is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 30, 23-04-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONS GESPREK

met een oudere socialist

Eén ding word ik geloof ik nóóit met jullie eens,” zegt hij met die eigenaardige trilling in de stem, die een diepe bewogenheid van binnen verraadt, „Zie je, als jullie religieus-socialisten wijzen op de tekorten van het Marxisme: op de afgeslotenheid die het bracht, op de hoogmoedige zelfverzekerdheid die anderen dan uitverkoren proletariërs afstootte, dan geloof ik wel dat jullie gelijk hebt. Ik ben voor zover ik weet, nooit Marxist geweest; ik ben enkel maar uit een gerechtigheidsgevoel, uit menselijkheidsbesef tot de Partij gekomen, en ik voel me daardoor aan de beweging gebonden. Als jullie het hebt over de noodzaak om oude inzichten te herzien, en zo nodig op te geven, dan wil ik natuurlijk naar jullie luisteren: de maatschappij verandert, waarom zouden wij dan moeten stilstaan? En ik wilde wel, dat men in mijn jeugd ons een Christendom had geleerd zoals jullie prediken.- het is mij hard genoeg geweest om het geloof van mijn vrome Moeder de rug toe te keren, en innerlijk heb ik toch altijd er een band mee behouden.

Maar als jullie zegt, dat een mens eerst al zijn idealen moet kunnen opgeven, éér hij God waarachtig vinden kan dan zeg ik: neen. Ik kan mijn socialistisch ideaal niet opgeven; ik zou haast zeggen: ik mag het niet. Het zou verraad zijn. En niet alleen aan de Partij en aan mijn kameraden, het zou verraad zijn aan mijn eigen geweten. En ik begrijp niet, hoe iemand dat anders kan voelen Of begrijp ik jullie misschien verkeerd? Maar zeg het me dan zo, dat ik jullie niet misversta

Ik weet niet, waarde makker, wie dat zo gezegd heeft, en in welk verband: dat een mens eerst al zijn idealen moet kunnen opgeven, eer hij God vindt. Maar één ding kan je toch dadelijk waarschuwen: wij zijn religieus-soczaZisten, d.w.z. wij houden toch op een bepaalde manier ook aan dat socialisme vast, en wij doen ons werk mee in de arbeidersbeweging, die wij niet willen „verraden” Het zou dus inderdaad kunnen zijn, dat er misverstand in het spel is, en dat zal dan wel komen, omdat de dominee het weer eens mooi heeft willen zeggen Het zal wel geweest zijn in een preek over de z,g, „absolute eisen” van het Christendom: alles kunnen opgeven, alles móeten opgeven: je burgerlijke positie, je vrouw en kinderen, je toekomstverwachtingen, je theorieën, je idealen óók En je hebt bij je zelf gedacht: de dominee heeft toch z’n traktement en z’n boeken en z’n baantje en z’n gezin allemaal óók niet opgegeven waarom ik dan mijn socialisme wél?

Maar zie je, zo eenvoudig is het toch niet, al heb je met die laatste vraag schoon gelijk. Mag ik, om te naderen tot wat er misschien toch wel liggen kan in die uitspraak, ook es een vraag stelien? Deze: kom je niet vaak mensen tegen, die de gevangenen, de slaven zijn van,,, nu ja noem maar op: hun positie, hun gezin, hun theorie enz. Je komt ze b.v. ook zo tegen in de arbeiderswereld: eeuwig en altijd komt er de klassenstrijd en de dictatuur van het proletariaat bij, of ze het nu hebben over Oostenrijk en Spanje of over kunstmest en scheermesjes. Mensen die bezeten zijn door hun theorie, door hun „ideaal” noemen ze dat die voor niets meer open en ontvankelijk zijn, die hun ziel hebben overgegeven aan de tyrannie van een gedachte en zich dan „vrij” wanen...

