestaan dier gemeenschap” (Hitler). Deze Staat heeft n.l. het tijdelijke volk te vormen volgens de wil van het eeuwige volk en voor de belangen van dat eeuwige volk. Die wil hangt samen met de „levenswet” van het volk, wederom een metafysisch begrip, dat allereerst inhoudt de eis tot zelfhandhaving en zelfverdediging, en dat van het volk gehoorzaamheid vraagt als ware het een individu. Deze levenswet beheerst alle momenten der staatsgemeenschap: ~in ons geweten moet ze tot begrip, in onze ervaring tot idee, in onze wil tot een functie worden” (Gerber). Is het niet, of hier een profeet der goddelijke levenswet spreekt?

Vereicsen we ons echter riet: roeren we geenszins, dat Christus ons haar heeft verkondigd: deze „levenswet” wordt alleen door den leider des volks gekend; hij is het. die het tijdelijke volk tot die wet moet opvoeden, en dit kan hij, doordat de waar achtige volkswil in hem zetelt, ook als hij handelt dwars tegen de wensen in van dat tijdelijke volk: de wil van den leider is de volkswil. Tussen beide bestaat een wederkerig verband: volgens Rössle kan niet rationeel worden verklaard, hoe uit de volkswil de wil van den leider ontstaat, en door den leider wederom de eigenlijke wil van het nu-levend volk; dit ligt op het terrein der intuïtie.

Wel is het zeker, dat de leider door God is gezonden en in politieke vragen een even groot gezag heeft, als door de katholieken in godsdienstige vragen toegekend wordt aan den Paus. „Wie het leidersprincipe geheel en al begrepen heeft en het met volle ernst aanvaardt, moet geloven in de voortgezette openbaring. Zonder dit openbaringsgeloof hangt het leidersprincipe in de lucht. De staatsleider heeft dus zijn opdracht van God” (Sombart).

Geen wonder dan ook, dat het n.-s. begrip van vrijheid een gemaskerde caricatuurvan het christelijk vrijheidsbegrip is: vrü in hogere.

morele zin is slechts hij, die goed, d.w.z. in overeenstemming met de volksziel en de behoeften van de gemeenschap handelt. Individuele vrijheid daarentegen is geen vrijheid, maar bandeloosheid. Sombart kan, deze gedachtengang doorziend, volkomen consequent, met instemming de woorden citeren van den mysticus Siiesius:

„Schliesz mich so streng du willst in tausend Eisen ein. Ich werde doch ganz frei und imgefesselt sein”').

Zo de gewetensvrijheid wordt gemotiveerd, zo ook de wetenschappelijke: de vrijheid van onderzoek betekent in het n.-s. de vrijheid om de waarheid te dienen, d.i. de waarheid die aan het volk gebonden is; ~het n.-s. is de macht die de wetenschap bevrijdt, want de wetenschap wordt slechts dan volkomen vrij, wanneer ze in overeenstemming gebracht wordt met het leven der natie en de grondslag van haar bestaan” (Dietrich). Kernachtiger nog zegt Frick het: „Volk en waarheid rusten op een en dezelfde grond”. Zo ontleent in het n.-s. ook het recht zijn heiligenschijn aan natuurlijke gegevens: het recht is een uitdrukking van het instinct en de wil van het door het ras bepaalde volk; het (eeuwige) volk schept het „werkelijke” recht; de leider en de door hem geschapen beweging

vertegenwoordigen immers de immanente wil, waaruit het recht geboren wordt. Hieruit volgt, dat de leider niet onder de wetten staat (30 Juni 1934 moord op Roem e.a.), niet onder de normen van de Staat; juist omgekeerd vertegenwoordigt zijn wil „de levenswet van de gemeenschap, die in hem vlees en bloed geworden is” (Larenz).

De artjeidsethiek. van het n.-s. tenslotte stelt in plaats van de calvinistische grondslag, de vervulling van Gods roeping, de roep der gemeenschap en zoekt de waarde van het werken niet in het loon, doch in de innerlijke voldoening en loutering. De drang tot scheppen „is het verlangen naar de eeuwigheid, dat ieder mens in zich draagt”. ~De met werk overladen boerin is gelukkig, terwijl de rijke bankier steeds ontevreden is

Vrij, werkelijk vrij, is slechts hij, die leeft uit een verbondenheid aan de (gemeenschaps)wet en een harmonische wereldbeschouwing en daardoor, in aiie levensomstandigheden in staat is, den duivel in zichzelf (den inneren Schweinehund) te overwinnen” (Ley).

Wie nu nog even vluchtig zijn oog iaat gaan over dit artikel, ziet dus een „theologie” ontstaan met als middelpunt niet God, maar ~het volk”, een begrippensysteem dat leraart over staat, levenswet, leider, vrijheid, recht en arbeid in termen en met argumenten, aan de taal en de wereld van de godsdienst ontleend. Aan dit systeem hebben tal van geleerden en volksleiders medegewerkt: juist door zijn schijn van godsdienstleer wordt zijn suggestieve kracht vergroot. Als men even wil vergeten dat alleen God absoluut is, en het van Hem afgeleide niet dan betrekkelijk zijn kan ook dus het wezen van „het volk” dan staat dit systeem voor ons met goddelijk gezag. Een gezag,‘dat geen ander goddelijk gezag naast zich kan dulden, ook niet dat hetwelk het Christendom predikt. En hiermee is de kerkstrijd van het n.-s. in Duitsland tot in zijn grond verklaard. En ook, dunkt mij, de betrekkelijke duurzaamheid van het systeem, waar het met listige macht in de volksziel wordt geprent, die nog wel zeker ook buiten Duitsland vele dwaalwegen zal hebben te gaan voor ze het Christendom van het Evangelie zal hebben gevonden. K. GEERTSMA.

