is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 30, 23-04-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lichtaccoorden

O, sterk verlangen naar eind'loos licht.

waar leven is

als lichtgezangen, één jubelend accoord.

O, schoonheid.

nimmer nog gehoord

in aardse werkelijkheden. Hoe klein van klank

zijn woorden hier beneden

te vertolken het hemels zangenspel.

Slechts luisteren, ademloos luisteren en fluisteren wat woorden.

onvolkomen .... en danken Hem, deemoedig,

den schepper aller schoonheidsdromen. CAREL KNEULMAN.

Fries op school?

Sedert de 19de Mei van het vorig jaar bestaat de mogelijkheid op de scholen in Friesland onder'wijs in het lezen en het schrijven van het Fries te geven. Door allerlei verenigingen in Friesland is daarvoor jaren gestreden en nu eindelijk is door een kleine wetswijziging de mogelijkheid geschapen. Is dit belangrijk en moet hierover in „Tijd en Taak” geschreven worden?

"Vast staat, dat vele niet-Friezen de schouders hebben opgehaald. Was dit nu nodig? Moet zo het bijzondere van de Friezen en hun taal, waar ze toch al te veel mee schermen, onderstreept worden? Zijn er geen belangrijker dingen te regelen? Overal ontmoet men een niet begrijpende houding. Ja, er zijn er ook, die zich verzetten en het kortweg een dwaasheid achten zoveel aandacht aan de taal van een klein volkje te besteden. Alsof het geoorloofd is in een wereld, die geschokt wordt door grote, internationale problemen, te doen alsof zo’n particulier belang de moeite waard is. Het misverstand en het wanbegrip zijn dus groot. Buiten Friesland, maar ook er in. Want ook daar kan men herhaaldelijk horen: Men komt er niet ver mee en je verdient er niets mee goed Fries te kunnen lezen en schrijven! Ook veel Friezen vinden het schrijven van de eigen taal een liefhebberij en geen plicht noch een voorrecht en het liefst zouden ze wat beter Nederlands leren want de staatstaal kennen ze ook niet – en dan' die taalbeweging maar opheffen. Heel veel Friezen schamen zich reeds erg genoeg voor hun Fries-zijn en voor hun onhandigheid bij het gebruik van de Nederlandse taal. Moet dat minderwaardigheidsgevoel nu nog versterkt worden?

Om met de laatste kwestie te beginnen. De bedoeling is juist, dat minderwaardigheidsgevoel op te heffen. Dan is het echter nodig goed te zien, hoe het ontstaan is, iets wat veel Friezen niet duidelijk is. Zij hebben als kinderen een vreemde taal moeten leren en dit lukte dikwijls slecht. Thuis werd immers Fries gesproken en de onderwijzers kenden het Nederlands gewoonlijk ook maar half. Het gevolg van het onderwijs was dus, dat de kinderen het Fries nooit leerden, maar wel het gevoel kregen, dat het Nederlands het ware was. Dat leerden ze echter onvoldoende en ze kregen dus de indruk, dat ze achterlijk waren.

De Hollander, die het Nederlands als zijn eigen taal leerde, had direct iets op de Fries voor en het kostte velen in Friesland groote moeite die achterstand in te halen. Ze ondervonden daarbij remmen, omdat veel Hollanders, vooral de Stadsfriezen, de gewoonte had-

den het Fries als een taaltje van domme boeien te beschouwen en hun zo het stempel van minderwaardigheid op te leggen. Men moet daarbij wel bedenken, dat dit een proces van eeuwen is geweest. De Friese taal bleef ondanks alles leven, maar hield steeds de naam de taal van het domme boerenvolk te zijn. Nu kan men zeggen: Dus meer en beter Nederlands leren! Dit is natuurlijk juist en de bedoeling van de voorstanders van het onderwijs in het Fries is ook wel degelijk het onderwijs in de staatstaal te bevorderen. Maar dit kan in Friesland het beste door de beide talen naast elkaar te zetten en door voortdurend op het onderscheid de nadruk te leggen. Dan is het echter nodig de Friese taal als even gewoon en even vanzelfsprekend als de Nederlandse te beschouwen. Men leert iemand zijn minderwaardigheidsgevoel niet af, wanneer men een deel van zijrf leven, zijn dagelijkse omgangstaal n.1., voortdurend tot iets minderwaardigs stempelt. Terwijl het zo is, dat het Friese kind voortdurend met de taal van het „buitenland” een hem vreemde kuituur aangepraat krijgt, zal hij nu eerst zijn eigen kuituur moeten leren kennen en ergens geworteld zijn, voor hij dat eigenaardige gevoel van minderwaardigheid kwijtraakt. Fries onderwijs is een natuurlijk recht van het Friese volk, dat op den duur een 'bijdrage tot de Nederlandse kuituur zal blijken te zijn. Evenals Hitler-Duitsland van de remmen van de vrede van Versailles bevrijd moet worden, voor de wereld de kwade gevolgen van het Duitse minderwaardigheidsgevoel te boven is, zo zal ook het Friese volk zichzelf moeten mogen zijn, voor het het Nederlandse staatsgeheel goed kan dienen.