Ik heb eens ergens gelezen van een manier, waarop men in de oerwouden apen vangt. Apen zijn nu eenmaal nieuwsgierig, zitten overal met hun handen aan en hun neus bij, en zijn bovendien hebberig van aard. En de slimme mensen weten dat: ze leggen ergens kruiken neer waarin men amandelen heeft gedaan, de apen komen erbij, steken hun knuisten in de kruik, pakken de amandelen, maar kunnen ze dan niet meer door de hals van de kruik krijgen tenzij ze de amandelen loslaten. Maar dat doen ze niet. Zo zijn zij de gevangenen van datgene wat zij hebben

Een enkele keer gaat het ook zo met de

mensen: dat zij de gevangenen zijn van hun bezit, hun werk, hun theorie tot hun ideaal toe. Zou er niet iets waars kunnen liggen in de gedachte, dat wij eerst moeten loslaten wat wij hebben, om waarachtig vrij te worden?

Misschien kunnen we ook nog langs een andere weg wel waarheid vinden in de uitspraak die je zo hinderde. Ik hoop voorzichtig en eerbiedig te blijven, en niet al te gemakkelijk en al te snel met het woord „God” aan te komen dragen; laat ons het even anders proberen te zeggen. Mag ik dan aanknopen, kameraad, bij wat ge mezelf uit uw leven hebt verteld: uw verdriet, toen uw vrouw stierf. Natuurlijk was dat een héél harde slag. Maar hebt ge toen niet dit verstaan: de zin van het grote, onbegrijpelijke en moeilijke leven bUjft, ook wanneer de ons allerliefsten gaan? Het leven, de diepe innerlijke stem uit het leven, uit het aandachtige hart blijft ons roepen, óók als de ons meest vertrouwde menselijke stem zwijgt?

En eigenlijk is er nog iets anders, dat misschien alleen zij begrijpen kunnen, die een zuivere liefde hebben gekend: toen ge wist dat zij gaan moest, en toen ge dat bij alle verdriet, toch innerlijk hadt leren aanvaarden, hebt ge toen niet vast geweten: wij blijven verbonden? Ik verlies haar maar blijf haar behouden? Het leven neemt, en de dood neemt, zeker; maar de zuivere liefde houdt vast en behoudt... Daarom staat er in de oude Bijbel, dat sterker is dan de dood

Er zijn enkele van die grote woorden, waarin het beste ligt waarnaar de mensen blijven hunkeren: geluk, liefde, gerechtigheid, vrijheid Maar juist omdat het de grote woorden en de beste dingen zijn is het er zo mee: dat wij ze pas diep bezitten, als wij ze kunnen opgeven. Dan zijn ze ook niet meer van óns, maar dan krijgen wij ze van God, zeg ik voorzichtig, maar toch vast overtuigd terug.

Zo, denk ik, zal die dominee het ook bedoeld hebben met het opgeven van het ideaal. Zolang het een menselijk ding is —• een amandel in onze vuist dat ons beheerst, zijn wij de gevangenen. Maar de zin van het grote en diepe en heilige leven blijft, ook al verdwijnt een partij, een theorie, een maatschappelijke beweging. Het leven neemt ons misschien af, zoals dat al een feit is voor onze makkers in Duitsland en Oostenrijk; het kan ons een partij afnemen, alle theorieën en alle wegen versperren, die wij hadden uitgetekend. Maar de zuivere liefde houdt ook hier vast, en behoudt De roep om gerechtigheid, de menseiijke broederschap, zij blijven behouden door de sterke liefde. Daarom zet de religieuze mens zijn leven niet op de kaart van welke aardse instelling ook, maar houdt hij vast aan de roepstem van God. En dan blijft hij „socialist”. Maar toch dnders dan wie menen, dat het alles hün werk en hün macht en hün bezit is W. B.

Bezinning

’s Morgens en ’s avonds grijpen we naar de couranten, naar de verschillende, waarop we geabonneerd zijn. Als we de ene uitgelezen hebben, wordt de andere gevolgd.

En op de straten wordt zo tegen twaalf uur een middagblad gevent.

En dan zijn er de bulletins, en aan de gebouwen der dagbladen worden borden uitgehangen, waarop weer van allerlei te lezen is.

En troepjes mensen staan te lezen en soms wachten ze nog of er niet meer komt.

En in de huizen van hen die het maar enigszins betalen kunnen, is het radiotoestel, dat op zijn minst twee maal per dag de nieuwsberichten uitroept. Zo is er altijd de onrust van deze tijd om ons heen.

We willen van alles en nog wat op de hoogte blijven.

Er kan dit gebeuren, düt! Dus moeten we alles weten.

