is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 32, 07-05-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZATERDAG 7 MEI 1938 – No. 32

36STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

Tijd EN Taak

Aan God behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24; 1

RELIGIEUS-SOCIALISTISCH WEEKBLAD

ONDER REDACTIE VAN DR. W. BANNING

ADRES DER REDACTIE: BENTVELDSWEG 5 – BENTVELD

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 36STE JAARGANG VAN DE BLIJ DE WERELD

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR F 3.40, PER HALFJAAR F 1.75, PER KWARTAAL F 0.90 PLUS 15 CENTS INCASSO – LOSSE NUMMERS 8 CTS POSTGIRO 21876 – GEMEENTEGIRO V 4500 – ADMINISTRATIE GEBOUW N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKELVELD 15, AMSTERDAM-CENTRUM

CORINCS JODENVERVOLGING

Met diepe ontsteltenis, die een mens een ogenblik de adem doet inhouden, lazen wij de vorige week de berichten omtrent de maatregelen van Göring ten opzichte van de Joden in het Duitse Rijk. „Bij nader inzien” is er eigenlijk niets bijzonders aan, zijn de afgekondigde wetten eenvoudig de consequentie van beleden beginselen, en zouden wij dus geen enkeie reden hebben om ons over iets te verbazen zoals wij ons ook niet hebben te verbazen over luchtbombardementen op open steden, op het gebruik maken van gassen in een moderne oorlog, op de moord op weerloze vrouwen en kinderen. Waarom zouden wij ons door deze feiten nog laten schokken en verontrusten? Zij hóren immers bij de moderne oorlog en de daar geldende moraal? Zo hóren de Göring-maatregelen precies bij de nationaal-sociaiistische moraai: de Joden in Duitsland zijn geen deel van het Duitse volk, zij hebben dus geen rechten, zij behoren eigenlijk uit het Duitse Rijk te verdwijnen, en zullen behandeld worden als staatloze vreemdelingen. Zo is de theorie immers?

Bovendien herinneren de nazi’s zich, dat zij socialisten zijn. Het privaatbezit is hun dus allerminst heilig. Wel heeft men daaraan niet gedacht, toen het vraagstuk van het grootgrondbezit aan de orde was; wel heeft men nimmer de grote bezittingen van landadei en conservatieven ten bate der volksgemeenschap aangetast, maar deze bezitters waren dan 00k... Ariërs. Nu het echter Joden geldt, neemt men eenvoudig hun kapitaal, dat geschat wordt op een vier miliiard Mark, in beslag ten dienste van het grote Vierjarenplan, ten bate der volksgemeenschap (waartoe immers de Joden niet behoren). Ook de buitenlandse Joden, die in Duitsland wonen, vallen onder de nieuwe bepalingen welke internationale verwikkelingen daaruit zullen voortvloeien, moet nog worden af gewacht; men kan toch moeiiijk aannemen,, dat b.v.

Frankrijk, Amerika, Engeland zonder meer de nazi-moraal op dit punt zullen aanvaarden? Er is trouwens meer, dat zich nog niet laat overzien. Wat echter vast staat, is duidelijk genoeg: honderdduizenden, die reeds rechtloos waren, worden met één slag straatarm gemaakt. Daarbij wordt dan een dubbele hoon over hen uitgestort: zij mogen zich er mee troosten, dat hun kapitalen zullen dienen ter vergroting van de militaire macht van het vaderland (waartoe zij niet mogen behoren); of zij mogen zich een ander vaderland zoeken, n.l. als berooiden en beroofden, als schooiers en paupers: de Duitse regering gaat aanstonds de emigratie der Joden bevorderen...

Ik herhaal: er is In deze maatregelen niets, wat met de nazi-principes in strijd is. Des te duideiijker blijkt dan, hoe onbarmhartig en onmenselijk deze principes zijn. Daarbij gaat ons bezwaar en verzet niet tegen de gedachte, dat de gemeenschap een recht heeft óók op het bezit der individuen. Socialisatie van beschikkingsmacht en van bezit zal van ons geen bestrijding ondervinden. Men moet echter wei ’n heel rare bril opzetten, om in de maatregelen van Göring dit beginsel te onderkennen; wilde men in Duitsland inderdaad dié kant op, dan zou men aan grootgrondbezit, aan de eigenaars der zware industrie, en aan het bankkapitaal kunnen denken. In de nu genomen maatregelen treft ons bovenal: de harde meedogenloze wil om te martelen. Zo als de nazi’s spelen met hun Jodenslachtoffers, zo speelt geen verscheurend dier met z’n prooi. Want men dood de Joden niet, men dwingt ze slechts tot een volstrekte-armoede-bestaan, waarin de geestelijke kwellingen zullen vóórtduren, eindeloos...

Het zegt over het nationaal-socialisme eigenlijk alles. Men heeft de overwinning behaald, en men is daar trots op. Men heeft de vrede van Versailles ongedaan gemaakt, en beroemt er zich op. Duitsland

is opnieuw een der eerste militaire machten in Europa en laat de gepantserde vuist zien, het heeft dus prestige. Hoog geeft men op van de innerlijke vernieuwing, van de sterke nationale zin, van een alle standen en klassen doordringend gemeenschapsgevoel... alles te samen: overwinning. Maar er is in dezen overwinnaar niets van grootmoedigheid, niets van menselijk mededogen, niets van verzoening. Integendeel: alles is razende haat, alles is wil tot wraak, alles is wellust in het martelen van weerlozen. Zo karakteriseert zich het nationaal-socialisme als beneden-menselijk... En het is daarom, dat wij de adem inhielden, toen wij de maatregelen van Göring lazen. Wat moet er van de wereld worden, indien deze geest haar beheerst? In mijn gedachten kwamen een paar hoofdstukken uit de Romeinenbrief, waar Paulus, zelf uit het Jodendom voortgekomen, een theorie opzet om de Joden, het toch eenmaal door God uitverkoren, maar dan, na de kruisiging van Christus, verworpen volk, toch een plaats te geven in het heiisplan, dat God met de wereid heeft. De theorie laat ik rusten. Maar Paulus houdt daar aan de Christenen een taak tegenover de Joden voor met deze woorden: „opdat zij (de Joden) ook door uw barmhartigheid barmhartigheid zouden verkrijgen”. In deze woorden zou een kracht kunnen liggen ter genezing van ontzaglijk diepe en schrijnende wonden. Een Paulus mag daarvan spreken, omdat hij gelooft in de universele Godsliefde. Een nationaal-socialisme kan tot barmhartigheid nimmer stijgen, omdat het gelooft in de dictatuur, het geweld, de haat.

Zullen de Christenen in Nederland durven protesteren tegen de verachting der Evangelische liefde, die uit de laatste maatregelen ten opzichte van de Joden blijkt?

W. B.