Ik beschouw het bovenstaande als het belangrijkste argument voor het Fries onderwijs. Maar ook al zou dit argument niet aanspreken, dan nog waren wij niet uitgepraat. Het is een eis van goede paedagogie, met het bekende te beginnen en op deze vaste basis staande in het onbekende door te dringen. In Friesland is echter de Friese taal het bekende en als wij het kind moeten geven, wat des kinds is, moet hem zeker zijn eigen taal geboden worden. Taal en historie, taal en kuituur zijn ook onlosmakelijk met elkaar verbonden. En als het vaststaat, dat een der grootste euvelen vaii de moderne tijd deze is, dat wij te los zijn van onze geschiedenis en van onze kuituur, dan staat voor Friesland vast, dat het ontbreken van goed Fries onderwijs een gevaar is. Men moet ook wel beseffen, dat de grote, internationale vragen niet opgelost kunnen worden als daar nog zovele „kleine kwesties” zijn, die de mensen voortdurend hinderen. Een mens moet zichzelf zijn, voor hij voor den ander iets kan zijn. J. KALMA.

Het polemisch hoekje

Een artikel uit Tijd en Taak maakt, zij het met horten en stoten, een wandeling door de Nederlandse pers. Dat gebeurt niet zo héél vaak... Gewoonlijk in twee gevallen: óf wanneer men ons met instemming citeren kan wanneer wij critiek hebben op de S.D.A.P., óf wanneer men zélfs ons kan gebruiken om te demonstreren hoe verdorven en onbetrouwbaar heel de rode bende is. Bij deze laatste gelegenheden worden wij opeens gepromoveerd tot de fatsoenlijkste en beschaafdste fractie van het socialisme... En, nietwaar,, wanneer wij al verdorven zijn, hoe moet dan de rest wel wezen!

Het bedoelde artikel, dat aan de wandel is, gaat zo langzamerhand dienst doen voor de tweede der genoemde mogelijkheden. Het is het stuk, dat M. H. van der Zeijde schreef naar aanleiding van de eigenaardige opwinding, die zich van ons volk meester maakte bij de geboorte van prinses Beatrix. Het eerste blad, dat er twee polemische artikelen aan wijdde, was de Haagse Avondpost; daarop is de heuse „Haagse Post” er venijnig op aangevallen; het stuk blijkt thans te hebben bereikt ”De Gooische Tafelronde”, een in Bussum verschijnend blad. Merkwaardig is daarbij op te merken, dat de kritiek bezig is een beetje gemeen te worden. En het is vooral daarop, dat wij alleen maar de aandacht vestigen.

De beide artikelen in de Avondpost heb ik niet bewonderd, maar tenslotte wel kunnen begrijpen. Het valt nu eenmaal een aantal mensen, die in volle oprechtheid hebben gejubeld om de geboorte van prinses Beatrix, moeilijk om te aanvaarden, dat het aantal andere mensen in volle oprechtheid daaraan niet meedoen en in de stelselmatige opwarming van allerlei gevoelens iets troebels speuren, waarvoor zij waarschuwen. In de dagen onmiddellijk na de geboorte van de Prinses heb ik mezelf eerlijk en ernstig rekenschap gegeven van mijn reactie op wat toen uit ons volk en vooral zijn pers naar voren kwam. Terwijl ik bij de geboorte, óók van een vorstelijk kind, de menselijke kant laat meespreken; terwijl ik begrijp en erken, dat de voortzetting van een traditie voor ons volk een groot goed kan zijn; terwijl ik, waar het zin en inhoud heeft, uit volle overtuiging opkom voor besef aan verbondenheid van alle volksgroepen, beken ik rondweg: aan wat de voornaamste persorganen ons in de feestdagen hébben voorgezet, al of niet overgoten met stichtelijkheid en „Christendom”, heb ik géén deel. En in zover behoor ik dan óók tot hen, die hun reserves hebben tegenover nationalisme en Orangisme. Terwijl ik mij zónder reserve deel weet van ons Nederlandse volk, en zijn geestelijke kracht gaarne mee help versterken, óók het besef van saamhorigheid, waar dat reëel en echt is. De schrijvers in „De Avondpost” en „De Haagse Post” mogen dat verder waarderen op hun wijze.

Maar wat het Bussumse blaadje ons probeert te leveren, is in een fatsoenlijk gezelschap en een nog vrij land ontoelaatbaar. Daar wordt verteld, dat mej. dr. Marie H. van der Zeijde lerares is aan een „bekend instituut voor middelbaar onderivijs aan meisjes te Bussum.” En, zegt de schrijver dan: „Wij betwijfelen het, of de sympathieke directrice van dit instituut op de hoogte is van de geestesgesteldheid har er subalternen ” Waarop dan precies die citaten volgen uit het T. en T.-artlkel, waaraan een vurig Oranje-gemoed zich kan ergeren (wat er méér staat, wordt natuurlijk niet vermeld), en de schrijver eindigt met een ivaarschuwend woord tot de moeders in Bussum: „en straks, als zij maar goed hun best doen bij deze lerares in de taal van hun vaderland, zullen uw jonge dochters het óók weten.” (n.l. dat bij de geboortefeesten grote geestelijke onrijpheid bleek).

—Dat de schrijver in het Gooise blad de opvatting van onze medewerkster (van wie hij allicht nooit iets anders las) in verband brengt met haar lerares-zijn, dat hij ouders en directrice voor haar waarschuwt, is een bedekte poging om haar te treffen in haar werk, in haar baan. Ronduit gezegd: het is een poging tot broodroof.

Het is laf en verachtelijk. W. B.