Er moet veel, héél veel geschieden, voor we weer zullen gaan verlangen naar de koeste-

ring van de stilte, welke de noodzakelijke voorwaarde is voor bezinning.

En heel veel tijd zal er moeten verlopen, eer we allen weten en begrijpen, dat slechts de

stilte in onze kamers van vormende en opvoedende kracht is.

Zie, het spreekt vanzelf, dat ons eigen geluk nauw samengeweven is met dat van het eigen land en de wereld om ons heen.

Maar onrust en voortdurende angst werken ontzenuwend.

En een rustig overwegen is gans wat anders dan een koortsig verlangen naar nieuws.

Onze kamers en woningen krmnen alleen kinderen en volwassenen tot zegen strekken, wanneer zij ook de stilte en het lieflijke van de bezinning der rust kennen, het lichtende en bindende der gezinsintimiteit, welke weet, dat kind en volwassene, leden zijn der gemeenschap, maar ook van de kring, die de familie is.

Wanneer zullen onze woningen niet meer slechts de echo zijn van het daar buiten gebeurende?

Wanneer zal de courant weer wat anders worden dan iets dat haastig gelezen wordt, omdat toch niet alles gevolgd kan worden?

Wanneer zullen de persen bedrukt papier brengen, dat een ander ideaal nastreeft, dan te kunnen blijven concurreren met het jachtige van de concurrenten?

Wanneer zal de machtige uitvinding, die de radio is, in elk opzicht vormend en opvoedena werken?

Ja, wanneer?

Zal het eindelijk geschieden, als de nachtmerrie van deze tijd tot het verleden behoort, de mens den evenmens eerbiedigt, volken en rassen begrijpen gaan, dat allen een deel zijn van de schepping God’s?

Eens moet toch het licht gaan schijnen van het inzicht der liefde en verdraagzaamheid.

Nog is het duister om ons, nog heerst de verbijstering van de haat, de onrust, de verwarring nog kennen wij nauwelijks meer de stilte in onze woningen en de bezinning welke ervan uitgaat.

Maar dat zal en kan niet zo blijven. Ook dat weten en geloven wij!

IDA HEIJERMANS.

(Vervolg artikel Buitenlandse Kroniek). telijk deel van de Middellandse Zee. Want al betuigt Rome een aandoenlijke onbaatzuchtigheid ten aanzien van zijn „reddingsarbeid” in het door „bolsjewisme” verscheurde Spanje, hier zijn de Italiaanse belangen te duur gekocht en te vitaal voor het steeds verder opdringende Romeinse imperialisme, dat tenslotte niet alleen van de Middellandse Zee een Italiaanse binnenzee wil maken, maar ook de toe- en uitgangen daarvan wil beheersen, dan dat men aan een volledige zelfverloochening geloof kan hechten. Misschien dat de 3,5 milliard lire, waarmee Franco bij Italië in het krijt staat, door Londen zouden kunnen worden overgenomen. De nieuwe batterijen, die bij en tegenover Gibraltar zijn opgesteld, kunnen niet enkel met zilverenkogels weer onschadelijk worden gemaakt.

Bij de aanvang van de driejarige worsteling in het Nabije Oosten is een pact te Rome gesloten, en bij het einde insgelijks. Het Frans-Italiaanse aceoord van Januari 1935 lokte de Brits-Italiaanse strijd om de hegemonie in het oostelijk bekken van de Middellandse Zee uit; zal het Brits-Italiaanse pact van 1938 de inleiding tot een strijd tussen Frankrijk en Italië om het westelijk bekken vormen? Zo wreekt na drie jaar zich het Engeland van Chamberlain op het Frankrijk van Laval! Voor de mensheid is dit melodrama slechts de oppervlakkige afspiegeling van een tragedie, die zich in het lot van het Spaanse volk het bitterst openbaart. Dan betekent de schandelijke koehandel in Rome, waarbij gehele volken, mitsgaders de laatste resten van een nieuw volkenrecht, bruutweg worden verkwanseld, een dieptepunt in de achteruitgang der beschaving. Een dieptepunt, waarvan wij niet eens weten, of het niet slechts een rustpunt is, waarvan de verdere zich nog sneller zal voltrekken. B. W. SCHAPER.