') Sluit mij, zo vast ge wilt, in duizend boeien in. Die ketens voel ik niet, en vrij blijf ik van zin.

De Overwonnene

Duizendmaal moogt gij mij honen, Stapelen kunt gij op mij uw smaad;

Stil en gelaten zal ik u tonen Waartoe bhakti' j is in staat.

Gesnoerd is mij de mond, Maar uit mijns harten

Aller diepste grond Wellen zachtkens aan Gepuurd uit smarten

Nauw verstaanb’re klanken Om u te danken Voor al ’t leed, mij aangedaan;

Want zaak is ’t te snoeien De rozenstruik onzacht

Om te doen ontbloeien Een schoner bloemenpracht.

') bhakti = dienende liefde. A. SIGIT.

BOEKBESPREKING

B. W. Schaper: Waarheen gaat Europa? (Tijd en Taak-serie. Uitgave N.V. „Arbeiderspers”).

In dit handige boekje van nog geen 100 bladzijden geeft Schaper een voortreffelijk overzicht van de ontwikkeling der buitenlandse kwesties in ons beklagenswaardig werelddeel van na de grote oorlog. Voor de lezers van dit weekblad behoeft deze uitspraak geen nader bewijs. Zij kennen onzen buitenland-overzichtschrijver als een bij uitstek kundig en idealistisch man, die aan zijn werk hoge eisen stelt; als zodanig zullen zij hem in het bovengenoemde geschriftje terugvinden. Wie een goede inleiding wil hebben tot zijn lectuur van dag- en weekblad korter en in menig opzicht bevredigender dan Romeins bekende „Machten van dezen tijd” kan hier volkomen terecht en zal niet anders dan bewondering gevoelen voor de wijze, waarop Sch. ingewikkelde problemen met grote duidelijkheid behandelt en een eerbiedwaardige overtuiging voordraagt; alle gemakkelijke vaagheid of rhetorische klinkklank mijdende. Mag ik hier nog een opmerking, niet van polemische, maar van waarschuwende aard aan toevoegen? Schaper bestrijdt de „nexf>war-mentality”. Hij hoopt nog op de mogelijkheid van „een weg naar een rechtvaardige en productieve vrede”. De Volkenbond moet, vindt hij, zijn karakter van „louter liberale nachtwakerstaat in het groot” een aardige metafoor! overschrijden en zich tot een Europese werkgemeenschap ontwikkelen, waarin ook Duitsland ingeschakeld moet worden; voor de in-cultuur-brenging van het achterlijke Midden Oosten: Finland—Kaap Matapan. Vóór 1933 zou ik gezegd hebben: een verrukkend ideaal! Hoe denkt Schaper de dictator tot betrouwbare medewerking te krijgen? Door hun geldgebrek zal er een moment komen, hoopt hij, dat zij eerlijke medewerking zullen moeten aanbieden. En: „te menen, dat het Duitse volk voor de Europese samenleving terug te winnen zou zijn via een nieuwe nederlaag” noemt hij terecht „een fatale waan”. Ziehier hoe ik er onwillekeurig toch toe kom. Schapers voortreffelijke eigenschappen voor een publiek dat hem kent ten toon te stellen. Maar nu kom ik met mijn waarschuwende opmer-

king; wanneer de dictatoren door geldgebrek medewerking —■ en dus controle zouden moeten accepteren, zouden zij dat slechts als ~een nieuwe nederlaag” ondergaan, die zij door nieuwe camouflage in een nieuwe „overwinning” zouden trachten om te wentelen. Laat ons toch niet de ene illusie ontwijken om een andere ten prooi te vallen. Want dat ook het Duitse volk volstrekt niet alleen redres van Versailles, maar „Sieg, Sieg” en nog eens weer „Sieg” verlangt, terwijl de West-Europese „democratie” die in haar hulpeloosheid den Duitsers en Italianen wel gunnen moet, zolang eigenbelang en gemakzucht haar de wet stellen me dunkt, dat hebben de gebeurtenissen der laatste maanden ons nu wel kunnen leren. J. S. BARTSTRA.

Nicolaas Berdjajew; Van de Waardigheid des Christendoms en de onwaardigheid der Christenen. Antwerpen, Uitg. „Die Poorte”. Ned. vert. van Jos. Pruyts. z. j. 117 blz.

Dit boekje bevat drie opstellen; het eerste draagt dezelfde titel als het hele boekje; het tweede handelt „over de geest van het burgerdom”, het derde over „de geestelijke toestand van de moderne -wereld”. Berdjajew is m.i. een van de niet zo talrijke Christelijke denkers, die tot een bewust anti-burgerlijke en socialistische levenshouding komt; die ook in zijn theologie een eigen standpunt, in elk geval een eigen uitgangspunt vertegenwoordigt, en met name voor ons religieus-socialisten zéér de moeite waard. In dit boekje treft men opnieuw een rijkdom van oorspronkelijke gedachten, die wij dankbaar op ons laten inwerken. Religieus is het een pleidooi voor een „christelijke wedergeboorte”, die „voor alles een terugkeer tot Christus en tot zijn waarheid zal zijn, die geen menselijke misvorming meer vertroebelt. Sociaal is het een vurige oproep om de burgerlijke geest die de schr. terecht ziet als een bepaalde geestestoestand, in alle tijden en klassen aanwezig, maar in de kapitalistische maatschappij tot heerschappij gekomen te overwinnen door eeuwigheidsbesef. Cultureel is het een verdediging van de gedachte, dat cultuur boven zichzelf uitwijst en in het Christendom gegrond, aan Christelijke normen gebonden behoort te zijn. Het is in z’n geheel een boekje voor ons geschreven. Men leze het! W. B.